Naar schatting zijn er in de reiinie-familie Van Els-Rutten ongeveer 40 auto’s, hetzij in eigendom, hetzij in leasing.

Als ik mij goed herinner… ….: ‘met het zich herinneren moet men erg voorzichtig zijn’, zei enkele jaren geleden Professor Wagenaar (Leiden) of zoals Adriaan van Dis het onlangs in een radio-interview stelde, ‘het geheugen is een leugenfabriek’; en de historicus Professor Van den Dunk zei het in een ander radio-interview ietsje genuanceerder: ‘het geheugen selecteert herinneringen’. Goed dus. In mijn prille jeugdjaren waren er in Wanssum vier auto’s in totaal, t.w. die van vader, van de baron De Weichs de Wenne, burgemeester van Wanssum, van Hanksen Arthur (de heer A. Hanckx) en van smids Lei (L. Wijnhoven). Veel meer telefoontoestellen en radio’s waren er trouwens ook niet.

De eerste auto van vader in die jaren was een zwarte, vierkante FORD. Als vader er mee ging rijden, moest die Ford eerst door enkele mannen die in ons pakhuis werkten, worden aangeduwd; dat was niet zo’n geweldig karwei, omdat het bij ons huis Wanssum-waarts enigszins heuvel af ging. Nelly zat in die bak soms vreselijk te huilen, waarbij ze zelfs door (inwonende) grootmoeder Rutten-Stevens niet getroost kon worden. Het ding maake veel kabaal en rammelde geweldig. Dat laatste kan ook een gevolg zijn geweest van de toestand der wegen in Wanssum; die wegen waren toen nog met zand en stenen verhard. In de jaren dertig zijn de wegen overigens geasfalteerd, met ‘tar’ zeiden ze. Moeder en grootmoeder spraken nog wel eens van macadam-wegen, vernoemd naar de Engelse uitvinder McAdam, als ik het wel heb. Waarschijnlijk werden de wegen toen al geasfalteerd door de firma Janssen en De Jong uit Horst.

Omstreeks die tijd schafte vader zich een meer moderne, donkerblauw e CHEVROLET aan. Daar weet ik niet meer zoveel van, wel dat we met die volgeladen auto naar Overlangel tuften, aan de Maas vlakbij Ravenstein gelegen. Daar was nl. plotseling overleden onze oom Theo Botden, zwager van vader en moeder, getrouwd met tante Tilla, de enige (oudere) zuster van moeder. ‘Oëme Thei’ was in Overlangel hoofd van de lagere school. Aansluitend aan de begrafenis bleven grootmoeder en ik een tijdje bij tante Tilla logeren. Vader en moeder zouden ons dan op een zondagkomen ophalen. Op die zomerse zondag gingen de neven Theo en Pierre Botden en ik hen tegemoet, lopend en stoeiend over de dijk langs de bijna droog staande Maas. Laat in de middag liepen wij – ik bijna in tranen – terug naar het huis van tante Tilla, bezorgd, want we hadden geen blauwe Chewolet gezien. Geen wonder, want juist in die periode had vader zich een nieuwe aangeschaft: een luxe lichtgroen-kleurige PONTIAC, waarmee hij bij onze terugkomst danig stond te pronken.

Over lotgevallen van en met die Pontiac het volgende. Leo vertelde in de vorige Nieuwsbrief al, dat hij tezamen met Netta in die chique Pontiac de weg overzeilde; hij repte overigens met een vraagteken van een Ford, en verder, toen sprak men nog niet van de Venrayseweg, maar van B 55 Wanssum (zie ook ‘een warm nest‘ door Carola, april 1998 p.6).

Die Pontiac had kennelijk iets met z’n remmen (aan vader kan het toch niet gelegen hebben!). Want die mooie auto is eens leeg en wel de kadewal afgewandeld de haven in en hij zou zeker verzopen zijn, als niet toevallig een schipper de kans had gezien om de Pontiac bij de achterbumper te grijpen en vast te houden totdat de hijskraandrijver de auto kon vastpikken en weer op de
kadewal neerzetten. Bij de dealer en garagehouder Jan Derksen in Venray is de auto weer helemaal opgeknapt en rijvaardig gemaakt.

Eenmaal per jaar ging vader tochtjes maken, met een wagen volgeladen met de jongelui. Zo herinner ik mij een tochtje naar de toenmalige Zuiderzee. Als ik me wel herinner, ging ook Pierre Botden mee. Hij maakte het grapje, dat vader, hijzelf en de auto iets gemeenschappelijks hadden dat de anderen niet hadden, te weten de letter P van oom Piet, Pierre en het nummer van de auto P 10288. In die tijd was de nummering geregeld per provincie, elke provincie had haar eigen nummer en Limburg had de letter P. Bij het vertrek van de tussenstop, bij een uitspanning in de buurt van Grave, werd het achtelportier dichtgeklapt met de vingers van Pierre ertussen. Het lachen was hem vergaan en jankend van de pijn heeft hij de laatste kilometers naar Huisseling, waar de familie Botden intussen woonde, meegereden. Arme Pierre!

Er is in die dagen ook nog een foto gemaakt van een jonge Nel Botden, die als een glamour girl aan het stuur van de Pontiac zrt en,het raampje open, lachend wuivend naar de ftograaf kijkt. Nel had geen rijbewijs en de auto stond stil. Overigens verschillende mannen hebben in die auto rijles van vader gekregen; dat ging in die tijd nogal gemakkelijk. Ik zie Pierre Timermans en Jan (?) Metsemakers nog met auto en al de heg induiken, gelukkig net op tijd remmend.

In de oorlogsjaren (1940-1945) kreeg vader geen benzine meer, ik geloof vanaf 1941. De motor van de auto moest op een gegeven ogenblik bij de Duitse Wehrmacht worden ingeleverd. De karosserie van de Pontiac werd aan boer in IJsselstein verkocht, die er op zondagen zijn paard voorspande en op die manier met de familie ter kerke ging.

Na de oorlog hebben we die karosserie nog op het autokerkhof bij Deurne zien liggen: ach voorbije glorie!

Vader heeft zijn rijbewijs laten verlopen en na de oorlog ook geen nieuwe auto meer gekocht, al maakte Harrie dan ook een mooi liedje dat hem aanspoorde dat wel te doen.

Vader had ook niet meer zo vaak een auto nodig en als dat wel het geval was, dan nam hij een taxi van Franke Leike of Iiet zich door de hoofddirectionele wagen afhalen (noot van Leo: vaak kwam vader zo plotseling in de taxi van Franke Leike voorrijden op Rolduc). Of hij reed met een van de zoons mee, die inmiddels een rijbewijs hadden en een (al dan niet gehuurde) auto.

Zo zijn we dan terug bij de dag van vandaag met de vele auto’s, de autoradio’s, de CD-recorders, TV’s, computers, GSM-etjes, E-mail. Internet etc. Wat een tijd, wat een tijd!

Mathieu uit Zoetermeer, juli 2000. 

P.S. Voordat een onjuiste herinnering als vaststaande geschiedenis wordt geboekstaafd, het volgende: Harrie en ik werden niet in Meppel, maar in een min of meer obscuur cafe-billard in Steenwijk uitgenodigd om lid te worden van de lokale biljartclub. Dat was tijdens onze fietsvakantie in Bungalowpark en Resort Eese bij Steenwijk in 1996. Sindsdien is er, geloof ik, in de fietsvakanties geen
gelegenheid meer geweest om te biljarten. Misschien wil Toos bij toekomstige plannen dit ook als criterium voor een juiste omgeving meenemen.

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 5, oktober 2000.

Verder lezen: