Ma mère voulant d’un fils très bonnes manières à table. 

Les mains sur la table,

le pain ne se coupe pas,

le pain se rompt.

Le pain ne se gaspille pas le pain de Dieu,

le pain de la sueur du front de votre Père.

Le pain de pain.

 

Ma mère voulant d’un fils très do

très ré, très mi

très fa, très sol

très si, très do.

Ré-mi-fa-sol

la-si-do.

 

(Léon Gontran Damas)

De eerste herfsttinten kleuren de hoge kastanjebomen. Ze staan er zolang mensen zich herinneren in een rij voor de Openbare Lagere School en de oude pastorie, waar de familie Van Tongeren woont. Een eerste windstoot doet de kruinen kraken.

  1. Dagevos: de bevalling

Mijn moeder is bij de huisarts geweest. Samen tellen ze uit dat haar zesde kind midden september zal komen. Dokter Dagevos beziet de wijze waarop het kind in haar schoot ligt. Hij maant haar bij weeën te waarschuwen. Moeder loopt de uitzet na en vertelt mijn vader wat de dokter heeft gezegd. Dagen gaan voorbij. Het wordt september. Ze raakt 10 dagen over tijd. De huisarts bezoekt haar bij zijn ronde langs de patiënten. Ik zal plaats reserveren in het Carolus-ziekenhuis, zegt hij. Op 20 september wordt ze opgenomen. Taxi Phiferons brengt haar.

De tijden zijn onzeker. In april 1937 vallen Duitse bommen op het Baskische Guernica. De kranten schrijven erover als de zoveelste schending van de vrede. De Engelse politicus Churchill profileert zich en spreekt over de gevaren van de nazi-expansie. In Nederland heerst werkloosheid. Intellectuelen en gewone mensen voeren discussie over de vraag wat beter is: communisme of nationaal-socialisme. Op 26 september wordt Semen Fasol in Moskou als slachtoffer van het Stalinbewind neergeschoten. Minister President Colijn laat de “gouden standaard” los en de gulden devalueert. De Luftwaffe telt meer dan duizend Messerschmitt-jagers. In september en oktober is het nog 22 graden en daarmee een legendarisch warm najaar. Kinderen gooien stokken in de kastanjebomen. Het regent stekelige vruchten.

De weeën komen. Moeder wordt overgebracht naar de operatiekamer. Dr. Dagevos is onverstoorbaar, maar zijn gezicht staat ernstig. Hij betast de ligging van de baby. Het zal een aangezichtsgeboorte worden, zegt hij. Moeten de zusters bidden, vraagt de verplegende non. Als het helpt, moeten ze dat zeker doen, zegt Dagevos. Zo geschiedde. Het is een zware bevalling. Maar de kleine jongen zet het op een schreeuwen. Heel goed, knikt Dagevos. Maar wat is het een lelijkerd! Dat trekt altijd bij na een aangezichtsgeboorte. Voorlopig maar geen bezoek. Dan schrikken de mensen niet. Het is vijf uur, maandagmiddag, 20 september 1937. Mijn vader buigt zich dankbaar over het ziekenhuisbedje. We zullen hem naar de zusters van Carolus Borromeus noemen. Hun bidden is niet voor niets geweest!

Vanuit haar kraambed schrijft moeder aan Laura, die op kostschool is in Hamont:

 

Liefste Laura.

Even laat ik je weten dat Romé en je moeder het goed maken.

De zuster leert hem zwemmen en zet zijn kuif goed op. Je hoort hem niet.

Wat heeft hij toch kleine oortjes. Heb je dat al gezien?

Veel liefs van je moeder en de groeten van de zuster.

Je moeder.

En …. dag van je vader.

 

Op 29 september 1937 schrijft de St. Carlusstichting

voor de Weledele Heer P. Fasol een Nota uit:

 

4 Nachten 1 fl. per nacht: fl. 4.00.

Voor verpleging van Mevrouw en kind

van 20 tot en met 29 september à 4.50 per dag: fl. 45.00

Verband en medicament: fl. 2.00.

Gebruik operatiekamer fl. 3.00.

Totaal: fl. 54.00

 

Bij het doopsel ontvang ik de namen Borromeus Gerardus Joseph Cornelis. De naam Borromeus is verklaard. Gerardus is de naam van peetoom Gerard Lommers (broeder Rogatianus). Joseph (de deugdzame echtgenoot van Maria) en Cornelis (tweede naam van mijn vader). Laura, nog op kostschool in Hamont, wordt gevraagd mijn petezus te zijn. Kapelaan Vogels van de Nicolaasparochie neemt de boorling op in de moederschoot der kerk.

  1. Oorlogsjaren

De eerste foto’s tonen een toch aardig opgedroogd kereltje dat onwennig de wereld inkijkt. Laura en oom Gerard gedragen zich als voorbeeldige peetouders. Aan de hand van mijn vader en moeder zet ik de eerste stappen. Waarheen zal het me leiden? Voorlopig breekt eerst nog de oorlog uit. Vaag herinner ik me dat de “stenen brug” wordt opgeblazen. Ik aanschouw deze vernieldrift op de arm van mijn moeder, die met me in de voorkamer staat.

Zorgherinneringen zijn pril. Greet van Laarhoven is de hulp des huizes. Mijn eerste bewaard gebleven zinnetje, een soort “Hebban olla uogala nestas” luidde: “Stoute Jeet, wâ denke nou?”. Ze woont bij ons en zorgt voor mij. Later sluit petezus Laura haar opleiding aan de Franse kostschool in Hamont af en neemt de zorg voor haar kleine broertje over. Mia loopt elke dag met me naar de “bewaarschool” bij zuster Bertranda. Hoewel we in bankjes zitten, toch een soort peuterspeelzaal. Dan de zuster van de “fröbelschool”. Ik herinner me dat ik mijn sigarenkistje met plakkertjes bij haar terugbracht, omdat ik er niets mee kon. Ik leer doorzetten en mijn kennismaking met een potje gluton met kwast wordt een succes. Vertier vind ik bij papa in zijn tuin, d’n boomgaard. Gelegen aan de Dommelseweg, naast en achter het huis dat hij in eerste instantie voor zijn gezin had laten bouwen. Een eigen tuintje met zelf geplante groenten. Grieselen (harken) tot alles er mooi uitziet. Wandelen met het gezin er naar toe. Kromstraat en Fasollenpaadje. Lekkere appels, met die ouderwetse namen: bellefleurs, goudreinetten, pippelingen. We eten thuis van de groenten die papa teelt. Moeder krijgt in de zomer elke week een bos tuinbloemen.

De Aloysiusschool, de broeders. Eerste klas en begin tweede klas. Er hangt spanning in de lucht. Oom Jan Franken komt tijdens het ontbijt binnen lopen: ze zijn geland! Iedereen wist wat het betekende. De waakzaamheid rond het Duitse kwartier met de hakenkruisvlag (het latere politiebureau, waar nu de ABN/AMRO staat) wordt verhoogd. Twee tanks staan er. Beangstigend. Naarmate het front zich verplaatst richting Nederland, wordt de opwinding groter. Duitsers trekken begin september in lange colonnes terug naar het Rijnland. Ze slepen hun spullen mee op gevorderde fietsen, karren en kinderwagens. Soldaat Otto Binasch wordt van overheidswege een paar weken bij ons ingekwartierd. Bij zijn vertrek is hij openhartig. “Hitler kaputt. Alles kaputt”. Schijnbaar verdwaalde kogels komen neer rond ons huis. Papa kijkt bezorgd. Hij fietst naar Dommelen en regelt een onderkomen bij Cor Theunissen. Wij laden onze “bolderkar” vol met lijfgoed en vertrekken. Een paar keer moeten we op d’n Dommelse Dijk plat de berm in, vanwege sonoor ronkende projectielen, waarvan het geluid plotseling afbreekt. Later begrijp ik dat ons huis in de Kromstraat in een rechte lijn ligt met wat de bevrijdingstroepen “de corridor” naar Eindhoven noemen.

  1. Bevrijding

De beschieting bereikt op zondag 17 september een hoogtepunt. Eerst met een drie kwartier durend zwaar artillerievuur, kort daarna gevolgd door beschieting en bombardementen met Engelse jachtvliegtuigen. De sigarenfabrieken in de Fabrieksstraat gaan verloren. Dezelfde dag rollen ’s avonds de eerste Britse tanks binnen. Valkenswaard is dan de eerste bevrijde Brabantse gemeente. Een gigantisch leger van 20.000 tanks en meer dan 100.000 militairen, trekt vanuit het zuiden door Valkenswaard richting Eindhoven.

Plotseling zijn onze bevrijders ook in Dommelen. Later toen ik de prachtige film “La vita è bella” zag, moest ik er weer aan terugdenken. Het kleine jongetje, weggelopen uit de schuilkelder, die op maandagmorgen 18 september in de Dommelstraat vóór Agnetendal plotseling oog in oog staat met een kleine tank. Ik zou toen hebben moeten roepen “è vero”. Maar een vriendelijk negergezicht grijnst me toe. Hij gooit een reep chocolade. Dan voel ik snel de hand van mijn moeder, die me weer meeneemt naar binnen. We bedanken ons gastgezin. Nog jaren wandelen we er elke zondag naar toe. Dankbaarheid is bij mijn ouders iets dat blijft. Thuisgekomen, zien we dat de school van mijn vader is opengebroken. Het krioelt er van Canadezen. De speelplaats staat vol legervoertuigen. Ook ons huis staat open.

De rood-wit-blauwe vlag hangt uit. Een soldaat die Alex heet, heeft ze gevonden in de linnenkast. In de westgevel van het huis zitten 17 kleine gaten. Rond het huis een drietal grotere bominslagen. We hebben geluk gehad. Ik proef voor de eerste keer, hoe kauwgom smaakt. Ook de Aloysiusschool heeft een militaire bestemming gekregen. De tweede klas maak ik af in de serre van het huis van notaris De Wit en in café De Schuur aan de Wolbergstraat. Bij ons thuis verblijft de familie Claessen uit Venray. Op hun beurt op de vlucht voor het voortschuivend front. Er worden oranjefeesten en optochten gehouden. Ik loop mee in de bevrijdingsoptocht. Papa en Laura hebben van onze bolderkar een mooi schip gemaakt, waarop met een lint de naam “Missouri” is gezet. Het schip der capitulatie! Ik heb een matrozenpak aan, geleend bij de familie Biemans, maar val niet in de prijzen. Heel betreurenswaardig! Kort na de bevrijding wordt mijn peetoom Gerard vanuit Venray bij mijn ouders gebracht. Hij sterft na zijn aankomst op 30 oktober 1944. Twee jaar daarna worden mijn vader en moeder getroffen door het overlijden van hun 16 jarige dochter Mia op 6 september 1946.

Het verenigingsleven komt op gang. Ik word welp in het bruine nest. Heel aardig, zo’n woensdagmiddag, maar het overtuigt niet. Ik loop niet begrijpend mee met de rest. Trektochten door bos en hei vind ik heerlijk. Maar hygiëne tijdens kampdagen op het landgoed Valkenhorst van de familie Loudon, laat te wensen. Bij ons kan niemand pianospelen. Een laatste kans om jong talent te promoten, wordt op mijn tere schouders gelegd. De lessen bij mijnheer Van den Abeelen worden niet gevoed met familiale stimulansen en ervaringen. Het hart van mijn leraar ligt bij de harmoniemuziek. Met de plaatselijke UNA schrijft hij geschiedenis. Ik krijg vriendjes. Henja geniet mijn eerste genegenheid. Dan is er Jac Bots en Leo Jansen (van de bakker) en een aantal klasgenoten uit de straat. Heerlijke tijden. We trekken de Dommelbeemd in en spelen de oorlog na. Dan begin ik te lezen. Roomsche Jeugd. Puk en Muk. De Windroos. En later Arendsoog. Ik snuffel in de oude boeken van mijn vader. Ik leer van boeken houden, door ze in mijn hand te nemen. Dat zal altijd zo blijven.

  1. Dr. P.C. Paardenkooper

Het gaat goed op de lagere school. Leo Jansen of ik zijn de eerste of de tweede van de klas. We worden klaar gestoomd voor vervolgonderwijs. Leo gaat naar een klein seminarie. Jac naar St. Louis in Weert en ik zal naar gymnasium Augustinianum in Eindhoven gaan. Elke dag 10 km fietsen. Er zitten maar een handvol externen. Dat wordt gevoeld. Het is een school met naam. Strenge rector Hoogveld. Grote bewondering voor leraren. Een van hen, de befaamde (latere hoogleraar) P.C. Paardenkoper. Ik leer van hem mijn taalgevoel te ontwikkelen. Van hem en (de latere Hertog Jan leraar) Joop de Wit. Een fenomeen was ook de leraar geschiedenis. Ook hij tekent mijn blijvende belangstelling voor het vak. Allemaal geweldig. In het derde leerjaar wordt mijn vader bij de rector genodigd, die hem in overweging geeft voor zijn zoon ander onderwijs te zoeken. Het wordt het Hertog Jan-College in Valkenswaard. Non scolae sed vitae. Er zet zich een ontwikkeling in die me doet excelleren in clubleven, vriendschappen (Piet Pastoor), lezen en schrijven. Clubblad De Kemphaan (zie verder bij Hans Truijen), debatingclub, missieclub, toneel en het organiseren van sportdagen.

Thuis zoeken mijn ouders voor hun studerende kinderen extra inkomsten door het hebben van kostgangers. Good old oom Jac was er al sinds jaren. Tijdelijke huisvesting wordt geboden aan leraren (Steijlen), maar ook aan jongelui. De legendarische Piet Hein Loeff uit Amsterdam en Joep Raijmakers uit Eersel. Met onze andere vrienden vullen wij hele zaterdagavonden met politiek debat en het naspelen van vergaderingen van de Tweede Kamer en de Verenigde Naties. We behandelen de oliecrisis in Iran. Iemand speelt de sjah, iemand anders minister president Mossadecq. We leren dat politiek theater is, maar waarderen vooral het debat. Er is nog geen TV, de huisgenoten zitten geïnteresseerd om ons heen. Als ware het de publieke tribune. We gaan op dansles. Iron, Jac en Joep krijgen vriendinnetjes. Ik ook. We dansen bij de vriendinnetjes thuis. Een zomerzotheid in Zoutelande.

  1. Erasmus in Anderlecht en Middelburg

Oom Frans nodigt me uit in Brussel. Ik ervaar het Camelot van de Gentse Steenweg, waarin tante Paula’s wens regel is. Bedienden. Heerlijk eten. ’s Zondags ter bedevaart naar Notre Dame de la Cambre. Onze Lieve Vrouw van Halle. De kerk van Finisterre. Tot oom Frans me toefluistert de zondag te vieren met hem samen. Het wordt de Nicolaaskerk in de binnenstad. Een restaurant in het Zoniënwoud. Een bezoek aan Anderlecht. Daar kan ik zelf met de tram makkelijk teruggaan. En dat doe ik ook, een aantal keren. Het huis van Erasmus trekt me en boeit me. Vader stuurt me nog voor een paar dagen naar Cochem. Eerste kennismaking met Moselwein. Uitgebreide gesprekken met de daar wonende jurist in ruste Brentano. Europa in de steigers. Eindexamen HBS-B.

Militaire dienst. Kanonnier in Bergen op Zoom. Uitgeprocedeerd voor officiersopleiding wegens overaanbod kandidaten in de augustuslichting. Dan maar de administratieve opleiding in Middelburg. Eerste kennismaking met Stefan Zweigs boek “Erasmus von Rotterdam”. Discussies met Hans Simons en anderen. Naar La Courtine als mede-kwartiermaker voor grote divisie-oefeningen. Dan de legerplaats Grave.

  1. Dagevos: een weerzien

Studie opgenomen bij de Katholieke Leergangen in Tilburg. Eerstejaars MO Geschiedenis. Tot aan overlijden van vader op 22 april 1961. Stagiair bij de gemeente Valkenswaard. Noodwachtplicht en volkstelling (1960-1961). Eerste indiensttreding Philips. Korte tussenperiode bij het Centrum voor Onderwijsvernieuwing (NV Veraplast Rotterdam 1962-1963). Op uitnodiging van oom Frans in Abtenau, nabij Salzburg. Sollicitatie Kandidat kaufmännischer Angestellter Raiffeisenverband Salzburg (1962). Dan toch maar terug naar Philips op 16 april 1963. Bezoek aan West- en Oost-Berlijn (1963). Aan Stratford-upon-Avon. Festival Shakespeare’s 400th anniversary (1964).

Vruchtbare leerjaren. Diverse studies. Interessante taken. Philips viert glorieus het 75 jarig bestaan. Tilly afgehaald bij het station in Eindhoven. Nog groter is dan het feest. Huwelijk met Tilly. Lieve kinderen. Lid KVP/CDA vanaf 1965. Afdelingssecretaris op verzoek van voorzitter Woutje Evers (Oud-verzetsman. Loco-burgemeester. Voorzitter tabaksverwerkende industrie. Fenomeen in Valkenswaard.). Ik volg hem op als voorzitter KVP, daarna CDA (1965-1970). Start doctoraalstudie in Tilburg. Ene dr. Jos van Kemenade, studentendecaan in Nijmegen, ontraadt me tijdens een consultatie een dergelijk voornemen. Maar Philips staat achter me. Dus toch! Vriendschappen in de Minister Aalbersestraat. Lid van het kleingenootschap “Wij zien Dommele!” ter vrolijke instandhouding van een goej Valkeswirdse buurt (1975-heden). Actief carnavalist als (pseudo) dokter Dagevos, huisdokter van den Adjudantenbond (1976-1980). Bij mijn afstuderen benoemd tot Doctor in de Infectieve Humorologie (1977). Plotseling wethouder. En even onverwacht brengt dokter Woerdeman bij zijn pensionering het portret bij mij van zijn voorganger, dokter Dagevos. Het krijgt een ereplaats op mijn werkkamer in het gemeentehuis. Zijn ernstige ogen volgen me van dag tot dag naar het waarnemend burgemeesterschap in mijn geboortedorp en de heropening van cultureel centrum Carolus. Het oude ziekenhuis. De cirkel is rond.

Dit artikel is onderdeel van de in 2007 gepubliceerde bundel Late Haver.

Verder lezen: