In de pakweg 100 jaar die we hier beschrijven veranderde de samenleving radicaal. Het Ancien Régime zou plaatsmaken voor de Revolutie en daarna zouden in de negentiende eeuw de eerste gevolgen van industrialisatie ook lokaal merkbaar worden. De familie Fasol zou bovendien van woonplaats veranderen: ze verdwenen uit wat België aan het worden was en zich vestigden zich in Nederland.

Dit is het vierde deel van de familiegeschiedenis van de familie Fasol:

We eindigden de vorige aflevering met het noemen van de personen waaruit de familie bestond. Het was (nog altijd) een relatief kleine familie, die niettemin alweer zo’n 120 jaar in Bree gevestigd was. We gaan verder met ons verhaal over Maria Catharina Fasol (1698), Maria Elisabeth Fasol (1713), Gertruyt Fasol (1745), en de kinderen uit het gezin van Jacobus Henricus Fasol (1693-1764): Anna Maria (1719), Gertruyt Elisabeth (1727), Maria Margaretha (1730), Catharina Elisabeth (1736), Peter Joannes (1739). Ook hun moeder Erlindis Smeets leefde nog.

Maria Catharina Fasol (1698) was ongehuwd, familieoudste en laatste overlevende uit het gezin van notaris Peeter Fasol (1651-1711). Ook haar achternicht Maria Elisabeth Fasol (1713) was ongehuwd. Zij was de enige dochter van Jacob Fasol (1678-1724), en was de laatste van haar tak van de familie. Beiden waren ‘op leeftijd’.

Gertruyt Fasol (1745), is dochter en enig kind van Anthoen Fasol (1700-1747); zij wordt in 1770 non. Uit het gezin van Jacobus Henricus Fasol (1693-1764) leven in 1765: Anna Maria (1719), Gertruyt Elisabeth (1727), Maria Margaretha (1730), Catharina Elisabeth (1736), Peter Joannes (1739).

Peeter Fasol
Laatstgenoemde is de enige man die de familie telt en stamhouder van de familie. Van hem weten we dat hij timmerman was. Petrus Joannes Fasol, die de roepnaam Peeter draagt, trouwt te Bree op maandag 7 april 1766 met Maria Aldegondis (Aldegonde) Stals (ook: Staels), dochter van Renerus Stals en Anna Krekelbergs. Zij was geboren in het naburige Opitter en aldaar gedoopt op dinsdag 28 maart 1741. In het Land van Luik en het Graafschap Loon was het verplicht voor burgers die uit hun geboorteplaats vertrokken, een cautie te stellen die verklaarde dat men in staat was in het eigen onderhoud te voorzien. Aldegondis, geboren in Opitter en vanaf haar huwelijk wonend te Bree, was niet in staat deze cautie te stellen. Daarom verklaarde de gemeente Opitter op 26 april 1766 dat haar te verwekken kinderen, mochten zij tot armoede komen, uit de inkomsten van de armentafel onderhouden zouden worden [Gemeente Bree, bundel 32].

Op woensdag 6 augustus 1766 wordt hun eerste kind geboren: Jacobus (Jaak) Fasol. Doopgetuigen zijn grootvader Renerus Stals en zijn grootmoeder Erlindis Smeets (vermeld als Erlindis Fasol). Peeter Fasol was op 26 augustus 1767 peter van Leonardus Vrancken, zoon van Joannis Dionysius Vrancken en Maria Elisabeth van den Eeden (zijn nicht). Meter was Helena Hulschbosch. Deze Maria Elisabeth van den Eede (1737) was een dochter van de overleden Christina Fasol, de tante van Peeter Fasol. Zij was gehuwd (in ieder geval vóór 1770) met Joannes Dionysius Vrancken, en zou 6 kinderen krijgen.

Antwerpen en omstreken
Op zaterdag 21 maart 1767 wordt Erlindis Smeets begraven (vermeld als Erlindis Fasol). Op 2 juli 1767 worden haar kinderen vermeld bij een verkoop: Peter Joannes, Anna Maria x Peter Philip Fassaert, Gertruyt Elisabeth x Christ Hendrikx, Catharina Elisabet, meerderjarig ongehuwd, Maria Margaretha te Lier [Laatbank Hulshof Bree, nr.3, fol.87]. Op 19 december 1767 verkoopt de bejaarde Maria Elisabeth haar dries of groesweide buiten de kloosterpoort [Hof Vanderhallen Bree, nr.15-fol.104-vs].

Zo komen wij te weten dat Gertrudis Elisabeth Fasol getrouwd was met een zekere Christ Hendrikx en dat Maria Margaretha in 1767 in Lier woonde, een vestingstad ten oosten van Antwerpen. Lier had in de 16e eeuw veel te lijden gehad onder de oorlog en de pest, maar maakte in de loop van de 17e en 18e eeuw een heropleving door, dank zij de veemarkt en de brouwerijen. Het is opvallend hoeveel leden van de familie zich in de loop van de de 18e eeuw onder de rook van Antwerpen of in Antwerpen zelf vestigen. Haar tante Christina Fasol woonde indertijd in Reet, haar zuster Anna Maria in Melsele. (En haar jongere nicht Anna Maria (*1770) zal later als non in Antwerpen gaan wonen.)

Op vrijdag 30 september 1768 wordt in Bree een tweeling gedoopt van Peeter Fasol en Aldegonde Stals: Erlindis en Anna Maria Fasol. Beide kinderen leven niet lang: afgaande op de naamgeving van latere kinderen uit het gezin, is Erlindis in ieder geval vóór 1781 overleden en Anna Maria vóór 1770.

Op 11 januari 1769 was Gertruyt Fasol meter van Michael Antonius Vrancken, zoon van Joannis Dionysius Vrancken en Maria Elisabeth van den Eeden (haar nicht). Peter was Michael Vrancken. In dat jaar begon (opnieuw) een runderpestepidemie. In Holland stierf in het eerste jaar van de epidemie van 1769-1786 ruim 70% van de runderen, zo’n 160.000 van de in totaal 225.000.

Maria Elisabeth Fasol (*1713)
Maria Elisabeth Fasol was op 1 januari 1770 meter van Adriana Vrancken, dochter van Joannis Dionysius Vrancken en Maria Elisabeth van den Eeden (haar achternicht). Peter was Adrianus Antonius Hulschbosch. Op 17 april 1770 doneerde zij haar huis met stal en moeshof aan de Gerdingerstraat aan Fr. Joannes Dionysius Vrancken, geh. met Maria Elisabeth van den Eeden (haar nicht, dochter van Christina Fasol), onder voorwaarde van kost en inwoning bij de acceptant in dit huis, alsmede begraven te worden in gewijde aarde en het betalen van de doodsschulden door de acceptant. Mocht donatrice reeds binnen drie jaar overlijden, dan moest de acceptant tevens zorgen voor f.100,- aan zielsmissen, en f.100,- aan lafenissen, waarvan f.20,- voor overleden vrienden van de donatrice [notariele akte L.J. van der Maesen, 17 april 1770].

Gertruyt Fasol (*1745) verkoopt op 2 maart 1770, als religieuse-novice in het Sionconvent te Maaseik, grond en het huis ‘De Wintmoelen’ [Hof Vanderhallen (laatbank) Bree, nr.15 -fol.112, fol.113].

Op zaterdag 28 juli 1770 wordt in Bree Anna Maria Fasol gedoopt, kind van Peeter Fasol en Aldegonde Stals. Doopgetuigen zijn Joannes Dionysius Vrancken en Christine Stals. (Dionysius Vrancken is de man van Maria Elisabeth van den Eeden).

In 1772 was Franz Karl von Velbruck gekozen als prinsbisschop, die de steun had van zowel Frankrijk als Oostenrijk. Hij was een typische vorst uit de Verlichting en had de sympathie van de bevolking. Hij overleed in 1784. (Schöffer, pag. 419-420).

Renerus (Reijner) Fasol wordt gedoopt te Bree op donderdag 3 september 1772 als kind van Peeter Fasol en Aldegonde Stals. Doopgetuigen zijn zijn overgrootvader Joannes Stals en zijn achternicht Maria Elisabeth van den Eede.

Vroedvrouw
Aldegondis Stals meldde zich op 19 augustus 1775 bij het stadsbestuur van Bree om op stadskosten opgeleid te worden tot vroedvrouw. Ze mocht te Maastricht bij stadschirurgijn dr. Hofman en een vroedvrouw in de leer. Zolang de studie duurde beurde zij 15 stuivers voor logement en kost. Op 9 december 1775 werd haar diploma goedgekeurd in Luik. In 1787 was zij nog in functie. Ze ontving van de stad een vergoeding van f.80,- per jaar [Maes & Dreesen [1984]: ‘De geschiedenis van Bree’, dl.II, pag.127]. Op 5 december 1775 was Maria Elisabeth Fasol (*1713) meter van de naar haar vernoemde Maria Elisabeth Fasol, dochter van Petrus Joannes en Aldegonde Stals. Peter was Jacobus Spreuwers. Dat betekent dus dat Aldegonde haar opleiding in hoogzwangere toestand voltooide!

Twee vroedvrou wen begeleiden een bevalling (Uit een 16e-eeuws boek van Eucharius Roeslin,1526) . In de 18de eeuw was de situatie nauwel ijks gewijzigd.

Twee vroedvrouwen begeleiden een bevalling (Uit een 16e-eeuws boek van Eucharius Roeslin,1526). In de 18de eeuw was de situatie nauwelijks gewijzigd.

Op maandag 2 september 1776 wordt opnieuw een kind in Bree gedoopt: Maria Helena Fasol. Doopgetuigen zijn Joannis Petrus Esser en Helena Winckelmeulen.

Peeter Fasol kocht op 19 augustus 1777 een huis, maar de familie van de verkopers kocht het terug (veranderingsrecht) [Hof Vanderhallen (laatbank) Bree, nr.15, fol.179].

Anna Caroline Fassaert, de in Melsele wonende nicht van Peeter Fasol (dochter van zijn oudste zus Anna Maria) trouwt te Melsele op dinsdag 17 maart 1778 met Paulus d’Hooghe (ged. te Melsele op 29 jan 1755), landbouwer, zoon van Jean Baptist d’Hooghe en Maria Regina Dirick. Op 27 september 1778 wordt Joannes Antonius Fasol gedoopt in Bree, kind van Peeter Fasol en Aldegonde Stals (getuigen: Joannis Vaesen en zijn tante Maria Stals.

Op 5 februari 1781 is Catharina Elisabeth Fasol meter van haar nichtje Herlindis Fasol, dochter van Petrus Joannes en van Aldegonde Stals. Peter was Lambert Vaesen. Reijner Fasol, het zoontje van Peeter Fasol overlijdt op 9-jarige leeftijd. Hij wordt begraven te Bree op maandag 17 september 1781.

In 1782 werd Bree getroffen door de runderpest, die vanuit Duitsland kwam. ‘Die niet wel gadegeslagen werden, die viel de tong uit’, zo heette het; waarschijnlijk ging het dus om een soort mond- en klauwzeer.

Op woensdag 1 januari 1783 wordt in Melsele de oudste zuster van Peeter Fasol begraven, Anna Maria Fasol, 63 jaar oud.

Op dinsdag 25 februari 1783 is de doop van Christianus Renerus (Reynier) Fasol, zoon van Petrus Joannes (Peeter) Fasol en Maria Aldegondis (Aldegonde) Stals. Doopgetuigen zijn Christianus Becken en Maria Helena Smedts. Hij zal de stamvader worden van alle leden van de huidige familie Fasol.

Het jaar 1783 bracht ook een klimatologische catastrofe voor Europa: de uitbarsting van de IJslandse vulkaan Laki op 8 juni 1783 is de grootste uitbarsting (qua uitgestoten volume lava) van een vulkaan op IJsland in historische tijden. Ten gevolge van deze eruptie was het noordelijk halfrond in een waas van mist gehuld, waardoor de temperatuur het volgende jaar wereldwijd met ongeveer 1 graad Celsius daalde, en er zure regen en misoogsten ontstonden. In de warme zomer van 1783 waaide de wind geruime tijd naar het zuidwesten, waardoor een wolk met zwaveldioxide en zwavelzuur zich over West-Europa verspreidde, zover landinwaarts als Praag. Men schat dat alleen al in Groot-Brittannië 23.000 mensen overleden door de gifwolk. De gemiddelde temperatuur in de winter van 1783/84 was tot in Noord-Amerika ca. 5 graden lager dan normaal. Alleen al in Groot-Brittannië stierven die winter 8000 mensen meer dan gemiddeld. In Nederland kregen mensen last van hun luchtwegen en hun ogen. Er wordt wel gesteld dat de hongersnood in Europa uiteindelijk heeft geleid tot de Franse Revolutie. De uitbarsting heeft daarmee dus een enorme (politieke) uitwerking gehad op Europa.

Dan overlijdt op 70-jarige leeftijd, als laatste van haar tak van de familie, de tak van Jacob Fasol en Gertrudis Cuypers, Maria Elisabeth Fasol.  Ze wordt begraven te Bree op woensdag 18 augustus 1784.

In dat jaar overlijdt ook de populaire Luikse prinsbisschop Franz Karl von Velbruck, een typische vorst uit de Verlichting die de sympathie van de bevolking. (Schöffer, pag. 419-420). Constantijn Franciscus van Hoensbroeck werd als opvolger gekozen tot prinsbisschop, een stugge man die de Verlichting wilde terugdraaien. Dit was echter in Luik niet meer mogelijk: deze ideeën van volkssoevereiniteit waren volledig ingeburgerd geraakt (Schöffer, pag. 420).

Op 6 juli 1786 is de doop in Bree van Maria Catharina Fasol, dochter van Peeter Fasol. Doopgetuigen zijn haar oom Philippus Stals en Maria Catharina Grouls. Zij is waarschijnlijk vernoemd naar de oude Maria Catharina FASOL (*1698), die op 25 oktober van hetzelfde jaar wordt begraven.

Bokkenrijders
Het is vredestijd, maar het land is toch in verschillende opzichten in crisis: er heerste hongersnood, onder andere veroorzaakt door de vulkaan Laki, en de invloed van de denkbeelden uit de Verlichting vinden ingang, terwijl het bewind in Luik dat probeert te voorkomen. Misschien is dat één van de oorzaken dat het platteland ook in de tweede helft van de 18de eeuw onveilig is. Het zijn nu vooral autochtone bendes die de bevolking terroriseren. Zij worden in de jaren 1770 voor het eerst Bokkenrijders genoemd. Ze stelen, maken zich schuldig aan afpersing en tarten het gezag. Opmerkelijk feit is dat de bendeleden over het algemeen ambachtslieden zijn, met een gevestigde, hoewel dikwijls lage plaats in de maatschappij. De vervolging door de overheid is zeer streng. Verdachten worden op de pijnbank gedwongen tot het noemen van namen. Soms wordt verondersteld dat de toenemende criminaliteit niet alleen te maken heeft met extreme armoede in deze periode, of een uiting is van sociale onvrede en bewust verzet tegen de gevestigde orde, die tot uitbarsting zal komen tijdens de Franse revolutie.

Ook Bree heeft te lijden onder Bokkenrijders. Vooral de naam van Nolleke van Geleen is aan die periode in Bree verbonden. Een beruchte crimineel, die uiteindelijk in januari 1790 zal worden opgehangen, net als zijn vrouw Barbara Baggen. Zij was geboren op 18 april 1744 als dochter van een rijke boer. Nollekes echte naam was Joannes Arnold van de Wal. Zijn vader was afkomstig uit Geleen, vandaar zijn bijnaam Nolleke van Geleen. Hij noemt zichzelf kleermaker en speelman. Hij was de leider van de Bokkenrijders in de streek rond Bree. Een charismatische man, en een fantast. Hij speelde viool en kon goed dansen. In zijn huis was het een zoete inval, waar veel mensen logeerden en in- en uit liepen.

Rond de Bokkenrijdersbendes hing een merkwaardige, occulte sfeer, die grotendeels door henzelf gecreëerd werd. Barbara Baggen werd op 22 november 1789 gearresteerd. Onder marteling bekent ze en noemt namen. Ze bekende ook de beruchte eed te hebben afgelegd: “dat haaren man een beeld in de hand hadde van eennen valsche god, representeerdende eenen ouden Sinte Machiel met den duyvel daat onder en dat beynsbergen in syne hand hadde het beeld Crona.” 

Een voorbeeld van de praktijken van Nolleke van Geleen is een bewaard gebleven brandbrief uit 1786 aan de welgestelde Laurens Bogaers uit Bree. Zeer waarschijnlijk schreef Barbara Baggen de brief:

Brandbrief van Nolle Van Geleen uit 1786 aan Laurens Bogaers, zeer waarschijnlijk geschreven door de vrouw van Nolle, Barbara Baggen. Overgenomen van https://sites.google.com/site/vroomhistory/home/5-de-bokkenrijders

Brandbrief van Nolle Van Geleen uit 1786 aan Laurens Bogaers, zeer waarschijnlijk geschreven door de vrouw van Nolle, Barbara Baggen. Overgenomen van https://sites.google.com/site/vroomhistory/home/5-de-bokkenrijders

De transcriptie van deze afpersingsbrief luidt:

‘Nose nose (vrees, vrees) Bougers (Bogaers) desen brief is aen u en gy moet leggen fuijftigh gulden aen de Gerdigen (Gerdinger) poort aen die meijdt of hoop die daer likt korste bij de poort neur die kant van de Itter (Itteren) poort daer sal liggen eenen roden tiegel stien  (rode stenen tegel) en daer onder sal sijn een kuijl daer moet gij het in leggen over morgen avondt omtrent seven uren en soo gij dat niet en doet soo sullen u huijs of u sier (schuur) in vier hoeken in brandt steken. En soo dat gij daer ûijt van sekt (iets van zegt) of het geldt niet in lekt of wacht opdat het geldt niet gehalt kan worden soo sijt gij  in tien  twalf (twaalf) iaere noch niet vrij en dan lieten wij dich of din vrou aen den hoek of kant om vaer sieten (omver schieten). En gij moet het leggen kort langs die meijt en din siet maer gerust dat u niet mier sal gesieden (en wees maar gerust dat u niets meer zal geschieden) want wij sijn met onse veere wij hebben din man sich nogh niet siet (want wij zijn met  ons vier en toch zult ge ons niet zien).

Dit was al de tweede keer dat Bogaers werd afgeperst. Het is duidelijk dat het er niet al te gezellig meer toeging in het vriendelijk ogende stadje. Bedreigingen door Bokkenrijders werden vaak werkelijk ten uitvoer gebracht. Doordat de eerste afgepersten betaalden, regende het brandbrieven in Bree en vooral de dorpen erom heen (ca. 40 in een jaar of drie). De bende van Nolleke van Geleen had zich al schuldig gemaakt aan diefstal, roof en moord. De bende bestond uit lokale mensen. (Bron: https://sites.google.com/site/vroomhistory/home/5-de-bokkenrijders.

Zelfportret van bokkerijder Arnold van de Wal alias Nolleke van Geleen. Bron: Nationaal Gevangenismuseum.

Zelfportret van bokkerijder Arnold van de Wal alias Nolleke van Geleen. Bron: Nationaal Gevangenismuseum.

Revolutiewinter
De winter van 1788-’89, ook wel revolutiewinter genoemd, is de koudste winter in Nederland sinds het begin van de metingen in 1706. Waarschijnlijk is het voor in Nederland en België de strengste winter van het afgelopen millennium geweest. Op 14 december blijft het kwik vier dagen lang onder de –10 graden. Rotterdam meldt op de 14e –18 graden. In Hardenberg wordt het –22 graden en de volgende dag wordt in Utrecht een maximumtemperatuur van –13 graden gemeten. Uit Den Haag wordt in de Leeuwarder Courant bericht dat twee kinderen door de koude zijn doodgevroren. Op tweede kerstdag valt de vorst weer in. Een dag later staan de thermometers beneden de –5 graden en weer een dag later onder de –10. Hiermee begint een voor Nederland extreem koude periode, die, afhankelijk van de locatie, zou aanhouden tot 12 of 13 januari. De 29e en 30e december verlopen zeer koud met in Brussel –20 graden. Daarbij waaide er ook een stevige wind, waardoor de sneeuw kon verstuiven. December 1788 werd de koudste decembermaand sinds het begin van de waarnemingen en ook nadien is het in december nooit zo koud geweest. Veel bomen vriezen kapot, sommige barsten open. Uiteraard vriezen zowel de rivieren als de Zuiderzee dicht en ook de Noordzee bevriest tot ruim een halve mijl uit de kust terwijl men tot vier mijl uit de kust grote aantallen ijsschotsen aantreft. Op 5 januari scheef de waarnemer te Utrecht: ‘t Is nu 6 weken dat deze koyde bijna aanhoudend geduurd heeft; de armoede groeit dagelijksch aan. Men zegt dat er hedennagt een schildwagt op deszelfs post doodgevroren is. In Haarlem wordt op 5 januari een ijsdikte van meer dan 50 centimeter gemeten. Uit Leuven schrijft men dat door de koude al verscheidene mensen zijn doodgevroren. Antwerpen meldt dat de Schelde voor het eerst sinds 1740 weer is dichtgevroren.’ Op 27 februari draait de wind naar het noorden en de vorst valt opnieuw in. Er volgt een voor de tijd van het jaar zeer koude periode, tot 19 maart komt het kwik nauwelijks meer boven het vriespunt. In de nachten vriest het licht tot matig. Haarlem meldt op 12 maart -9 graden. Waarschijnlijk heeft de strenge winter invloed gehad op de prijzen van graan, waardoor de maatschappelijke onrust, die uiteindelijk zou leiden tot de Franse Revolutie werd aangewakkerd.

In 1789 breken in Brabant en het prinsbisdom Luik gelijktijdig onlusten uit. Anders dan de Brabantse opstand is de Luikse duidelijk geïnspireerd op de Franse revolutie. De prinsbisschop vlucht naar Trier. Hij bewerkstelligt een expeditie door de troepen van de keurvorst van de Palts. Bree bleef steeds trouw aan de prinsbisschop. Bree had in 1789 gedurende vijf weken Mainze en Paltse troepen ingekwartierd. Zij verplichtten de bevolking om alle wapens in te leveren (Maes & Dreesen II, p. 44). In 1790 trekken de troepen van de keurvorst zich terug over de Maas. In juli 1790 onderwierp Bree zich weer formeel aan de prinsbisschop. In 1792 dringt een Frans leger de Oostenrijkse gebieden binnen. Prins-bisschop Francois-Antoine de Méan (1792-94) vlucht naar Duitsland, en Luik, Hasselt, Sint-Truiden en Maaseik worden bezet. Franse troepen passeren Bree. In de winter sloegen ze er een grote voorraad brood en meel op.

Op 11 oktober 1792 is Peeter Fasol peter van Petrus Egidius Custers, zoon van Joannis Custers en Maria Elisabeth Grouls. Meter was Maria Catharina Vandermeulen.

In maart 1793 worden de Fransen teruggedrongen en vallen hun voorraden in handen van de Oostenrijkers, die het meenemen naar Maastricht (Maes & Dreesen II, p. 45).

Franse Tijd
Vanaf de capitulatie van Maastricht op 5 november 1794 begint in Bree de Franse tijd. De opeisingen die volgen op de bezetting brengen de gemeenten in diepe schulden. Bovendien mislukt de oogst van 1794 en is de daaropvolgende winter de strengste van de eeuw, zodat de gemeenten ook moeten lenen om de hongersnood te bedwingen.

In 1794 bezit Catharina Elisabeth 208+32 en 197 roeden land [RAH Bree-gemeente-oud archief 105: Bondergetal der inwoners van de stadt Bree]. Peeter Fasol bezit 155 en 115 roeden land [RAH Bree-gemeente-oud archief 105: Bondergetal der inwoners van de stadt Bree].

In 1795 houdt het prinsbisdom Luik op te bestaan, en het gebied gaat deel uitmaken van de Franse republiek, rechtstreeks vanuit Parijs bestuurd. De Breede kantoncommissaris, de Luikenaar Alexandre Wadeleux, had het niet gemakkelijk om de Breeënaren te verzoenen met het nieuwe regime. De belastingen werden als het even kon ontdoken, de antiklerikale wetgeving werd verguisd, de militiewetten leidden tot vaandelvlucht (Peeters, pag. 353-356).

Alexandre Wadeleux (Luik, 22 juli 1773 - Bree, 3 maart 1832) was kantoncommissaris tijdens de Franse Revolutie in Bree.

Alexandre Wadeleux (Luik, 22 juli 1773 – Bree, 3 maart 1832) was kantoncommissaris tijdens de Franse Revolutie in Bree.

Op 6 februari 1796 verkoopt Catharina Elisabeth Fasol (*1736), samen met haar neef Petrus Fasol e.v. Aldegond Stals, grond [Hof Vanderhallen Bree, nr.16-fol.58-vs].

In 1796 houdt het Franse bewind een volkstelling, waardoor we van alle leden van de familie weten op welk adres ze woonden. Catharina Elisabeth Fasol wordt vermeld als arbeidster, wonend in de Gerdingerstraat [Volkstelling 1796, Bree, nr.433]. Jacobus Fasol (*1766) woonde in 1796 met zijn vrouw Gertrud Loyens aan de Kerkstraat [Volkstelling 1796, Bree, nr.351, 352]. Maria Elisabeth Fasol (*1775) wordt in 1796 vermeld als 18 jaar oud, wonend in het ouderlijk huis aan het Vrijthof [BR-Bree 1796, nr. 528].

Peeter Fasol woonde in 1796 met zijn vrouw en dochter Maria Elisabeth op het Vrijthof [Volkstelling 1796. Bree, nr.526, 527, 528]. Het Vrijthof werd tot 1850 gedeeltelijk ingenomen door het ommuurde kerkhof rond de Sint-Michielskerk; het had een ingang aan het Vrijthof en aan de Hoogstraat. Het noordelijke gedeelte was in de 18e eeuw een beboomd plein. Aan de zuidelijke zijde van het Vrijthof bevond zich een rij van drie huizen, die aanleunden bij de noordelijke zijgevel van het stadhuis. Eén van deze huizen was dat van burgemeester de Borman, die hier in aan het begin van de 19e eeuw een leerlooierij bezat. Deze huizen verdwenen in 1862. De noordzijde van het Vrijthof wordt ingenomen het klooster en de kapel van het voormalige augustijnenklooster, het huidige Sint-Michielscollege. Hier lag, zeker vanaf 1532, een waterput, in de 18e eeuw door een pomp vervangen.

Eed van haat
Eén van de eerste maatregelen van de Franse bezetting is de verbeurdverklaring van het grootste deel van de kerkelijke goederen. Een zeer onpopulaire maatregel is de verplichting voor priesters, vanaf 1797, van de zogenaamde “eed van haat”, waarin de haat tegen het koningschap gezworen wordt. Zeer veel geestelijken weigeren deze eed af te leggen, waardoor ze het verbod krijgen hun ambt uit te oefenen. Onbeëdigde priesters worden gevangen genomen en gedeporteerd.

Op het platteland, ook in Bree, is het verzet tegen de Fransen algemeen, onder meer vanwege de verzwaring van de lasten, maar vooral door de maatregelen tegen de Kerk en de verplichte militaire dienst in de Franse legers na 1798, wanneer de conscriptiewet wordt ingevoerd. In de Vlaamse gewesten breekt de opstand uit. Deze Boerenkrijg situeert zich aanvankelijk in Vlaanderen en Brabant, later in Belgisch Limburg. Hij heeft het karakter van een guerrillaoorlog gevoerd door grotendeels ongeorganiseerde bendes. Op 4 december 1798 bezetten de opstandelingen Hasselt. De volgende dag reeds worden zij uit de stad verdreven, waarbij zij zware verliezen lijden. Hiermee is de opstand gebroken.

Reynier Fasol
In 1798 betalen Peeter en Catharina Fasol 13 gld, 4 stuivers en 6 ort grondbelasting voor hun huis (maison no. 105, section du centre) en enkele stukken grond [RAH Bree -gemeente-oud archief 336].

Hun zoon Reynier werd als leidekker vermoedelijk opgeleid door zijn buren van het ouderlijk huis in Bree, de leidekkersfamilie Schoofs. In het bevolkingsregister van 1796 wordt Reynier niet te Bree vermeld.

De familie Schoofs was berucht te Bree vanwege collaboratie met het Franse bewind: Johannes Mathijs’ Schoofs vader Caspar en diens broer Jacobus namen in 1798 de opdracht aan om van alle kerken in het kanton Bree de kruisen te verwijderen [Peeters, pag 184-187]. Jan Reyners, een kuiper uit het naburige Meeuwen, die een uitvoerige kroniek bijhield van de gebeurtenissen in de jaren 1789-1802, beschrijft het gebeuren zo: ‘Wy meynden dat geenen inwoonder van ons land dit werk zoude aangenoomen hebben terwylen dat het tegen de christelyke religie en wetten was godshuysen zoo te schenden, maer eylaes, wy hebben er niet eenen in ons groot land van Luyk gevonden maer wy hebben zulk eenenmedeverdrukker, zulk eenen schender der religie en godshuysen gevondenin de hoofdplaats van ons canton, ik zegge in de stad Bree. Dit is geweest zeeekeren Caspar Schoos geboortig te Peer woonende tot Bree kort aen de Nieuwstadter poort aen den regten kant nr 61 en synen broeder Jacobus Schoos ook woonende in deselve stad Bree. (..) Soo heeft hy zig dan gaen werkstellig maeken met zynen broeder en zonen, eerst gaende naer Grootrooy alwaer hunne instrumenten nog waeren van aldaer de klokken wederom in den tooren te hangen en heeft aldaer het crys afgedaen den 5 meert zynde het eerste van het canton.” In Meeuwen dreigde een beschonken jongeman de leidekkers van het dak te schieten, wat door de Franse gendarme werd voorkomen. Het kruis ging er af: “Daer stond nu in onse kerk geschonden en gepluymt door menschen die nog christenen wilden zyn, maer eylaas wat droefheid.” [Kroniek van Jan Reyners, pag. 119, 122-123]. Dit werd zelfs meer dan 150 jaar later, wanneer Maes dit verhaal optekent in zijn Geschiedenis van Bree, nog als dermate schandelijk ervaren dat deze de ‘dader’ van dit “duivelswerk” alleen met zijn initialen vermeldt. Of Reynier (dan 15 jaar oud) bij deze opdracht betrokken was is onbekend.

leidekker-smck0112

In 1799 wordt een nieuwe grondwet gemaakt, en in hetzelfde jaar wordt de vervolging van de onbeëdigde geestelijken stopgezet. De kerken worden heropend. Het Concordaat van 15 juli 1801 tussen Napoleon en paus Pius VII regelt de onderlinge betrekkingen tussen kerk en staat, de godsdienst kan weer in volle vrijheid uitgeoefend worden en de spanningen nemen af, waardoor een periode van rust wordt ingeluid.

We vinden Reynier in 1800 in Valkenswaard, als hij, volgens de burgemeestersrekeningen, mee helpt om het dak van de kerktoren te herstellen. Dit is de -in 1860 na de bouw van een nieuwe kerk aan de Markt gesloopte- kerk in de Kerkakkers, in de weilanden tussen het Dorp en Geenhoven. Hij werd gebouwd omstreeks 1500 in de bouwstijl van de Kempische gotiek. In 1800 was hij is zwaar vervallen staat. In 1648 was de kerk in protestantse handen gekomen. In 1782 wendde de protestantse kerkgemeente zich tot de Raad van State om geld voor reparaties te vragen. Toen werd onder andere een nieuw uurwerk geplaatst. Maar het verval nam toch ernstiger vormen aan na de invallen van de Franse troepen en het niet erg rustige verlaten van de protestanten van de kerk in 1798. De kerk is dan zo bouwvallig dat het gemeentebestuur zegt “dat er de nadeeligste gevolgen van de wagten zijn”. Tijdens een zware storm op 7 november 1800 lijdt de toren veel schade en de stompe spits verliest zijn leien mantel. De jonge ‘schaliëndekker’ Reynier Fasol uit Bree helpt mee om 3000 nieuwe leien aan te brengen [Mélotte, p. 113-124]. Na een laatste reparatie in 1803 nemen de katholieken de kerk pas weer in gebruik. Er is ook een losse mededeling in de gemeentearchieven die luidt: “In 1800, de 7e november waaiden er 3000 leien van de kerktoren. De leidekker Johannes Theodorus Schoofs (nie van hier) werkte 20 dagen aan de reparatie à 4 gulden 12 stuivers daags.” [B1 -101]. Deze Schoofs is naar alle waarschijnlijkheid identiek met Johannes Mathijs Schoofs uit Bree (geb. 1773). Als Reynier bij de Schoofsen in de leer was, verklaart dat dat gemeld wordt dat Reynier aan het werk was, maar dat de afrekening plaats vond met Schoofs.

Kerk volgens De Beijer in 1738

Kerk in de Kerkakkers volgens De Beijer in 1738.

Johannes Mathijs Schoofs (tien jaar ouder dan Reynier) trouwt in 1799 in Eindhoven met zijn daar geboren vrouw. Schoofs woont in ieder geval vanaf zijn huwelijk in Eindhoven. Interessant is dat de woning van vader Jacobus Schoofs in 1798 op een lijst voor inkwartieringen wordt aangewezen als het adres van een ‘émigré’ (iemand die om de dienstplicht te ontduiken gevlucht was) [Peeters, pag. 241-243). Dit verklaart wellicht het vertrek van Johannes Matthijs Schoofs naar de Bataafse Republiek. Reynier blijft nog wonen in Bree. Het is mogelijk dat vanaf dat moment Reynier als contactpersoon tussen vader en zoon Schoofs fungeerde. Mogelijk was Valkenswaard (op de route van Bree naar Eindhoven) ontmoetingsplaats voor Schoofs en Reynier? Tijdens zijn verblijf in Valkenswaard logeerde Renier allereerst in herberg ‘De Posthoorn’ (Markt, hoek Kerkweg).

Herberg 'De Posthoorn'.

Herberg ‘De Posthoorn’.

Reizen was in die periode bijzonder riskant door de aanwezigheid op de buitenwegen en gehuchten van vele benden oud-soldaten, dieven en brandstichters. In de dorpen werden dan ook allerlei maatregelen uitgevaardigd om de inwoners te beschermen. In de periode 1782-1813 is er in Valkenswaard sprake van zware belegeringen van diverse Franse en Hollandse garnizoenen. Dat in Valkenswaard, de gehuchten en vooral de dorps- en toegangswegen bijzonder onveilig waren blijkt uit de steeds herhaalde aanstelling door het dorpsbestuur van wachtpatrouilles waarvan “elk manschap van een behoorlijc schietgeweer” werd voorzien [GAVw 179]. De weg naar Bree, ook wel ‘postdijk van het dorp naar Hamont’ genoemd, werd in 1815 verbreed om aan de behoefte van de postiljon van Frans van de Biggelaar te voldoen [GAVw 734]. Een belangrijke halte voor reizigers en voerlieden op deze weg bevond zich nabij de Achelse Kluis, mogelijk de latere herberg De Ploeg. Deze weg genoot waarschijnlijk Reyniers voorkeur omdat het in die tijd de meest rechtstreekse en meest beveiligde route naar Hamont en Bree was. Omdat hij voor zijn werk uiteraard nogal wat materialen nodig had zoals ladders, balken, sjortouwen, handgereedschap en natuurlijk een voorraad leisteen, ligt het gebruik van een paardenkar voor de hand. De rit Bree-Valkenswaard is 5 à 6 uren gaans. Met de kar duurde het iets langer. Men reisde in die tijd uitsluitend met voldoende daglicht. [info H.E.M. Mélotte]. De landwegen in Brabent waren in die tijd bijzonder slecht, wat treffend wordt geïllustreerd in het reisverslag van Jacob van Lennep en Pieter Jacob Costerus, die in 1823 per koets in de buurt van Den Bosch reisden: ‘Langs een zeer modderigen weg reden wij voort en hielden, na de Maas overgevaren te zijn, den binnenweg, vermits de dijk drie uren om is. Den postwagen ontmoetend zeide ons de voerman dat de weg taai was en moeraslijk, de wielen konden bijna niet draaien.’ Acht jaar later noteerde Costerus in zijn dagboek: ‘Tot Waalwijk was de weg tamelijk bruikbaar, maar van hier en vooral van Loon op Zand, waar hij door een woeste heide loopt, tot Tilburg is dezelve in één woord slecht. Wij konden niet meer dan stapvoets rijden en meermalen stonden wij op het punt van omver te tuimelen.’ (Knippenberg & De Pater, pag. 45).

In 1800 en 1801 werd Valkenswaard beurtelings onder de voet gelopen door Bataafse en Franse legereenheden, aan wie alle in het dorp aanwezige karren en paarden ter beschikking moesten worden gesteld. De armenkas is in deze jaren bijna leeg en de rijke valkeniers zijn in het buitenland. Er is veel misdaad in het 1000 inwoners tellende dorp: de berichten over onderlinge ruzies tijdens marktdagen en kermissen en het rondwaren van ‘suspecte persoonen’ geven een droevig beeld [Mélotte 186-187].

Het Bevolkingsregister van Bree van 1806 geeft opnieuw een overzicht van waar de leden van de familie woonachtig waren. In 1806 woont Catharina Elisabeth fasol (*1736) aan de rue Marché [Bevolkingsregister 1806, nr. 1015]. Peeter Fasol woonde met zijn vrouw, dochter Elisabeth en zoon Renier op het Vrijthof [Bevolkingsregister 1806, nr. 223, 224, 225, 226]. Ook Maria Elisabeth fasol (*1775) woonde in 1806 nog steeds aan het vrijthof. [Bevolkingsregister 1806, nr. 225]. Zij blijft er wonen tot aan haar dood. In het patentregister van 1806 van Valkenswaard [GAVw band 8] komt Reynier Fasol niet voor. Ook hij woont dan nog in Bree in het ouderlijk huis op het Vrijthof [Bevolkingsregister 1806, nr. 226]. Op 4 april 1807 overlijdt Catharina Elisabeth Fasol te Bree op 70-jarige leeftijd. Op 11 mei 1809 overlijdt in Melsele Anna Caroline Fassaert op 50-jarige leeftijd.

In 1810 wordt Valkenswaard nog eenmaal het slachtoffer van inkwartieringen en het doortrekken van Franse troepen, die vlees, bier en verwarming nodig hebben [Mélotte p. 188]. Voorlopig woont de familie echter nog altijd in Bree: in 1813 woonde Jaak Fasol (*1766) ten oosten van de oude pastorie op de Hoogstraat in Bree. Bij de dood van zijn vader woonde ook Reynier nog altijd in Bree als leidekker (ardoisier): op 21 februari 1814 overlijdt Peeter Fasol op 74-jarige leeftijd te Bree. In dat jaar komt een einde aan de Franse tijd. Op 24 juli 1814 wordt België verenigd met het gebied van de soevereine vorst der Nederlanden: Willem I. Het Verdrag van Wenen van 1815 maakt Willem van Oranje koning der Nederlanden. Op 16 maart 1815 wordt in de Trêveszaal op het Binnenhof te Den Haag het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden uitgeroepen: inauguratie van Willem, zoon van Willem V van Oranje-Nassau, tot Koning Willem I.

Reynier Fasol vertrekt naar Valkenswaard
1815 wordt ook wel het jaar zonder zomer genoemd. Dit wordt veroorzaakt door de uitbarsting van de vulkaan Tambora in Nederlands-Indië. In april 1815 barstte de vulkaan uit, een van de grootste uitbarstingen in mensenheugenis. Bij deze uitbarsting verloor de vulkaan ongeveer een derde van zijn oorspronkelijke hoogte: van circa 4200 meter naar ongeveer 2800 meter. Hierbij ontstond een krater van zes kilometer in doorsnede. Door de aswolk ontstaat in 1816-17 de laatste grote hongersnood in deze streek, waarbij het sterftecijfer zelfs het geboortecijfer overschrijdt. (Landbouwcrisissen vormen overigens nog tot het midden van de 19de eeuw een steeds terugkerende bedreiging voor de bevolking.) Overal ter wereld vinden in 1816 extreme weerssituaties plaats, zoals sneeuwval in hartje zomer in de Nederlanden. Maria Aldegondis Stals overlijdt in die zomer, in Bree op 16 augustus 1816, op 75-jarige leeftijd. Reyniers beide ouders zijn nu overleden. Dat, en waarschijnlijk ook de barre leefomstandigheden, geven voor hem de doorslag om Bree definitief te verlaten en zijn geluk in Valkenswaard te beproeven; de plaats die hij in de voorbije jaren al had leren kennen.

Men kan zich moeilijk indenken dat Reynier in de periode 1816-1817 uitsluitend om economische redenen naar Valkenswaard verhuist. Nog lang niet hersteld van de oorlogsperikelen en onophoudelijke bezetting van Bataafse en Franse legereenheden, maakt Valkenswaard een van de armste en moeilijkste perioden van de 19e eeuw door. Ook door het vrij plotseling wegvallen van de winstgevende valkerij hebben de meeste valkeniersfamilies andere bronnen van inkomsten moeten zoeken; de boekhouding van de plaatselijke armenzorg demonstreert treffend dat slechts enkelen in het dorp daarin slaagden. De in 1797 aangestelde ‘schutter en beedeljager’ Daniël Bergée krijgt onder andere als taak om driemaal per week naar de doopvont in de kerk te gaan om er de bedelaars weg te jagen. Desondanks mag niet worden uitgesloten dat Reynier uit oogpunt van zijn vak werd aangetrokken door de slechte staat waarin de meeste kerken in Noord -Brabant zich bevonden nadat ze vanaf 1798 geleidelijk weer aan de katholieken werden teruggegeven. Verder kende Valkenswaard in die periode, behalve de kerk in de Kerkakkers, slechts twee huizen met een leien dak. In 1812 kwam daar nog een dak bij van de toen aanbestede Hervormde kerk. Onbekend is of Renier daarbij betrokken was omdat het gehele werk werd aangenomen door de Leender timmerman Theodorus van Laarhoven. In elk geval kan het leidekkerswerk in Valkenswaard alleen beslist geen kostwinning voor Reynier betekenen.

Daarom vermoed ik dat nog een andere reden de doorslag gaf: Reynier Fasol had in Valkenswaard een leuke vrouw leren kennen. Mogelijk leerde hij zijn toekomstige vrouw, Elisabeth Bekkers, kennen dankzij het leidekkervak: zo is er het feit dat het huis van Elisabeths vader, Bartholomeus Beckers (‘De Leyen Huysinge’) in de 18e eeuw een leien dak had. Daarnaast is via mondelinge overlevering nog bekend dat leidekkers, althans in Valkenswaard, zich niet beperkten tot alleen het leidekken: ze maakten en verkochten ook schoolleien en griffels. Het toeval wil dat in de genoemde periode tegenover het huis van zijn geliefde Elisabeth een school stond (nu nog schoolakker genoemd).

Kleine en grote Leyenhuysinge uit 1664. (Foto: Henny Mélotte)

Kleine en grote Leyenhuysinge uit 1664. (Foto: Henny Mélotte)

Meestervalkenier Bartolomeus Beckers
Elisabeth Bekkers behoorde tot een van de aanzienlijkste families van Valkenswaard. Haar vader was in 1778 valkenier aan het hof te Versailles, leider van de veldvluchten van de Franse koning. Hij was een vertegenwoordiger van de roemruchte valkeniersgeschiedenis waaraan Valkenswaard zijn naam dankt. De valkerij ontwikkelde zich in Brabant, gelegen op de trekroute van de slechtvalk. De heidevelden van de Kempen waren uitermate geschikt voor de valkenvangst, waardoor er valkenierscentra ontstonden in bijvoorbeeld Arendonk en Turnhout. In Arendonk zou al vanaf de 10e eeuw sprake zijn van valkenvangst. In Nederland ontwikkelde de valkerij zich in Leende, Valkenswaard en Leenderstrijp vanaf de 16e eeuw. Valkeniers uit Valkenswaard, die aan het Deense hof werkzaam waren, bewerkstelligen daar dat talrijke Valkenswaardse valkeniers valken mogen vangen in IJsland. Daardoor krijgen de Valkenswaardse valkeniers een centrale rol in de levering van valken en kunnen Valkenswaardse valkeniers overal in Europa hun diensten gaan aanbieden. In de 17e, 18e en 19e eeuw waren Valkenswaardse valkeniers werkzaam aan bijna alle Europese vorstenhoven, waar de valkenjacht een geliefd tijdverdrijf was. De armoede die in de Meierij in de 17e en 18e eeuw bestond, kon dank zij de valkerij goeddeels aan Valkenswaard voorbijgaan. De Franse Revolutie maakt een eind aan de valkerij. Vanaf 1839 is er nog een opleving, als Valkenswaardse valkeniers aan het Loo werkzaam zijn. De laatste valkenswaardse valkenier, Karel Mollen, overlijdt in 1935 [Van Oorschot, pag. 276-280].

Adriaan Mollen (1816 – 1895), Valkenswaardse valkenier en vader van de laatste Valkenswaardse valkenier, Karel Mollen.

Adriaan Mollen (1816 – 1895), Valkenswaardse valkenier en vader van de laatste Valkenswaardse valkenier, Karel Mollen.

Bartholomeus Beckers  wordt in 1773 en 1778 vermeld als valkenier aan het hof van Lodewijk XVI te Versailles. Op 1 november 1787 wordt Bartholomeus gepensioneerd. Hij ontvangt, met Frans Daems, het maximale pensioen van 300 Livres. [Cf. Van Oorschot [1974]: pag. 53, 110-112, 114, 173, 294]. Volgens wettelijk voorschrift dient in Frankrijk een valkenier in dienst van de koning tot de adelstand te behoren, ongeacht of hij Fransman of in het buitenland geboren was. Daarom bepaalt Lodewijk XIV in 1697 bij decreet dat wie in dienst treedt van de koning voor de duur van zijn ambt tot de adelstand is verheven. Valkeniers ontvangen de titel van jonkheer en de rang van schildknaap. Ze hebben een eigen wapenschild en mogen bij hun staatslivrei een wapen dragen. In 1800 is hij landbouwer, wonend in de Reghtestraat (Bakkerstraat) te Valkenswaard.

Op zondag 9 februari 1817 trouwt Christianus Renerus (Reynier) Fasol te Valkenswaard met Elisabeth Bekkers (getuigen: Hendrik Even, bakker te Valkenswaard, Petrus Johannes Rovers, wonend te Valkenswaard, Francis Jonkers, metselaar te Valkenswaard en Renerus Stals, landbouwer te Bree) met Elisabeth Bekkers, dochter van Bartholomeus Beckers en Helena Daems, gedoopt te Valkenswaard op vrijdag 17 november 1780, landbouwster. Vanaf dat moment is Reynier definitief in Valkenswaard gevestigd. Mogelijk is hij na zijn trouwen met zijn vrouw Elisabeth eerst in haar ouderlijk huis gaan wonen. Haar ouderlijk huis stond in de Rechtestraat (nu Bakkerstraat op het voormalige Hofnar-terrein). Later bewoonde hij het huis van zijn vrouw, Dorp 109 (Bakkerstraat). Het huis viel in ‘klasse 4’ (minder voordelige ligging en inrichting). Zijn schoonzus, alsmede gemeenteontvanger Bartholomeus Daems en dagloner Laurens van Gerven woonden bij hem in.

De achtergebleven familie Fasol in Bree
In Bree woonden nog Reyniers oudste broer Jaak Fasol en zijn vrouw Maria Gertrudis (Marie Gertrud) Loijens, dochter van Joannes Loijens en Catharina Stucken, geboren te Opoeteren op 28 augustus 1761. Zij zal, 63 jaar oud, te Bree overlijden op 23 september 1824.

Reyniers zuster Anna Maria was wellicht inmiddels non geworden. Zij zou nog lang leven en uiteindelijk op hoge leeftijd in Antwerpen overlijden; misschien woonde zij daar al, maar dat is niet bekend. Antwerpen groeide, na meer dan 200 jaar te zijn afgesloten van de zee, in de 19e eeuw uit tot een wereldhaven. In de 18e eeuw was Antwerpen dé Noordzeehaven, maar in de 19e eeuw werd het samen met Hamburg en Rotterdam dé Europese haven. In 1855 telde Antwerpen 100.000 inwoners. Dankzij de Industriële Revolutie bracht de 19e eeuw een enorme uitbreiding van het handelsvervoer aan. Heel het economische leven van de stad, haar nijverheden, haar financiën, haar arbeidersklasse, haar gehele economie stonden in teken van de haven.

Zijn zuster Maria Elisabeth Fasol woonde in ieder geval nog in Bree: op 42-jarige leeftijd trouwt zij in Bree op 23 januari 1818 met Jan Baptiste Houben, zoon van timmerman Joannes Petrus Houben en Joanna Maria Bemelmans. Jan Baptiste was geboren te Grijzegrubben, en gedoopt te Nuth op 24 juni 1778. In 1818 woonde hij in Bree. Hij was weduwnaar van de Breese Maria Catharina Cretskens, en had uit dit huwelijk een dochter: Maria Houben, gedoopt te Bree op 2 februari 1802. In Melsele woonde nog Reynier Fasols nicht Amelberga Dorothea Fassaert, die aldaar op 74-jarige leeftijd zal overlijden op 21 februari 1834 (om 16.00 uur). Haar man Henricus Josephus Snyders, werkman te Melsele, verklaart bij die gelegenheid niet te kunnen schrijven. De tijden van notaris Peeter Fasol lijken (en zijn) ver weg.

Gezinsleven van Reynier Fasol
Op dinsdag 27 januari 1818 wordt in Valkenswaard de oudste zoon geboren van Reynier Fasol en Elisabeth Bekkers: Petrus Johannes (Peter, Piet) Fasol. Reynier had geregeld werk als leidekker: blijkens rekeningen van de gemeente Westerhoven voerde Reynier herstellingen uit aan het dak van de Westerhovense watermolen in 1819, 1824, 1827, 1832 en 1836 [Archief familie Fasol]. Deze korenmolen was van 1805 tot 1837 eigendom van de gemeente Westerhoven, die de molen verpachtte en liet herstellen. De molen werd al vermeld in 1228. In november 1950 werd het laatste graan gemalen. Het jaar daarop werd de molen omgetrokken, waarvoor vier met zand geladen vrachtwagens nodig waren. Bartholomeus Fasol, de tweede zoon wordt geboren te Valkenswaard op zaterdag 29 september 1821. De derde zoon, Andries Fasol, wordt geboren te Valkenswaard op woensdag 22 september 1824. Daarmee is het gezin compleet.

De Westerhovense watermolen in 1910, met het leien dak waar Reynier Fasol aan werkte.

De Westerhovense watermolen in 1910, met het leien dak waar Reynier Fasol aan werkte.

Reyniers oudste broer Jaak Fasol begint in Bree, na het overlijden van zijn eerste vrouw Getrud Loyens, nog een nieuw leven: hij hertrouwt op 6 april 1825 te Rotem, 58 jaar oud, met de 41-jarige Gertrudis Elisabeth Reijnders, dochter van schepen Joannis Reijnders en Anna Elisabeth Severijns. Huwelijksgetuigen zijn Martinus Moors, Mathijs Nelissen, Joannes Jacobs Beelen en haar vader Joannis Reijnders.

In een notariele akte van 27 augustus 1827 staat: “De heer Hendrikus Beckers, koopman te Leuven, verkoopt aan Elisabeth Beckers, geassisteerd met Reynier van Sol leydekker een gedeelte in huis (Bakkerstraat) en enige parcelen land en groeze, zijnde een huis 16R-55E, den groenakker, den hoogakker en het Geluk.” [N8345-108]. Het gaat hier over de verkoop van een deel van de reeds verdeelde eigendommen van haar vader, valkenier Bartholomeus Bekkers.

Belgische Opstand
Politieke ontwikkelingen dienen zich aan: de Belgische opstand tegen het bewind van koning Willem I. Bij de Belgische omwenteling in 1830 was de bevolking van de hele provincie Limburg sterk pro-Belgisch gezind, voornamelijk vanwege de politieke vrijheid, de gematigde belastingen, en de oplossing van de kerkelijke problemen. De Belgische Opstand maakte ook de provincie Noord-Brabant verdacht, omdat de autoriteiten in Den Haag voor aansluiting vreesden van het katholieke volksdeel bij België.

Een troepenmacht van zo’n 50.000 soldaten werd mede om die reden hier gelegerd om deze afscheiding voor te komen. Op 8 januari verscheen een afdeling van het Nederlandse mobiele leger in Valkenswaard dat voor een jaar er zou bivakkeren. Dagelijks moest de gemeente aan het leger leveren: 150 ponden steenkool, brandhout, stro, turf en 17 vaarzen. Omdat het geld hiervoor ontbrak werd het verhaald via belasting op de inwoners [Mélotte p. 282].

Op 23 september 1831 trekt het regeringsleger, onder leiding van prins Frederik, Brussel binnen maar moet zich na 3 dagen van straatgevechten terugtrekken. De burgerwacht kan de volkswoede op dit leger afwentelen en doen omslaan in een nationale opstand. Daarmee gaat de korte maar krachtige Belgische Onafhankelijkheidsoorlog definitief van start. Op 4 oktober wordt de Belgische onafhankelijkheid uitgeroepen. Op 4 juni 1831 wordt Leopold van Saksen-Coburg tot Koning der Belgen gekozen. Op 8 augustus 1831 verslaat de Prins van Oranje het Belgische Maasleger in de Slag om Hasselt. In 1833 volgt een wapenstilstand.

Een droevige gebeurtenis in het gezin van Reynier Fasol en Elisabeth is het overlijden van hun jongste zoon Andries, op 19 april 1835, maar 10 jaar oud.

Op 29 november 1836 veroorzaakt een orkaan veel schade, bijvoorbeeld in Antwerpen. Schepen vergaan op de kade en meerdere huizen storten in. Er zijn verschillende dodelijke slachtoffers. Ook andere steden in België en Nederland worden getroffen. “Ook in Belgie en vooral te Antwerpen heeft de orkaan van den 29sten op eene vreesselijke wijze gewoed, en zoo binnen als buiten de steden verwoesting en schrik verspreid. In en bij de haven van Antwerpen was de vernieling inzonderheid ontzettend. Menschen zijn door den wind van de kaden in de Schelde geslingerd, en ten aanzien van honderden toeschouwers, die hen niet redden konden, in de golven jammerlijk omgekomen. (..) Verscheidene huizen zijn ganschelijk ingestort, er zijn verscheidene menschen verpletterd geworden, en stonden den volgenden dag nog drie huizen op het invallen. Te Brussel, waar vooral het dak der St. Gudula- en de toren der St. Michielskerk veel hebben geleden, had de wind zoo veel kracht, dat een zwaar stuk geschut van de affuit is geligt en nedergeworpen. Te Aals zijn Dingsdag morgen drie verdiepingen van het middengedeelte der nog onvolbouwde kaserne voor dekavalerie ingestort.” [Leeuwarder Courant, 6 december 1836].

Het gezin van Reynier komt voor in het Valkenswaardse bevolkingsregister van 1837. Wonen in huisnummer 96 (Bakkerstraat): Rijnier Fasol, schaliendekker, Elisabeth Bekkers, Petrus Johannes en Bartholomeus Fasol, Dimphna Bekkers.

Koning Willem I ondertekent in 1839 het Verdrag van Londen en erkent daarmee het Koninkrijk België. Nederlands Limburg komt bij Nederland.

In 1839 werkt Reynier Fasol opnieuw aan het dak van de toren van Valkenswaard. De rekening (die geschreven is door Bartholomeus Daems) luidt:
‘Heeft Renier fa sol gewerkt aan het lije dak van den toren van valkenswaard tien dagen met eene knecht beginne te werken den 5 junij en uitgescheije den 15 junij paar dag 2 gulde paar man is 40-00;.
nog geleverd 5 pond en een half lijnargels aan 32 cents het pond is 01-76;.
nog geleverd 2 pond latnagels is 00-40;.
nog geleverd voor 35 cents verf is 00-35;.
nog geleverd 800-50 lije aan 2-50 cents honderd is 21-25;.
Bedracht te samen 63-76 centen.

De winter van 1844 is zeer streng, gevolgd door overstromingen en een slechte oogst; de aardappeloogst mislukt volledig.

Piet Fasol wordt in 1845 gekeurd voor militaire dienst. Dankzij het keuringsrapport kunnen we ons een voorstelling van hem maken. Het certificaat geeft als zijn signalement: 1,74 lang, een ovaal aangezicht, rond voorhoofd. Grijze ogen, een gewone neus, kleine mond, ronde kin, bruin haar. Hij voldeed aan zijn dienstplicht door nummerverwisseling. Niets staat hem in de weg om het jaar daarop in het huwelijk te treden: hij trouwt te Valkenswaard op 22 januari 1846 met herbergierster Johanna Maria van Deventer, dochter van herbergier Jan van Deventer en Odilia Flipsen. Ze was geboren te Valkenswaard op 30 december 1820. Huwelijksgetuigen waren Jacobus Maas, horlogemaker, Jan Dielis, metselaar, Francis Broeders, barbier en zijn Piets broer Bartholomeus Fasol. Op de huwelijksakte staat als beroep van Piet Fasol vermeld dat hij huisschilder was.

Bartholomeus Fasol werd in 1852 gekeurd voor militaire dienst. Hij werd wegens lichaamsgebreken vrijgesteld. Ook hij trouwt daarop, met Johanna Catharina Snoeks, op 12 februari 1852 te Valkenswaard. Huwelijksgetuigen zijn Josephus Snoeks, metselaar, zijn broer Petrus Johannes Fasol, Karel van den Berg, metselaar en Adriaan Kuppens, koperslager. Landbouwster Johanna Catharina SNOEKS was de dochter van metselaar Jacobus Snoeks en Maria Elisabeth van Heugten, geboren te Valkenswaard op 20 augustus 1813.

In de loop van de negentiende eeuw neemt de nijverheid in Valkenswaard toe. Archiefstukken uit 1840 maken bijvoorbeeld al melding van een aantal steenbakkerijen. De leemafgraving in Geenhoven, die in 1834 door de gemeente werd toegestaan, vormde de start van deze ontwikkeling. Verder waren er weverijen. In 1840 waren er ook veertien leerlooierijen, een bedrijfstak die tot lang na 1900 bleef bestaan. Dat leidde tot aanverwante bedrijven. Zo kwam het dat Valkenswaard in 1880 meer dan twintig schoenmakerijen had, waarvan sommige uitgroeiden tot een behoorlijk bedrijf. Ook Bartholomeus Fasol was schoenmaker. Hij woonde in de Zandbergstraat.

Het huis van Bartholomeus Fasol in de Zandbergstraat.

Het huis van Bartholomeus Fasol in de Zandbergstraat.

De schoen- en leerindustrie was (net als de textielindustrie) geconcentreerd in Noord-Brabant en Twente. Dat is te danken aan het feit dat arbeidskracht daar goedkoop was, vanwege de beperkte argrarische mogelijkheden die de zandgronden boden. De materialen zijn licht en weinig omvangrijk, dus transportkosten waren relatief eveneens laag [Knippenberg & De Pater, pag. 114-117].

Afscheid van Bree
In 1845 wordt Jaak Fasol vermeld als herbergier en eigenaar van het ‘Prinsenhuis [Maes & Dreesen [1984]: ‘De geschiedenis van Bree’, dl.I, pag.216]. Rond dat jaar moet hij overleden zijn.

Het Prinsenhuis in Bree.

Het Prinsenhuis in Bree.

Maria Elisabeth FASOL overlijdt op 70-jarige leeftijd te Bree op 1 augustus 1846. Reyniers laatste zuster Anna Maria Fasol overlijdt, als religieuse, 82 jaar oud te Antwerpen op 16 mei 1853.

Het eerste kind van Piet Fasol en Johanna Maria van Deventer, Odilia Fasol, werd geboren te Valkenswaard op woensdag 16 december 1846. Andries Fasol, geboren te Valkenswaard op vrijdag 15 september 1848 was hun eerste zoon, vernoemd naar Piets overleden broertje. Op zondag 13 oktober 1850 volgde een dochter Elisabeth Fasol en op vrijdag 15 april 1853 werd de tweede zoon Renier Fasol geboren.

Ook Piets broer Bartholomeus had inmiddels een zoon Andreas (Andries) Fasol, geboren te Valkenswaard op woensdag 10 november 1852. Ook aan zijn naam lezen we af hoeveel indruk het vroege overlijden van Reyniers derde kind moet hebben gemaakt.

In Valkenswaard verblijven nu, op de helft van de 19e eeuw, Reynier Fasol, zijn vrouw Elisabeth Bekkers, en hun pas gehuwde zoons Petrus Johannes en Bartholomeus Fasol met hun jonge gezinnen. Na 200 jaar familiegeschiedenis in Bree, is deze kleine kern alles wat resteert van de familie Fasol. In Valkenswaard gaat het verhaal verder, en in een volgende aflevering pakken we de draad weer op.

Résumé

Het gezin van Petrus Joannes (Peeter) FASOL

Het gezin van Jacobus (Jaak) FASOL

Het gezin van Maria Elisabeth FASOL

Het gezin van Christianus Renerus (Reynier) FASOL

 

Dit is het vierde deel van de familiegeschiedenis van de familie Fasol:

Verder lezen: