Op dinsdagavond 27 december hieden ongeveer 2000 wandelaars traditioneel in de Kasteelse Bossen van Horst in het donker een Kerstwandeling. Romé Fasol vertelde bij de 3 gratiën en een vuurkorf aan passanten een tweetal sprookjesachtige kerstverhalen. Het ene verhaal gaat over de vierde koning op Driekoningendag. De tweede novelle over het wonderlijk tot leven komen van peelkabouter Wijsneus op Kerstavond.

1

Mensen, luistert naar mijn verhaal. Luistert, want ze zeggen dat het Kerstkindje is geboren!

Ik heb gehoord dat er in de Kasteelse Bossen sprookjes worden verteld over heksen, kabouters en feeën. Op deze avond van duisternis wordt er ook verteld dat er in de Kerstnacht een nieuw kindje is geboren. Iemand wist wel, dat een moeder was bevallen in het stalleke van het atrium op het Lambertusplein. Dat is natuurlijk groot nieuws en herders en arme dreumels zeiden tegen elkaar “hedde ’t al geheurd? We gaan kijken!” Ze waren ontroerd door ‘t verhaal en zagen in de donkere nacht plotseling veel sterrenlicht en hoorden in de verte over de daken heen vrolijk klokgelui. Ze gingen op weg naar het stalleke. En langs de paden van het bos en in de straten van het dorp hoorden ze vertellen over een Kerstkindje, dat alle mensen weer blij zou maken….

Zo lezen we sinds oude tijden met ontroering dit Kerstverhaal.

En niet alleen de herders hoorden dat. Want in deze sprookjeswandeling wordt verteld dat ook feeën en peelkabouter Wijsneus dat gefluister hoorde. Je weet wel, dat manneke die daar op dieën bronzen boomstam zit vlakbij de Lambertuskerk. Hij was kei-nieuwsgierig hoe dat kindje er uit zou zien. En probeerde of ie van dieë kouwe boomstronk af kon springen, waar ie met zenne boksbojem aan vast zat. Want wat zou ie er gèr bij willen zijn toen alleman, groot en klein, begon te zingen bij de stal. Wijsneus was vroeger een druk baasje geweest, maar sinds dieë tijd was ie een beetje vastgeroest aan den sokkel op zijn eigen rond gedoentje achter het atrium. Maar vannacht wier ’t hem te machtig. Den hemel zag al zwart van de engelen en muziek kwam overal vandaan. En nou, hij voelde dat hij langzaam los kwam door z’n geschoefel op dieën harde poest. Nog efkes en hij kon er zo vanaf springen. Ook de champignons om hem heen kwamen tot leven. Hij deed een handvol van dat heerlijke gerei in zijn muts en ging het atrium binnen. Het Kerstkindje zag hem meteen, zwaaide met z’n poetekes en lachte hem vrolijk toe. Peelkabouter Wijsneus  gaf zijn mutske met champignons aan moeder Maria en ging zelf lekker bij Sint Jozef op de stal zitten. Hij genoot van al die drukte en zong samen met de engelen mee: “Gloria, gloria in excelsis deo, gloria, gloria in den hoge…

Ja mensen, zegt het voort, zegt het voort!

2

Mensen luistert naar dit ongelooflijk verhaal!

In die dagen waren in de wijde wereld drie geleerde koningen, gepakt en gezakt, van huis gegaan. Ze waren al een hele tijd op weg, want ze zagen aan de hemel een grote ster. En in dikke boeken hadden ze gelezen dat zoiets een teken was van veranderingen die komen gingen. Koning Balthasar had het gelezen in zijn Afrikaans koninkrijk aan de bronnen van de Nijl. De wijsgeer Melchior had de sterrenhemel bestudeerd in het oude land van Perzië. En de grijze koning Caspar kwam uit midden-Europa. Hij hield wel niet van reizen en veranderingen, maar was verrast omdat hij las dat het om een pas geboren koningskind zou gaan. En hoewel die geleerde heren op kamelen uit drie verre windstreken kwamen, troffen zij elkaar wonderbaarlijk in het land van koning Herodes en vroegen hem naar het nieuwe koningskind. En zoals jullie weten was Herodes een jaloerse slechte koning. Hij liet ze wachten. Ze werden bang en moesten zich verbergen.

In het echte Kerstverhaal is altijd verteld dat er maar drie koningen waren. Maar helemaal waar is dat niet. Want in deze sprookjesnacht wordt verteld dat ook ân de Meterik, een klein koninkrijkje in De Peel, een boer uit een rijke familie was vertrokken. Hij had boven het atrium in Horst de grote ster gezien. En voelde gewoon dat hij op weg moest gaan. Hij had wel geen kameel, maar laadde al wat hij nodig had op zijn boerenkar. En daarmee ging hij op weg, richting Kronenberg en zo verder. Hij werd er kei-muug van, maar uiteindelijk kwam hij aan in het land van koning Herodes. En onder een grote boom trof hij de drie Wijzen. Onzen boer uit de Peel voelde er niets voor om te wachten op de streken van Herodes. Nog niet misschien! Hij vroeg de wijzen onder de boom vandaan te komen, zodat ze in de vrije lucht de grote ster weer konden volgen. En zo kwamen zij aan in Bethlehem bij een oude herberg.  Ze vonden er het kindje Jezus met Maria en Jozef. Balthasar boog diep voor dit wonderlijke kind en gaf het een mooi kanneke met mirre. Caspar legde een paar gouden munten neer, zodat het jonge gezin wat geld had om eten te kopen. En Melchior offerde geurige wierrook om de stallucht een beetje te verdrijven.

D’n boer uit de Meterik was intussen vlug even naar zijn kar gegaan en jawel hoor. Hij kwam met de kromme errum terug en gaf Maria een paar plakken kerboet om te bakken en kleuntjesweg omdat het feest was. En over het kribke heen, waarin het kindje lag, legde hij tegen de kou nog een gebreide omslagdoek die hij had gehaald bij de breiwinkel van ’t Schippertje in Horst. Ondertussen had Sint Jozef voor iedereen een tas koffie gezet en koning Melchior mocht de kleuntjesweg aansnijden. Plotseling hoorden de koningen de engelen zingen dat het zowat deê en na hartelijk afscheid genomen te hebben, gingen zij welgemoed allen weer terug naar hun eigen koninkrijk. En kwamen er niet uitverteld over wat ze gezien en beleefd hadden!

Romé Fasol, Kerstavond 2016
Kerstmis 2016 in Horst
(naar een lied van Ad de Laat)

Verder lezen: