Staat u mij toe: ik was zó vereerd uitverkoren te zijn u te mogen dragen en omhullen op deze laatste, buitenlandse reis. Ik weet wel; hij verkoos mij niet zomaar, zorgvuldig als hij immers is. Nee, waar is over nagedacht: mijn middelmatigheid, mijn onbeduidendheid, of moet ik het onopvallendheid noemen, vooruit, al die eigenschappen strekten mij in dit geval zeker tot voordeel. Als eerste trok hem mijn gladde stevige huid aan, soepel met een zekere rekbare souplesse. Belangrijker nog: geen opvallend uiterlijk, niet herleidbaar zijn tot herkomst of het etaleren van een zekere leefstijl.

Een innemende wankelmoedigheid bezitten, gepaard aan het volhardend doorploegen van jullie moerassige levens en dan getekend willen zijn met de merktekenen van aangedikte stoffelijke rijkdom en onzinnig vertoon? Niks voor hem. Albert Heijn, Media Markt, een willekeurige boekhandel of slijterij is hem al veel te uitgesproken, om van the Society Shop, Armani, Gucci enz. nog maar te zwijgen…

Daarom ben ik het geworden: Miss Etam: simpele eenvoud met een tikje zwier zoals de tattoo die op mijn flank uitwaaiert. Miss Etam: in klank en uitspraak de standvastigheid suggererend van een eik, of de frivole fladders van Debussyarpeggio’s. Jazeker, al deze eigenschappen maakten dat juist ik mij knisperend mocht voegen om uw gladde, verkoelde en verstarde pantser, waarna hij ons beide optilde, zoals hij u al zo vaak ophief, pogend u te onttrekken aan de zuigende diepte van uw tergend bestaan.

Hij nam ons op en liet zichzelf weer dragen door de auto en treinen die onverbiddelijk hun bestemming vonden over hun eigen onbuigzaam in de aarde gelegde dragers van teer en staal. Zelfs los van deze bodem geraakten we, al was dat vergeleken met de kortelings naast onze trein voortijlende vlucht ganzen, slechts van een minne banaliteit, zo opgesloten met tweehonderdvierendertig andere, hun zweet en adem uitdampende passagiers in deze bijkans stratosferisch voortsuizende aluminium cocon.

En u lachte, jazeker, u lachte al vóórdat wij dit vliegtuig betraden, toen wij getweeën de tunnel verlieten waarbinnen milde straling onze stoffelijkheid aftastte en doorgrondde en u de plots geconcentreerde koppen zag van het tweetal geüniformeerde beveiligers, wenkend naar andere beambten, zonder hun ogen af te wenden van het scannerscherm, gealarmeerd als zij waren door ons zo afwijkende verschijnen te midden van al die andere, doorsnee reisbagage. U lachte vooral om hem, uw beminde, die nog vóór de detectiepoort stond te zwaaien en te gesticuleren –die is van mij; no worry’s; don’t you dare…- toch zeer atypisch gedrag voor een potentieel terrorist, zeker zoals hij daar stond, zo zonder schoenen al… Ja ik weet zeker; u lachte, omdat hij de hem plotseling toegeworpen steelse blikken van boven iedere uniformkraag, interpreteerde als minzaam, invoelend en mogelijk zelfs medelijdend, terwijl u wel beter wist en misschien zelfs hoopte, dat… Nee het was waakzaamheid, gepaard gaand met adrenaline en oplopende bloeddrukken: één onverwachte beweging en ze zouden naar hun heupen grijpen en hem, de man die u met mijn hulp naar uw laatste bestemming droeg, neerschieten en een verdiende en achteraf beslist eenvoudig uit te leggen en politiek volledig correcte en te verantwoorden dood hebben bezorgd en daarmee had u dan toch… Ach…; nee…; zó heb ik u toch niet…

En zo zijn we dan aangeland in het laatste bedrijf van dit passion play, op deze kale top, uitziend over een oceaan, die zijn ruisen niet meer tot deze bewolkte hoogte kan laten klinken. Vanochtend vertrokken wij van die plek, waar ik het meest mijn rol als verhuller diende te spelen, beducht als hij was, uw man, om hier in dit hotel provocatief te detoneren met de zinledige en decadente lifestyle die op deze plaats tot spel gebracht wordt door armzalige kleinburgers die hun schraperige spaarpotjes met miezerig bijeen gesappelde beetjes zwartgeld hier omzetten in een waan en branie van glamour en uiterlijk vertoon, waarvan als vanzelfsprekende uiting hun zonder uitzondering, veel te vette lijven zich vleien op het plastic ligmeubilair. Hun vetrollen liefdeloos ingesmeerd en gemasseerd met zonnebrandcrèmes, waarvan het olieachtige aroma zich mengt met het chloor van het zwembadwater en dat samen juist voldoende penetrantie weet te ontwikkelen om de weeïge geurcombinatie van zweet, voetschimmel, bilnaadtalg en bij het ochtendkrieken geloosd en nu eerst weglekkend sperma te overvleugelen.

Slalommend langs deze in wisselende gradaties van rozige bleekheid verkerende, op badlakens uitgestalde vormeloze hopen van naakt, glimmend en lillend vlees, gingen wij op weg: hij zijn maagzuur wegslikkend en ik in het volle besef van mijn belang, mijn glanzende en kleurrijke flanken tonend aan deze stompzinnige varkens en u daardoor aan hun blinde blikken onttrekkend.

Natuurlijk; voor u, in uw huidige staat zal ik maar zeggen, is het natuurlijk al niet meer zo vreemd te constateren dat de tijd als eerste verdwijnt. Uw man nam dat pas waar, nadat wij het pad dat ons naar de top van de vulkaan zou voeren, hadden bereikt en wij letterlijk ontstegen waren aan de zone van hotels, appartementencomplexen en de oceaan zomende wandelpromenade, waar de corpulente meute zich met de eieren- en spekwalm mee, van de terrassen weg liet voeren naar de met keien belegde handdoekjes waarmee zij het beetje zand claimden, dat voor de rest van de dag het fundament voor hun inerte lijven zou blijken te zijn. Wij daarentegen bestegen tijdloos en in onbestemde dimensies van ruimte en uitgestrektheid deze helling van gestold magma.

Inmiddels ging de zon langzaam schuil achter dunne wolken, geleidelijk verschenen en op hun plaats gezet door een alweer verdwenen wind, die de kraterrand beademend had tot een oord van nu haast sacrale ingehoudenheid. En juist hier dan, op deze plek, zult u aanstonds vanuit uw urn neergevlijd worden op deze kale rotsen en zonder haast en tijd, uiteen gaan vallen in de zilvergrijze fragmentjes van uw niet-bestaan, voorafgegaan door uw laatste, in deze stilte nog juist hoorbare fluister; “toe maar jongen…; toe maar…”

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 23, december 2011.

Verder lezen: