Toen Moeder/Oma van Els tachtig werd in 1974, zagen een paar van ons daar een aanleiding in om alles wat er in onze familie vanaf 1948 tot dat jaar bij feestelijke gelegenheden aan teksten en liederen gemaakt was, te bundelen in de bekende Fieëstbundel Van Els – Rutten. Meer dan 300 pagina’s tekst!

Het oudste lied is van Karel, gemaakt voor het 25-jarig huwelijksfeest van Oma en Opa van Els op 23 april 1948. Veel is er toen, overigens, niet gemaakt, de familie moest kennelijk nog warm lopen. Dat van Karel was het enige (nieuwe) lied op dat feest! Een ouderwetse meezinger, een “Ture lure luut … “ van 14 coupletten. Voor zo ongeveer iedereen van het gezin was er een apart couplet. Behalve voor de jongste vier, die telden in ons grote gezin niet echt mee en werden in één couplet afgewerkt:

“Leo, Theo, Pierre en Tilly,

un schon stel kiender ziede gillie:

drie pestoeërs en ieën begien

ziede gillie gauw mis … schien.“

Karel was toen in militaire dienst, “lag” in Scheveningen en tekende, heel gedisciplineerd, met “Legerno. 27.11.03.083”.

 

Karel als soldaat in Scheveningen

Karel als soldaat in Scheveningen

Toen Moeder negentig werd in 1984, nam Leo –geholpen door Toos en Heleen- het op zich om te zorgen voor een Twedde Fieëstbundel Van Els – Rutten. Weer meer dan 200 bladzijden vol teksten, gemaakt voor alle mogelijke gelegenheden. Zo is er voor bijna iedere verjaardag van Moeder na haar tachtigste een aantal liederen gemaakt! Ieder jaar was er weer een grote reünie en werd het nodige aan nieuws gezongen. Dat er dan uit een langzamerhand toenemend gebrek aan inspiratie wel eens wat nietszeggends gebrouwen werd (Leo, in zijn inleiding, noemt dat eufemistisch “schitteren door eenvoud”), blijkt uit wat ik voor Moeder 88 maakte. Terwijl, op de bekende Canon van Pachelbel, de bas alleen de basistekst “Moeder, Oma; Moeder, Oma” te zingen had, zong de rest:

“Acht en tachtig, allemachtig. (2x)

Acht en tachtig, dat is prachtig. (2x)

’s Zommers wèrm, ’s winters kalder, dat herhalt zich, alsmar alder. (2x)

Aalt tevrijje, niks te kieve, geej mot nog lang beej os blieve. (2x)

Acht en tachtig, allemachtig. (2x)

Acht en tachtig, dat is prachtig. (2x)”

Waarom begin ik nou bij gelegenheid van de tachtigste verjaardag van (Tante) Toos (Almelo) over die Fieëstbundels? Gedeeltelijk, denk ik, omdat bij mij iedere keer als ik hoor dat iemand (boven) tachtig wordt, dat gerijmel naar boven komt (:”Acht en tachtig, allemachtig – Acht en tachtig, dat is prachtig”) en ik wel eens het hele lied weer wou zien.

Ik zocht, vooral, denk ik in die bundels aanknopingspunten om voor of over Toos iets te schrijven bij haar tachtigste verjaardag.

In de teksten zelf is daarvoor weinig te vinden. Toos heeft nooit zelf bijdragen geleverd. Ze komt ook zelden in de bundels voor als (lijdend) voorwerp. (Wel is er voor haar alleen een “Feestgids(je)” gemaakt, toen ze vijf-en-zeventig werd, maar dat was in 2001.) Zij was degene wel die het mooiste zong bij al die gelegenheden. Behalve dan, misschien, in die gevallen waarin ík weer eens mijn “mede-feestgenoten (liet) meeploeteren in het ten gehore brengen van symfonieën en strijkkwartetten”, zoals Leo in datzelfde Voorwoord van hem zegt. Aan die gevallen had Toos, volgens mij, vreselijk de pest, maar dat heeft onze verhouding –meen ik te mogen hopen- nooit bedorven.

Ineke, Netta, Toos en Leo studeren een lied van Karel (op voorgrond) in bij bruiloft van Bep en Paul, januari 1967; achter Karel en Leo staan Theo en Pierre; links zie je nog Fien en Miep op de achtergrond.

Ineke, Netta, Toos en Leo studeren een lied van Karel (op voorgrond) in bij bruiloft van Bep en Paul, januari 1967; achter Karel en Leo staan Theo en Pierre; links zie je nog Fien en Miep op de achtergrond.

Wel geeft het doornemen van die bundels aanleiding tot wat overwegingen ter zijde. Die overwegingen gaan, natuurlijk (?), over de betrekkelijkheid van tijd en vooral van leeftijd.

Als je naar al die teksten kijkt waarin Moeder be- en toegezongen wordt, dan zie je dat wij haar vanaf haar zeventigste verjaardag allemaal altijd voor (heel) oud hebben gehouden. Maar zo heeft ze zichzelf waarschijnlijk heel lang niet gevoeld. Ook zeker nog niet toen ze tachtig werd. Net zo min als Toos zich nú oud voelt!

Het tweede is dat ik -die met Toos, op een paar dagen na, precies tien jaar in leeftijd verschil- me heel goed herinner dat ik als tien-/twaalfjarige haar toen echt als oud zag. Heel ver weg, in een heel andere wereld levend. Ik schreef haar, overigens, wel regelmatig brieven in de tijd dat ze niet in Wanssum woonde maar bij Chris en Ben in Alkmaar. Zoals ik ook Laura brieven schreef (zie hiervóór in deze Familiekrant). Hoe ik daarbij kwam, mag Joost weten. Ook wat ik eigenlijk allemaal schreef. Weet Toos dat misschien nog? Toos heeft me vorig jaar nog een oude brief van mij aan haar (of Jan?) die ze thuis gevonden had, teruggegeven, maar die heb ik te goed weggestopt om hem direct te kunnen vinden. Ging het geschrijf misschien –net als ik bij Laura veronderstel- alleen over de uitslagen van Wanssum 1, Wanssum 2 en “de jeugd”?

Dat leeftijdsverschil van tien jaar, dat levensgroot was in het midden van de vorige eeuw, is nu verschrompeld tot iets dat nauwelijks de moeite van het noemen waard is. En al ben ik ondertussen zestig jaar ouder geworden, de wetenschap dat Toos nu ze tachtig wordt zich nog steeds jong voelt, geeft mij de zekerheid dat ook ik nog steeds jong ben.

Dus, het wordt een groot feest, wanneer Toos (jarig op 26 mei a.s.) haar tachtigste verjaardag met ons viert op zaterdag 3 juni!

 

Theo

Nijmegen, 7 april 2006

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 14, april 2006.

Verder lezen: