Een casusonderzoek naar de totstandkoming van de alledaagse historische cultuur

Dit artikel bevat de biografische passages over Toon van Els uit de gelijknamige masterscriptie uit 2015 (Universiteit van Amsterdam, 2015). De volledige scriptie, waarin de legendevorming rond de figuur Toon van Els wordt verklaard, kun je hier lezen (pdf).

Wat er aan vooraf ging

Het is halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw. Iedere zomer opnieuw trekken we – een bevriend gezin uit Landhorst, mijn ouders, mijn zus en ik – erop uit naar oorden als Frankrijk, Zwitserland en Tsjechië. Vliegen is dan nog niet zo gewoon als dat het nu is en dus brengt de auto ons op de plaats van bestemming. Het zijn marathonritten waarin de autoradio overuren maakt. Cassettebandjes van Simon & Garfunkel en Boudewijn de Groot worden grijsgedraaid, evenals de bandjes van OEF. Die laatste zijn meegenomen door de delegatie uit Landhorst en worden bij iedere tussenstop weer fanatiek uitgewisseld tussen de twee auto’s. OEF is een groep muzikanten uit de buurt van Landhorst, een plaatsje dat zelfs voor mij als jongen uit Nijnsel – een dorp onder de rook van Eindhoven dat nauwelijks 2.500 inwoners telt – nog aanvoelt als het einde van de wereld, zo rustiek en klein is het. Het zangerige accent van de mensen daar doet Limburgs aan en de mannen van OEF zingen hun teksten in het lokale dialect, maar ook voor mij zijn ze goed te verstaan. Daarbij zijn de teksten ook nog eens prima te begrijpen – veel beter dan de beeldspraak van Boudewijn de Groot, die soms behoorlijk ingewikkeld kan zijn voor een jongetje dat nog 10 jaar moet worden. En het ‘dididi’ en ‘doododo’ bij Mrs. Robinson klinkt wel leuk, maar het Engels van Simon & Garfunkel is verder nog volstrekt onnavolgbaar. Nee, dan OEF, dat houdt het bij de alledaagse dingen, het plattelandsleven gevangen op een cassettebandje – heel veel ingewikkelder wordt het niet. Het duurt dan ook niet lang voor OEF uitgroeit tot favoriet; voor Boudewijn de Groot en Simon & Garfunkel resten vanaf dan slechts bescheiden bijrollen.

Een van de nummers die het – bij mij dan toch – het beste doet, is het nummer over een zekere Tôntje d’n Dwerg. Een man, door alles en iedereen aan zijn lot overgelaten, die zichzelf een weg door het leven knokt. Een nogal droevig verhaal, maar tegelijkertijd spreekt het ook enorm tot de verbeelding: die kleine Toon in zijn eentje tegen de rest van de wereld. En dan is er natuurlijk nog die passage over Toon die op een gegeven moment zo boos wordt dat hij de kerk besmeurt met mest – hij durft wel   De jaren verstrijken, cassettebandjes worden cd’s en die komen uiteindelijk ook in de kast en de auto van mijn ouders terecht. Als ik een jaar of 20 ben, hoor ik OEF weer eens voorbij komen. En dus ook Tôntje d’n Dwerg. Echt heel aandachtig naar de tekst luister ik niet, die kan ik na al die jaren nog steeds wel dromen.

Tontje dun dwèèrg

Geschreven door Vin Baltussen (OEF – Uut de kunst, 1994)   

 

Rond 1865, urne kaauwe winternaacht

Gebeure un klèèn wonder, ut wier al lang verwaacht

Un menneke wier geboore, alles zaa-tur aan en op

Twee beene en twee erm en flink wa heur op ziene kop

Op zich niks biezonders

In diejen tied heel doodgewoon

‘Wette wa’, zei ut mennekes vadder

Dizze noeme we Toon

 

Tontje dun dwèèrg ohoho

Tontje dun dwèèrg ohoho

Heel wa vloeke uut ziene mond

Smeet de kerruk vol mi stront

Tontje dun dwèèrg ohoho

Tontje dun dwèèrg ohoho

Toon die ging zien eege gang

Was vur dun duuvel nog nie bang

 

Tien jaore waare versteeke, ut ging snel dun tied vervloog

Toen stopte Toon mi groeie, hej was net vijf turvu hoog

Hej was nie veul grotter, nee nie grotter as un kiend

Dur iederien gepest, en hai gen enne vriend

Mi zien schaope over de hej wier zien leeve en zien lust

Mar ok de wier um afgenoome

Nee ze liete-um nie mit rust

 

Toon ging toen an ut zwerve, niks as vloeke niks as klaage

Alles wa-tie haj, was unnen aauwe kienderwaage

Dun heemel was zien dak, Toon schikte in zien lot

Heel langzaam mar wel ok zeker, ging hej dor an kapot

Zien familie liet um valle, net as pastoor en heel de rest

Hej nam wraak op zien manier

Smeet de kerruk vol mit mest

 

Di kon nie vonde de minse, di was toch groote schaand

Toon kon nerrugus mer komme, en zwierf dur ut laand

En toen ut blif nie uut, sloeg ut noodlot toe bej Toon

Zwak en ziek of leevensmeuj was dit now zien loon

In unne kaauwe winternaacht, toen vraor ut menneke dood

 

En eindeluk, no zoveul jaor, is ons Tontje now groot

Mijn gedachten dwalen af: zou die man eigenlijk echt hebben bestaan of is hij gewoon in het leven geroepen door een tekstschrijver met een flinke portie fantasie? Ik tik op Google ‘Tontje d’n Dwerg’ in en al snel blijkt dat hij daadwerkelijk heeft bestaan. Tot mijn verbazing blijkt in ‘OEF-land’ – niet Landhorst, maar het nabijgelegen dorpje Oploo – niet alleen een lied over hem te zijn geschreven, maar hij heeft er ook nog eens zijn eigen toneelstuk en zelfs een standbeeld gekregen. Als klap op de vuurpijl is er ook nog een cultureel evenement naar hem vernoemd. Onwillekeurig moet ik denken aan een van de laatste regels van dat liedje van OEF. Inderdaad: eindelijk, na zoveel jaar, is ons Tôntje nou groot.

Studieobject

Als in het najaar van 2012 – ik studeer dan inmiddels publieksgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam – voor het eerst wordt gesproken over mogelijke afstudeeronderwerpen schiet Tôntje d’n Dwerg weer door mijn gedachten. Die hele persoonlijkheidscultus die in Oploo is ontstaan, zou dat misschien niet …? Ik stop die gedachten ook vlug weer weg, want als afstudeeronderzoek is zoiets toch veel te klein en onbeduidend? Maar het idee blijft door mijn hoofd spoken en later, als het afstuderen steeds dichterbij komt, besluit ik er toch maar eens serieus werk van te maken. De gedachte dat in de geschiedschrijving alleen plaats is voor de grote meneren (in figuurlijke zin welteverstaan: de Shakespeares, de Rembrandts en de Churchills van deze wereld), is immers allang achterhaald.

Hoe meer ik te weten kom over Tôntje d’n Dwerg, die eigenlijk Toon van Els blijkt te heten, en diens nagedachtenis, hoe interessanter het vanuit geschiedkundig oogpunt wordt. Wat in eerste instantie zo klein en onbeduidend lijkt, blijkt namelijk een heel mooi voorbeeld te zijn van hoe erfgoed tot stand komt. Maar op hetzelfde moment is het ook weer een heel atypisch geval, met zin volstrekt eigen mechanismen en curiositeiten. Langzaam maar zeker verwordt dat liedje van OEF van tijdverdrijf bij die lange autoritten van vroeger tot een studieobject. De jeugdherinnering is een afstudeeronderzoek geworden.

Inleiding

Het is de zomer van 1865. In de Sambeekse Hoek, een gehucht in het uiterste hoekje van Oost-Brabant, wordt een jongetje geboren. Antoon van Els is de naam. Zo op het eerste  oog lijkt het een kind als zovelen. Maar met het verstrijken van de jaren blijkt Toon, waartoe Antoon al vlug wordt verbasterd, toch anders dan al die andere kinderen: door  een groeistoornis stopt hij al vroeg met groeien. Toon is een ‘klein mens’, zoals dat tegenwoordig heet, en zal nooit groter worden dan een kind. Tôntje d’n Dwerg is geboren, een spotnaam die hem tot ver na zijn dood zal achtervolgen.

Toon, die met zijn ouders al vlug verhuist naar het naburige Oploo, is met zijn geringe lengte een gemakkelijk doelwit voor pesterijen. Een baantje als schaapherder op de Peelse heide biedt uitkomst. Het is bepaald geen erebaantje, maar voor Toon wordt zijn kudde schapen zijn lust en zijn leven. Helemaal alleen met zijn beesten op de hei, ver weg van de bewoonde wereld, is er niemand die hem plagen kan. Daar doet lengte niet ter zake, maar is hij gewoon Toon de schiëper (schaapherder) en niet Tôntje d’n Dwerg.

Maar met het uitsterven van het beroep van schaapherder wordt Toon werkloos en op zoek naar een nieuw baantje gaat hij aan het zwerven door de regio. Als een conflict met de Oploose pastoor over een geldbedrag zo hoog oploopt dat Toon uit wraak de kerk besmeurt met kalk en mest, krijgt zijn zwerftocht een permanent karakter.

Met slechts een oude kinderwagen voor de paar bezittingen die hij heeft, trekt  Toon de laatste jaren van zijn leven verbitterd en vereenzaamd door de Peel. In 1922 komt er einde aan de lijdensweg van Toon van Els, als hij op 56-jarige leeftijd zijn laatste adem uitblaast.

Boegbeeld van Oploo

Tôntje d’n Dwerg. Eens een scheldnaam, maar tegenwoordig verworden tot een geuzennaam. De maatschappelijke verschoppeling van weleer is ruim negentig jaar na zijn dood uitgegroeid tot een boegbeeld van Oploo, een dorp in het uiterste oosten van Brabant met zo’n 1.800 inwoners. Hij kreeg er zijn eigen toneelstuk (in 1992), de uiterst succesvolle lokale band OEF droeg een lied aan hem op (1994), in 2003 werd er zelfs een standbeeld voor hem onthuld, en komende zomer is Oploo het decor voor al weer de twaalfde editie van de Tôntjesdag – een jaarlijks terugkerend cultureel evenement ter ere van, jawel, Toon van Els. Toon is lokaal erfgoed geworden, zowel immaterieel als materieel.

1865–1922: Van Toon van Els tot Tôntje d’n Dwerg

Het is een opvallende kop in het regionale dagblad De Gelderlander, in het voorjaar van 2009: ‘Tontje d’n Dwerg blijkt ‘kasteelheer’’. Toon van Els, de verschoppeling die vele decennia na zijn dood is uitgegroeid tot een soort cultheld van het Noord-Brabantse dorpje Oploo, een kasteelheer? Hij, de gewezen schaapherder die eindigde als zwerver en die bij zijn dood niet veel meer achterliet dan een oude kinderwagen met daarin zijn complete huisraad? Hij, de man die sliep met de hemel als zijn dak?

Maar het staat er toch echt. De onthulling blijkt het resultaat van omvangrijk onderzoek van De Heerlyckheit Plo, de lokale heemkundevereniging die in vijf jaar tijd de complete geschiedenis van 235 Oploose huizen en hun bewoners boven water weet te krijgen. Toon blijkt een kasteelheer – en dat is nieuws. Toon mag in 2009 dan al bijna negentig jaar dood zijn, zijn nagedachtenis is nog altijd springlevend.  Vanuit historiografisch oogpunt is dat laatste nog wel het meest interessant. Het baart niet zozeer opzien dat Toon van Els – misschien wel de beroemdste zwerver van de Peel – blijkt te zijn geboren in een kasteel, maar het is vooral opmerkelijk dat die ontdekking pas in 2009 wordt gedaan. Het toont aan hoe wankel het historisch fundament is waarop de legende van Toon rust. Een geboortebewijs, een overlijdensakte en het onderzoek van de Oploose heemkundevereniging: veel verder dan dat reiken die fundamenten niet. Het overgrote deel van de legendevorming is gebaseerd op de overlevering. Verslagen van ooggetuigen en andersoortige herinneringen aan Toon, die worden doorgegeven van generatie op generatie. Meestal gaat dat van mond op mond – schriftelijke documentatie is zeldzaam. En als die er al is, is die meestal ook weer gebaseerd op ooggetuigenverslagen. De historische basis is dus flinterdun. Een reconstructie.

Jeugd

Het verhaal van Tôntje d’n Dwerg begint op 8 juli 1865, als een jongen ter wereld komt die dan nog gewoon Antoon van Els wordt genoemd – Antoon wordt in de volksmond al vlug verbasterd tot Toon. Vader Johannes van Els (uit 1824) is geboren en getogen in Oploo. Anna Maria van den Elzen is al de derde vrouw van Johannes, nadat zijn twee eerdere echtgenotes op jonge leeftijd zijn gestorven (pas 28 en 37 jaar oud). Anna Maria, bijna dertien jaar jonger dan Johannes, is geboren in Boekel en als de twee op 17 oktober 1864 in het huwelijk treden, betrekken zij een woning in de Sambeekse Hoek, een gebied ten noorden van Oploo dat dan nog tot de gemeente Sambeek behoort.

Daar, in die woning aan de Grotestraat 1, wordt een kleine negen maanden later Toon geboren, het eerste kind in een rij van tien – van die tien kinderen komen er overigens vier nog voor hun zevende levensjaar te overlijden. Het jonge gezinnetje woont in een deel van het eeuwenoude kasteel Bekestein, dat gedeeld wordt met nog ten minste twee andere huishoudens. Zie hier de titelverklaring van het artikel in De Gelderlander: geboren in een kasteel, op dat moment nog inclusief gracht en ophaalbrug, kan Toon met een beetje fantasie inderdaad een kasteelheer worden genoemd. Maar de aanhalingstekens zijn toch zeker op hun plaats, want van een klassiek slot bewoond door adel is immers geen sprake. Laat staan dat Toon de heer des huizes is.

Opvallend genoeg is Toon – anno 2015 zo onlosmakelijk verbonden met Oploo – dus geboren in de Sambeekse Hoek en van origine helemaal geen Oploonaar. Dat behoeft echter wel enige nuancering, want in de afgelopen eeuwen zijn de dorps-, gemeente- én parochiegrenzen in het oostelijk deel van Noord-Brabant behoorlijk grillig gebleken. Zo behoort kasteel Bekestein in de tijd van Toon tot de gemeente Sambeek, maar is het inmiddels al weer ruim zeventig jaar deel van het dorp Oploo. Bovendien zijn de banden met Oploo ook in de jaren zestig van de negentiende eeuw al sterk: de inwoners van kasteel Bekestein behoren immers tot de Oploose parochie. Als het gezin Van Els-Van den Elsen op 25 april 1866 verhuist, is het dan ook niet onlogisch dat Spekklef 18, dan nog Bus 90 geheten, te Oploo de bestemming is.

Daar, aan het randje van de Peel, groeit Toon van Els op. Het is nog voor de massale heideontginningen die de Peel vanaf 1880 een compleet ander aanzien zullen geven; de Peel is dan nog hetzelfde onherbergzame en vrijwel onbegaanbaar moerasgebied als de eeuwen daarvoor. Enkel aan de boorden van dat gebied wonen mensen, al zijn het er niet veel. Ter illustratie: in de gemeente waartoe Oploo in 1879 behoort, wonen dan slechts 45 mensen per vierkante kilometer, tegenover 116 mensen per vierkante kilometer in 2015. Door primitieve veeteelt en akkerbouw voorzien de meesten van die mensen in hun eigen behoeften – er is niet veel, maar het is allemaal net genoeg.

Schaapsherder

Wanneer precies is in de boeken niet terug te vinden, maar na verloop van tijd moet duidelijk zijn geworden dat Toon geen gewone jongen is. Zijn lichaamsgroei blijft achter bij die van zijn leeftijdsgenoten. Jongens worden mannen, meisjes worden vrouwen, maar Toon blijft altijd het lichaam van een kind houden. Hij blijkt te lijden aan dwerggroei; Toon is een ‘klein mens’, zoals het officieel heet. Over zijn precieze lengte zijn de bronnen het niet eens. De ene bron spreekt van 1.52 meter, de andere houdt het op 1.34 meter.

Hoe dan ook, groot wordt Toon van Els niet en dat is in de Peel van de negentiende eeuw een behoorlijke handicap. Met zijn geringe lengte is hij immers niet geschikt voor het zware plattelandswerk. Dat hij niet kan lezen of schrijven, spreekt ook al niet in zijn voordeel. Uiteindelijk wordt Toon schaapherder. Of zoals dat in het plaatselijk dialect heet: schiëper – afgeleid van scheper, zoals het vak van schaapherder ook wel wordt genoemd. In dat metier is zijn handicap geen onoverkomelijk probleem. Zijn korte benen nopen hem tot wat kleinere stappen dan de gemiddelde schaapherder, maar een goed getrainde herdershond scheelt een hoop. Bovendien staat het hoeden van schapen bekend als een echt ‘geduldwerkje’: van een goede herder wordt gezegd dat hij ‘nooit haast mag hebben’ en zelfs ‘lui moet zijn’. Er wordt gezegd dat Toon daarmee in de voetsporen treedt van zijn vader, die aan zijn boerderij aan de Spekklef een flinke kudde schapen beheert, alhoewel een andere bron beweert dat Van Els sr. zich verhuurt als dagloner en houtzager.

Ongeacht het beroep van zijn vader ligt de keuze van Toon voor het vak van schaapherder voor de hand. Niet alleen omdat Toon door zijn handicap niet geschikt is voor het overgrote deel van het boerenwerk en zijn analfabetisme hem nog verder beperkt, maar ook omdat in de Peel de behoefte aan schaapherders traditioneel groot is. De uitgestrekte heidevelden zijn immers uitermate geschikt als graasweide voor de schaapkuddes. En juist de schapenteelt is van groot belang in de Peel, een weinig welvarend gebied. Het hebben van een kudde schapen, dat betekent per slot van rekening vlees op het bord. En handel natuurlijk: in wol, vlees, ooien (vrouwenschapen) en lammeren. Maar veel belangrijker dan dat is nog wel de mestproductie: de hoeveelheid mest die een boer kan produceren, bepaalt hoeveel land hij met succes kan bebouwen. Dit alles tezamen maakt de schapenteelt tot een populair vakgebied en schaapherder tot een veelgevraagd beroep.

Toon van Els met schepersschopje. Foto Sjang Hoeijmakers, Die goeie ouwe tijd. Het leven in een Peeldorp omstreeks 1900 (Elsendorp 1988). Originele bron en datering onbekend.

Schaapherder dus. Het lijkt de redding voor Toon van Els, iemand met weinig mogelijkheden in een geïsoleerd gebied. Maar zoals de algehele agrarische beroepsbevolking vanaf halverwege de negentiende eeuw achteruit holt (was in 1849 nog ruim 44% van de mannelijke beroepsbevolking werkzaam in de agrarische sector, dat percentage is in 1930 zo goed als gehalveerd), neemt ook het aantal schaapherders alleen maar af. Dat laatste heeft deels te maken met het feit dat vanaf 1880 de grote vlees- en wolmarkten van Londen en Parijs steeds meer concurrentie krijgen uit Argentinië en Australië. Maar bovenal dragen de spectaculaire technologische vernieuwingen bij aan het almaar teruglopende aantal mensen dat werkzaam is in de agrarische sector. De introductie van kunstmeststoffen is er daar een van. Nu mest in de vorm van kunstmest beschikbaar is, verdwijnt het veel arbeidsintensievere zelf vervaardigen van mest uit het dagelijks leven van de Nederlandse boer. Daarmee sterft ook langzaam maar zeker het beroep van schaapherder uit. Ook omdat door de grootschalige heideontginningen het aantal hectaren woeste grond, waaronder dus de heide waarop door de schapen wordt gegraasd, flink afneemt: van zo’n 700.000 hectaren in 1880 tot nog maar 250.000 in 1940. Vanzelfsprekend maakt dat het er voor Toon niet gemakkelijker op om aan werk te geraken.

En dat terwijl het voor Toon van Els toch al jarenlang een flink karwei is om een baan te vinden. Waar werk is, daar is Toon, zo lijkt het wel. Hij wisselt – nadat hij op zijn 17e het ouderlijk huis heeft verlaten – meerdere keren van adres in Oploo, maar staat ook tijdelijk ingeschreven in het nabijgelegen Overloon. Daarnaast wordt hij als schaapherder gesignaleerd in onder meer Wanroij en zelfs de Betuwe. Niet uitgesloten kan worden dat hij tussendoor al kortere of langere perioden aan het zwerven is geslagen.

Zwerversleven

Het jaar 1900 luidt het begin van het definitieve zwerversleven van Toon in. Hij krijgt ruzie met een van zijn broers, waar Toon op dat moment in de schuur verblijft – hun ouders zijn dan al een hele tijd overleden. Inzet van de ruzie is een geldbedrag dat Toon van zijn broer tegoed zou hebben, maar de broer kan of wil hem dat bedrag niet betalen. Toon beschouwt dat als onwil en wendt zich tot de pastoor van Oploose parochie, Lambertus Eycken, maar ook door hem wordt Toon niet verder geholpen. Toon ontsteekt daarop in woede en besluit op een nacht bij wijze van wraak de Oploose kerkdeuren te besmeuren met kalk en mest. Niet veel later vertrekt Toon uit de schuur van zijn broer en laat hij ook Oploo achter zich.

In de vijf jaren die volgen, verdwijnt Toon grotendeels van de radar. Hij vindt nog een paar keer kortstondig emplooi als schaapherder in Horst en Gemert, maar in 1905 lijkt zijn carrière als schaapherder er toch echt op te zitten. Wat volgt is de jarenlange zwerftocht die hem uiteindelijk zoveel jaren later beroemd zou maken.

Die zwerftocht is een keuze, zo zou niet lang na zijn dood in een plaatselijke krant worden gesuggereerd, omdat het andere leven hem niet langer bevalt. Erg aannemelijk is die hypothese niet en er zijn dan ook geen signalen die daarop wijzen. Logischer lijkt het dat Toon geen andere keus heeft. De verschillende verhuizingen wijzen erop dat Toon al langer moeite heeft om als schaapherder het hoofd boven water te houden. Bovendien wordt het besmeuren van de kerk met kalk en mest in het dan nog zo fanatiek rooms-katholieke zuiden van Nederland ongetwijfeld niet met gejuich ontvangen. Het is daarom logischer te veronderstellen dat Toon uit pure nood Oploo moet verlaten, dan dat hij daar daadwerkelijk doelbewust voor kiest – een aanname die decennia later ook door anderen zou worden bevestigd. Zonder werk, door het uitsterven van zijn vak, en berooid, door het akkefietje met zijn broer, rest Toon niet veel anders dan een bestaan als zwerver.

‘Tôntje d’n Dwerg’

Het is in de hoedanigheid van zwerver dat Toon van Els bekend wordt als Tôntje d’n Dwerg – waar die bijnaam vandaan komt, laat zich raden. Dat hij tijdens zijn zwerftochten opvalt, is gezien zijn voorkomen niet zo vreemd. Daarbij is het niet alleen zijn geringe lengte die de aandacht trekt. Het zijn ook zijn verweerde en enigszins verwilderde hoofd en een imposante baard die in het oog springen. Bijna vijftig jaar na zijn dood zou dat voorkomen door Willem F. Christiaans, die hem nog heeft gezien, als volgt worden omschreven:

Toontje droeg een normaal mannenhoofd op brede schouders, maar lijf en benen waren ver beneden de maat gebleven. Zijn weelderige haren en zijn ruige baard, zijn verweerd gezicht met een paar heldere ogen, zijn fiere houding en zijn zo krachtige stem; dat alles maakte hem tot een model kabouter, zoals men zich er geen schoner kan voorstellen.

Tôntje d’n Dwerg is niet de enige bijnaam die Toon van Els aan zijn voorkomen dankt: ook Kabouter Toontje, Kleine Ko (vermoedelijk naar een gezongen voordracht over een ‘wonderkabouter’) en het Erdmenneke (dialect voor aardmannetje; een dwerg of dwergachtige aardgeest) verwijzen naar zijn geringe lengte. Toon raakt ook bekend als Piet van Amsterdam (herkomst onbekend), Jantje van Oploo (naar het dorp waar hij is opgegroeid) en Nol ’t Varkske (een verwijzing naar zijn vermeend gebrek aan hygiëne, zoals dat van een varken).

Toon van Els (links) samen met Driek Meyer, ook bekend als ‘de Lange Meyer’. Foto Brabants Historisch Informatie Centrum. Originele bron en datering onbekend.

Het zijn overigens bijnamen die Toon zelf verafschuwt, zoals hij ook maar niet kan wennen aan het ‘verkleinen’ van zijn naam tot Tôntje; het liefst wordt hij Toon de scheper genoemd, naar het door hem zo geliefde vak van schaapherder.

Karakter

Niet alleen het voorkomen van Toon trekt de aandacht, ook is hij in de wijde omtrek berucht om  zijn driftbuien, die gepaard gaan met behoorlijk wat gevloek en getier.

Die driftbuien leiden nogal eens tot incidenten. Zo komt Toon, dan nog als schaapherder, ’s avonds eens bij zijn werkgever thuis zonder hond, maar met in zijn handen wel de huid van het dier. Toon heeft de hond die middag met zijn schepersschopje doodgeslagen, omdat het beest niet goed op de kudde had gepast terwijl Toon een dutje deed. Daardoor waren de schapen over de hele heide verspreid, wat hem in woede deed ontsteken – hij had immers nog zo aangedrongen op een goed getrainde herdershond om zijn fysieke beperkingen te compenseren. Het betekent – niet geheel verrassend – het einde van zijn zoveelste dienstverband.

En dan zijn er natuurlijk nog de mensen, die hem, waar Toon ook verschijnt, aangapen alsof ze met een kermisattractie hebben te maken. Maar vervelender nog zijn de personen, vooral kinderen, die Toon tot het continue mikpunt van hun plagerijen maken. Vaak laat hij die plagerijen gelaten over zich heen komen, maar eens in de zoveel tijd barst de bom. Dan komt zijn schepersschopje uitermate goed van pas. Toon heeft het schopje, eens een nuttig instrument om schapen met steentjes en zand te bekogelen om zo te voorkomen dat ze al te ver afdwalen, altijd bewaard. Later, als hij eenmaal aan het zwerven is geslagen en het sarren en pesten van de schooljeugd hem te veel wordt, gebruikt hij het ding om ‘die verdomde beddepissers’ te verjagen; hij bekogelt ze net zo lang met steentjes en zand tot ze op de vlucht slaan.

Toch heeft Toon van Els ook een andere kant dan die van de driftbuien en het gevloek en getier. Hij blijkt een man met twee gezichten. Op het eerste oog driftig, maar diep van binnen toch ook zachtaardig. Zo is Toon in zijn jongere jaren een graag geziene gast op de plaatselijke beugelbaan en zoekt hij in die tijd graag het gezelschap van zijn leeftijdsgenoten op. Ook als schaapherder staat hij bekend als een opgewekt persoon; vrolijk en met een lach begroet hij de boeren die op het land aan het werk zijn en als hij zich verveelt, maakt hij van wilgenhout fluitjes voor kinderen uit het dorp.

Die zachtaardige kant raakt Toon niet helemaal kwijt als hij aan het zwerven slaat. Want hij mag dan berucht zijn om zijn driftbuien, evengoed kennen mensen hem als een dankbaar en goedgeluimd persoon. Met enige regelmaat klopt Toon bij een, vaak bekend, adres aan of schuiven mensen hem het een of ander toe. Boterhammen met boerenham (‘da is goei eten, moeder’), een kommetje melk of een paar pepermunten: Toon is er iedere keer weer intens gelukkig mee en bedankt de mensen die hem de helpende hand toesteken uitvoerig.

Zwerftochten

Als zwerver sjouwt Toon van Els zijn bezittingen steevast met zich mee. Heel veel is dat niet: het steeds vaker van pas komende schepersschopje, twee paraplu’s, twee bundels en een rugzak. Hoe weinig het ook mag zijn, door zijn handicap is het voor Toon toch een flink karwei om telkens weer alles met zich mee te slepen. Sterker nog, omdat het hem niet in één keer lukt, brengt Toon steeds een deel van zijn bezittingen enkele honderden meters weg, om vervolgens het restant op te halen. Zo loopt Toon, die door zijn kortere benen toch al niet de vlugste is, iedere afstand dubbel. Of soms zelfs driedubbel, als de treiterende jeugd hem weer eens in het vizier krijgt en, terwijl Toon het eerste deel van zijn bezittingen wegbrengt, de jeugd het restant juist in de tegengestelde richting brengt. Als hij op latere leeftijd van een ouder echtpaar een kinderwagen cadeau krijgt om daarmee zijn bezittingen te vervoeren, is dat voor Toon dan ook een geschenk uit de hemel.

Toon wordt gesignaleerd in zowat ieder hoekje van de Noord-Brabantse en Limburgse Peel, maar duikt ook op in de Meierij (tot aan Den Bosch en de Betuwe (het Gelderse Maasbommel), en nabij het Limburgse heuvelland (Sittard). De twee paraplu’s waarover Toon beschikt, komen hem bij zijn zwerftochten goed van pas: als het warm is beschermen ze hem tegen de zon, terwijl ze hem ook bij wind en regen de nodige beschutting bieden. Slapen doet hij het liefst in de buitenlucht. Als hij een geschikte plaats vindt, klapt hij zijn paraplu’s uit en slaat hij zijn bivak op. Bij slecht weer, zoals in de winter, is dat wat lastiger. Op die momenten krijgt hij vaak de helpende hand toegestoken van boeren die hem onderdak en regelmatig ook wat te eten en te drinken aanbieden – aanboden die Toon over het algemeen maar al te dankbaar aanvaardt.  Dankzij de gulheid – of misschien wel het medelijden – van de mensen komt Toon van Els aan kost en soms dus ook inwoning. Dat doet hij wel zonder uitgesproken te bedelen. Vanzelfsprekend heeft hij zo zijn adressen waar hij al eens eerder is geweest en waarvan hij weet dat hij er welkom is, maar om eten of een slaapplek vragen, dat komt maar zelden voor. Toon lijkt zich überhaupt liever niet op te dringen: meer dan eens bedankt hij voor de uitnodiging om aan te schuiven aan tafel en zoekt hij in de buitenlucht een rustig plekje op om zijn boterhammen te eten of een kopje koffie te drinken.

Zonderling

Dat Toon het liefst zoveel mogelijk afstand houdt, is niet zonder reden. Hij mag dan vaak in het middelpunt van de belangstelling staan, dat is dan wel tegen wil en dank. Toon vermijdt het contact met andere mensen zoveel mogelijk. Zo probeert P. Th. Builtjes, die schrijft voor een plaatselijke krant, Toon gedurende de oorlogsjaren 1914-1918 eens te interviewen, maar Toon bedankt voor de eer. Het verbaast dan ook niet dat Toon evenmin ingaat op een aanbod van een kermisexploitant om zichzelf als een soort curiositeit beschikbaar te stellen. Toon wil niet anders zijn dan de rest en weigert al helemaal om daar munt uit te slaan.  Wat hem uiteindelijk tot de zonderlinge figuur maakt die Toon van Els in de tweede helft van zijn leven is, blijft gissen. Dat gissen gebeurt dan ook volop, jaren na zijn dood. De een beweert dat het zijn norse karakter is in combinatie met het gebrek aan toenadering van zijn omgeving, terwijl de ander meent dat Toon zich door zijn uitzichtloze situatie een minderwaardigheidscomplex aanpraat en het beslissende zetje wordt gegeven door de maatschappij waarin voor hem geen plaats is. Weer een ander is van mening dat Toon zo verbitterd is geraakt door het totale gebrek aan inlevingsvermogen en medeleven van zijn medemens.

Hoe het ook zij, echt opmerkelijk is het niet dat Toon zich met het verstrijken van de jaren steeds meer van andere mensen vervreemdt. Voor hen die zonder werk en dus inkomsten komen te zitten en voor gehandicapten is in de maatschappij van dat moment maar weinig plek – en laat Toon nu uitgerekend zowel werkloos als gehandicapt zijn. Zij die geen cent meer te makken hebben, kunnen zich weliswaar richten tot het armenbestuur (‘d’n erme’), maar over het algemeen zijn de mogelijkheden van dat bestuur beperkt omdat de middelen doorgaans ontbreken. De Nederlandse gehandicaptenzorg ontwikkelt zich in de negentiende eeuw minder snel dan in andere West- en Noord-Europese landen als Duitsland, Zwitserland en Zweden.

De hulp concentreert zich voornamelijk op verstandelijk en zintuigelijk gehandicapten, zoals doven, blinden en slechtzienden – aan motorische beperkingen, zoals dwerggroei, wordt nauwelijks aandacht geschonken. Daar komt pas in 1899 verandering in, als in december van dat jaar de ‘Vereeniging tot verzorging van gebrekkige en mismaakte kinderen in Nederland’ wordt opgericht. In speciale tehuizen worden motorisch gehandicapte kinderen behandeld, opgevoed en verzorgd. Ze leren zelfs een vak zoals rietvlechten of boekhouden. Voor Toon komt het allemaal veel te laat, hij is de leeftijd van 30 dan al ruim gepasseerd en komt dus niet in aanmerking voor die hulp. Bovendien groeit het besef dat motorisch gehandicapten recht hebben op een volwaardige behandeling – inclusief gelijke rechten op de arbeidsmarkt – pas echt vanaf de jaren twintig van de twintigste eeuw. Toon loopt dan al op zijn laatste benen. Tel daarbij op dat hij zijn familie en het dorp de rug heeft toegekeerd – of andersom, dat is afhankelijk van interpretatie – en een teruggetrokken leven ligt voor de hand. Hoeveel keus heeft hij immers?

Overlijden

In de winter van 1922 komt een einde aan de lange zwerftocht van Toon van Els. Het is ergens halfweg januari als Toon door het Limburgse Weert strompelt. Hij is er overduidelijk slecht aan toe en moet om de paar meter leunen op zijn schepersschopje voor hij weer de puf heeft om zijn tocht voort te zetten. De dan 7-jarige Marie Beerens en haar zusje, die net uit school komen, waarschuwen hun moeder. Ook hun vader Willem komt er bij en het gezin Beerens besluit vervolgens om Toon in hun schuur weer wat te laten aansterken. Daar, op die warme plek, kan Toon uitrusten, terwijl ma Beerens op tijd zorgt voor een paar boterhammen en een bordje warm eten. Maar ondanks die goede zorgen verslechtert de toestand van Toon steeds verder en uiteindelijk besluiten pa en ma Beerens om hem naar het Sint Jansgasthuis te vervoeren, zodat hij de zorg krijgt die hij nodig heeft. Een paar dagen later, op 24 januari 1922, komt Toon te overlijden. Hij is 56 jaar oud geworden. Weer een paar dagen later wordt Toon daar in Weert, op zo’n vijftig kilometer van Oploo, in alle eenzaamheid naar zijn laatste rustplaats gebracht met pa Beerens als enige getuige.

Epiloog

Een tikkeltje ironisch is het wel. Toon van Els, de man die bij leven bespot, beschimpt en buitengesloten werd, zou jaren later alsnog in ere worden hersteld door misschien wel de directe afstammelingen van zijn kwelgeesten van weleer. In Oploo dus, het dorp dat hij zo’n kleine honderd jaar eerder nog de rug toekeerde. En hoe ironisch is het dat uitgerekend de man die liever alleen was en niets van alle aandacht moest hebben tegenwoordig een verbindende functie wordt toegedicht? Dat op de naar hem vernoemde Tôntjesdag enkele honderden mensen nader tot elkaar komen en daarmee ondertussen de herinnering aan hem in stand houden?

Het zegt veel over hoe de verhoudingen zijn verschoven in een kleine eeuw tijd. Was Toon vroeger een schandvlek die kinderen angst inboezemde, tegenwoordig is hij voor velen toch vooral een spannende herinnering aan vervlogen tijden. Tenminste, dat is wat ik gedurende mijn onderzoek heb ervaren. Hoewel ik me heb gefocust op de totstandkoming van het erfgoed en niet op de perceptie daarvan, blijkt Toon nog immer in het geheugen van velen gegrift en lijkt daarbij van afkeer geen sprake. Integendeel, mensen tonen zich nieuwsgierig en delen graag hun eigen ervaringen. Zo werd ik niet lang na aanvang van mijn onderzoek gebeld door De Gelderlander. Een journalist van het dagblad – een waardevolle bron in mijn zoektocht – wilde van alles weten over mijn onderzoek. Zoals Sjang Hoeijmakers bijna dertig jaar geleden naar aanleiding van zijn verhaal in de media een niet gering aantal reacties kreeg, zo kreeg ik die nu ook – toegegeven, het waren er wat minder dan Hoeijmakers, maar wel stuk voor stuk spontaan. Zo’n tiental mensen zocht me op via internet en stuurde een e-mail. De een uit naam van zijn moeder of vader, de ander uit naam van zichzelf. Er was zelfs iemand – hij bleek bevriend met Rainer Schumacher, de Duitse kunstenaar die het standbeeld van Toon heeft gemaakt – die me een dvd toestuurde met beeldmateriaal van the making of en de onthulling van het standbeeld. Anderen wilden vooral hun herinneringen delen: herinneringen aan de verhalen over Toon waarmee ze waren opgegroeid en die mijn onderzoek voor hen tot een feest der herkenning maakten.

Er bleken zelfs mensen te zijn die nog veel meer wilden weten. Ik werd uitgenodigd om over mijn onderzoek te komen vertellen op het Oploose cultuurfestival ZondagsGasten en op de Tôntjesdag van 2014. Later zou ook nog een uitnodiging volgen van de heemkundevereniging uit het nabijgelegen dorp De Rips. Op die momenten bleek de nagedachtenis aan Toon nog altijd springlevend. Mensen klampten me aan met vragen over Toon, maar vooral ook om te vertellen over hun eigen herinneringen. Want het verhaal van Toon zegt niet alleen iets over de Peel aan het einde van de negentiende eeuw of over de totstandkoming van erfgoed, maar voor veel mensen – vijftigplussers vooral – blijkt het vooral een herinnering aan hun eigen jeugd en de verhalen die daarbij horen, a walk down memory lane. Het sluit naadloos aan bij de al in de inleiding geïntroduceerde democratisering van de alledaagse historische cultuur, zoals aangehangen door onder anderen de historici Kees Ribbens en Raphael Samuel. Die historische cultuur reikt veel verder dan de grenzen van de universiteit en gaat evengoed – of wellicht nog wel meer? – over sentimenten en de eigen, persoonlijke herinneringen: elementen die het beeld van het verleden in het alledaagse leven misschien nog wel meer bepalen dan de vaak theoretische en in sommige gevallen zelfs ronduit idealistische opvattingen van historici. Zulke elementen kunnen in een historisch onderzoek dan ook onmogelijk worden genegeerd.

Nu je hier toch bent...



Het aantal bezoekers aan Fasol.nl neemt ieder jaar toe. We bieden je alle informatie op deze website - artikelen en genealogische database - gratis aan. En dat blijft zo!

Maar met het in stand houden van fasol.nl zijn ook kosten gemoeid, zoals voor hosting en ontwikkelkosten. Als je fasol.nl waardeert, kun je dat laten merken door het doen van een financiële bijdrage.

Op de pagina Samenwerken vind je de mogelijkheden om te doneren of te sponsoren.

Lees ook: