Ik ben de vijfde (en laatste) generatie van mijn familie die opgroeide in de grensplaats Valkenswaard. Als je dicht bij een landsgrens woont, voel je die grens als het ware in je rug. Je blik is automatisch gericht op het binnenland. Maar de grens is er wel en het buitenland is merkbaar dichtbij.

Een van de vroegste herinneringen van mijn vader, heeft hij me eens verteld, was een zwerm overvliegende vliegtuigen, op weg om Eindhoven te bombarderen. Maar in de jaren ‘70, even oud als mijn vader toen was, voelde ik geen dreiging uit het buitenland.
Je voelde de grens bijvoorbeeld als het markt was. Daar stikte het van de Belgen, omdat het voor hen goedkoop was.

Grenzen waren vooral onhandig. Des te meer toen we, dankzij tv en toegenomen reislust, een steeds opener blik op het buitenland kregen.

Bijvoorbeeld bij onze jaarlijkse vakantie naar Oostenrijk, als we met drie valuta op zak onderweg waren en aan de Oostenrijks-Duitse grens allerlei formaliteiten hadden om de Mehrwertsteuer over onze aankopen terug te ontvangen.

Na de dreiging is nu ook dat ongemak goeddeels verdwenen.

In 2003 trouwde een vriendin van ons bij het Loch Lomond in Schotland. Balloch heette dat dorpje. Op het trottoir liep een oudere man, aan wie ik de weg vroeg. Hij hoorde mijn accent.

– ‘Where are you from?’
– ‘From Holland’.
– ‘Ah! I once had the privilege of bombing Eindhoven’.
– ‘Then my father saw you fly’, was het enige dat ik kon uitbrengen.

Gepubliceerd in BZ-blad nr. 4, augustus 2012.

Verder lezen: