Vandaag in 1922 overleed Antonius van Els, alias Toontje d’n Dwerg. Een van de meest tragische figuren uit mijn stamboom. Een treffend voorbeeld van het zware leven dat mensen met een handicap in vroeger eeuwen te leiden hadden.

Aanvankelijk werkte hij als schaapsherder, maar toen daarin steeds minder emplooi was en hij door zijn groeistoornis nauwelijks aan ander werk kon komen, ging hij zwerven.

Hij werd een legendarische verschijning in de dorpen van de Peel. Gepest door de jeugd, uitgestoten door de samenleving, mede te wijten aan zijn opvliegende karakter.

Hij overleed in Weert, na half dood in de berm van de weg te zijn gevonden. Na zijn dood werd hij een cultfiguur: liederen zijn over hem gemaakt, toneel, afstudeerscripties. Hij kreeg een standbeeld in Oploo. Alsof de samenleving zich schuldig voelde.

Gerechtigheid komt vanzelf, maar voor Toon was het te laat.

Oorspronkelijk geschreven als Facebookupdate.

  • Meer over Tontje in het artikel markante figuren uit onze familie.
  • Hieronder volgt een artikel over Tontje van Els van de hand van de Noord-Limburgse volkskundige Th.P.A. van der Voort. Het staat in een (ongetitelde) getypte reader, in mijn bezit, geschreven vermoedelijk in de jaren 1980:

Tontje den Dwerg

Van al de figuren uit mijn jeugd is “Tontje” m|j het meest helder voor de geest gebleven. Ook bij anderen zal dit wel het geval zijn, want hij maakte op die jongens een diepe indruk. Eer hij er was wisten we al dat hij kwam. De mare van zijn komst liep hem vooruit. “Tontje is op komst”, riepen de jongens elkaar al van verre toe, want de aanwezigheid van “Tontje” bracht spanning mee.

“Tontje” was een mannetje van middelbare leeftijd, schat ik. Groter dan een en een kwart meter was hij niet, maar wel breed geschouderd. Op zijn onverzorgde lange haren droeg hij een klerin vuil hoedje. Onder de rand van die hoed zag men een verweerd, behaard en ongewassen gezicht met daarin fel stekende loerende oogjes, die alles in zich opnamen.

Ook zijn ribfluwelen kleren zagen er vies en vuil uit.

Zijn klompen, die gehoogd waren met dik leer voltooiden naar beneden zijn figuur. Op zij deed dat een herdersschop, die hij altijd gereed hield om er gebruik van te maken. Zo kwam hij het dorp binnen. Zijn bagage bestond uit twee grote pakken, gewikkeld in zeildoek en stevig dichtgebonden net een sterk touw. Elk pak was net zwaar genoeg voor hem, zodat hij de kracht had het zo ongeveer 50 meter te verplaatsen.

Hij nam dan zo’n pak met de linkerhand vast, terwijl zijn rechter stevig zijn schop omklemde en droeg het een eindje verder. Die afstand van 50 meter beheerste hij met zijn schop volkomen. Hij was schaapherder geweest en had geleerd zijn afdwalende schapen met een welgemikte worp met zijn schopje, waarop een kluit zand lag, naar de kudde terug te drijven.

Door deze kundigheid was hij in staat vervelende bengels die hem plaagden en deden of ze zijn pak wilden stelen op een afstand van zijn bezittingen te houden. Kwam een jongen te dichtbij dan was een steen of kluit hem voldoende om hem te verdrijven. Ook waren er van die waaghalzen, die durfden te laten zien, dat zij met hun fiets dicht bij hem durfden te komen. Een welgemikte tik met de ronde achterkant van de schop was wel voldoende om anderen af te schrikken. Al te zeer pestende jongelui hebben hun vermetelheid wel eens met een gat in hun hoofd moeten betalen.

Al deed hij niemand kwaad, een zachtaardig baasje was hij niet. Hardop mopperen deed hij voortdurend, behalve als hij aan de deur klopte of belde. Dan stond hij hardop te bidden: Onze Vader enz. Wees Gegroet Maria.

Ging de deur open en zei er iemand: “Je krijgt niks”, dan brak hij zijn gebed af.

Zo: Wees Gegroet Maria –,
Godver…. Potver… Nondeju en dan volgde er een serie vloeken en verwensingen, waar zelfs de duivels in de hel van verbleekten.

Vaak kreeg hij een bord met eten of een boterham. Dan ging hij zitten op de stoep, of zo maar op de grond. Als hij klaar was, gaf hij het bord met een “God zal het U lonen”, terug, nam een pak op en begon weer aan zijn zwerftocht. Zo sjouwde hij door heel Noord-Limburg van het ene dorp naar het andere, rusteloos, rusteloos, steeds maar mopperend en loerend of men hem niet te na kwam.

Wat er in zijn pakken zat wist niemand.

’s Nachts sliep hij onder afdaken, in schuren en stallen of in een van de beide ringovens in Tienraij als het koud was.

Later is hij niet meer verschenen. Men zei dat hij was doodgevroren. Of dat juist is, is niet bekend.

 

Verder lezen: