In het hieraan voorafgaande KAARTEN-gedicht vermeldt Matthieu ook dat – tot zijn verbazing?; ”geloof me”, schrijft hij – Susanne ‘in Rolduc studeerde’. Die ansichtkaart heeft Susanne aan Oma gestuurd vanuit het jaarlijkse Orlando Festival dat op Rolduc – nu een congrescentrum – in de zomer georganiseerd werd en nog steeds wordt.

Die verbazing van Matthieu heeft natuurlijk te maken met het feit dat iedereen van onze familie Rolduc vooral gekend heeft als het kleinseminarie waar Leo en Theo hadden ‘gezeten’. In vroegere jaren nu niet direct een plaats waar meisjes welkom waren. Tot 1946 was Rolduc een zeer gerenommeerde katholiek internaat voor jongens geweest (Gymnasium en HBS). Rolduc was jarenlang een van de vier bisschoppelijke colleges van het Bisdom Roermond. Het Bisdom kende geen afzonderlijk kleinseminarie, de priester-kandidaten van het Bisdom zaten verspreid over deze vier colleges. Na hun gymnasiumopleiding konden ze naar het grootseminarie in Roermond.

In 1946 maakte de Roermondse Bisschop Lemmens, na jarenlang gehannes, een eind aan deze situatie. Min of meer in opdracht overigens van de Paus zelf. Dat Lemmens uitgerekend Rolduc aanwees als het nieuwe kleinseminarie heeft indertijd landelijk (onder katholieken dan) nogal wat commotie veroorzaakt. Rolduc was immers een van de weinige internaten in het land voor de katholieke elite. Rolduc kende veel vooraanstaande Nederlanders onder zijn oud-leerlingen. Daar waren politici onder, maar ook de bekende tachtiger Lodewijk van Deyssel, pseudoniem voor Karel Alberdingk Thijm (1864-1952). Over hem direct iets meer. De katholieke elite in het land vond het een schande dat een gerenommeerde school als Rolduc zou verworden tot een kleinseminarie! Kleinseminaries stonden bekend als tweederangs middelbare scholen waarvan de leerlingen niet het niveau van het normale landelijke eindexamen konden halen. In die kritiek lag ook de reden dat in de jaren dat Leo en ik op Rolduc zaten, het docentencorps van de weeromstuit alles op alles zette om een hoog niveau te halen. Er bestond in die tijd een ongewoon strenge leerdiscipline; dagelijks bijvoorbeeld verschillende uren ‘verplichte studie’ onder toezicht van een strikte surveillant, en dat vanaf de eerste dag van het jaar. En leerlingen van wie men niet de zekerheid had dat die het eindexamen zouden halen, werden van 5 gym niet bevorderd naar de eindexamenklas.

Maar nu de beroemde Lodewijk van Deyssel. Die behoorde in mijn tijd op Rolduc niet tot de bijzondere oud-Rolduciens waar men graag prat op ging. Van Deyssel is al tegen het einde van zijn derde jaar ‘oneervol’, wegens herhaald wangedrag, van Rolduc verwijderd. Al was de toenmalige directeur persoonlijk bevriend met Van Deyssels vader, de landelijk bekende cultuurhistoricus en schrijver J.A. (Jozef) Alberdingk Thijm (1) uit Amsterdam.

Over het internaatsleven op Rolduc heeft Lodewijk van Deyssel als jong auteur een boekje open gedaan. In zijn eerste roman De Kleine Republiek (1888). Dat was een boek dat wij als seminaristen niet ‘voor de lijst’ bij Nederlands mochten lezen. Niet zozeer omdat daarin het internaatsleven op Rolduc te kijk werd gezet, maar om de indringende wijze waarop Van Deyssel de ‘particuliere vriendschap’ tussen twee leerlingen als hoofdthema uitgewerkt heeft. Het boek stond op de zogeheten Codex (2), de ‘lijst van voor katholieken verboden boeken’.

Over Rolduc is zeer onlangs weer een boek verschenen, een geschiedschrijving van de “laatste dagen van een kleinseminarie” (Twan Geurts, Rolduc, 2011). Rolduc is aan het einde van het schooljaar 1966-1967 opgehouden als kleinseminarie. Welke worstelingen binnen het docentencorps van Rolduc én bij de Bisschop van Roermond (Mgr. Moors) daaraan voorafgegaan zijn, beschrijft Geurts heel goed. Wie daarover meer wil lezen (ook over “misbruik” op Rolduc in die jaren), kan het boek van mij lenen. De Kleine Republiek heb ik ook (gekocht in de ’70er jaren, toen ik daar geen toestemming meer voor hoefde te vragen!).

Waar ik mee wil eindigen, is een citaat uit het boek van Geurts. Dat citaat heeft niet direct iets te maken met Matthieu’s verbazing over het studeren van Susanne op Rolduc. Wat het citaat laat zien – en dat is toch een echte opsteker voor onze familietrots – is aan welke bijzondere eisen Leo en ik (én ons gezin in Wanssum) voldeden om toegelaten te kunnen worden tot Rolduc. Geurts vat op pp. 27-28 kort samen welke criteria de pastoor van de parochie in die tijd moest hanteren om te beoordelen of “een knaap geschikt is voor het kleinseminarie”:

“Hij moet fysiek en psychisch gezond zijn en uit een ‘voldoende normaal en acceptabel’ milieu komen. Het ouderlijk gezin moet een goede naam hebben, er dient een godsdienstige, eenvoudige en huiselijke geest te heersen. Er mogen geen ernstige zedelijke of geestelijke gebreken of afwijkingen in de familie voorkomen. De kandidaat moet voldoende begaafd zijn om het gymnasium aan te kunnen, maar ook braaf, niet verwaarloosd in zijn opvoeding en zonder opmerkelijke of opvallende gebreken.”  …

“Slim, braaf, gezond, godsdienstig.”

Dus, zó waren wij thuis in Wanssum toen en zó waren Leo en ik. “Kom daar tegenwoordig maar eens om”, zeggen we dan.

Of zou de pastoor van de parochie zich misschien vergist hebben? Dat niet alle pastoors een goed beoordelingsvermogen hadden, moet je natuurlijk ook bedenken. Uiteindelijk is ook zo iemand als Gijssen in diezelfde jaren toegelaten.

(1). Net vandaag tref ik op de onvolprezen poëziekalender 2012 van Gerrit Komrij (achterkant van 4 april) het volgende tweeregelige gedicht van J.A. Alberdingk Thijm aan:

“Een les die ons de Zondvloed biedt:

De waterdrinkers deugen niet.”

Regels die zó geslaagd zijn, zegt Komrij, dat je de dichter de rest van zijn oeuvre vergeeft.

(2). Toen mijn Instituut in 1968 tijdelijk werd ondergebracht in het ontruimde oude magazijn van de Centrale Bibliotheek van de Katholieke Universiteit lag in een van de zalen een ijzeren kooi. Daar had men de ‘verboden boeken’ tot op dat moment bewaard. Alleen de hoogste baas van de universiteit had daar een sleutel voor gehad.

Theo

Nijmegen, 4 april 2012

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 24, april 2012.

Verder lezen: