| Overlijden |
- Hij testeerde op 13.1.1791, 19 jaar oud, op zijn moeder en bleek toen liefst ƒ 20.000 gegoed te zijn. Hij voerde een doorsneden wapen: I in goud een uitkomende leeuw, rustend op de snijlijn; II in azuur een vogel met kromme snavel en opgetrokken voorpoot (voorste poot); helm met dek¬kleden: een uitkomende leeuw. Dit wapen is bijna identiek met dat van het Westlandse geslacht Van der Valck, waartoe de moeder van de schout en baljuw waarschijnlijk behoorde. Men zou op het eerste gezicht geneigd zijn te geloven dat deze, bij gebrek van een wapen Duijvesteijn, het wapen van zijn moeders familie heeft aangenomen. De merkwaardigheid doet zich echter voor dat een Marga-retha Duijvesteijn (1684-1770), telg uit een Friese familie Duijvesteijn, die op geen enkele wijze valt aan te sluiten op de diverse groepen Duijvesteijn in de provincie Zuid-Holland, een sterk gelijkend wapen voerde, namelijk een doorsneden wapen: I in goud een halve rode leeuw; II in azuur een zilveren duif. Deze Margaretha Duijvesteijn was door het beroep van haar man, Isaac Valckenaer (1666-1734), rector van de Latijnse school, in ’s-Gravenhage beland, en het is zeer wel mogelijk dat toen Pieter Cornelisz Duijvesteijn uit Wateringen in 1795 het ambt van schout (en bal¬juw) aldaar aanvaardde, hij het wapen van Margaretha Duijvesteijn is gaan voeren. Mogelijk heeft hij dit wapen in ’s-Gravenhage, op korte afstand van Wateringen gelegen, onder ogen gekregen en was hij in de veronderstelling dat dit het wapen van de familie moest betreffen. Aangezien hij geen mannelijke afstammelingen heeft gehad, is de familie dus zijdelings verwant [2]
|