70 jaar geleden ontsnapte mijn opa in een Duitse goederentrein aan de dood. Afgelopen zondag reed ik met mijn moeder naar Duitsland, op zoek naar een locatie die beantwoordt aan de beschrijving die mijn opa in zijn dagboek van de plek gaf.

In de laatste weken dat de Duitsers in Noord-Limburg nog een machtsbasis hebben roven ze alles mee wat ze kunnen krijgen en laten alles van strategisch belang exploderen. Mijn opa, directeur van Landbouwbelang in Wanssum, had voortdurend te maken met inbeslagnemingen waarvoor hij dan waardeloze ‘Bescheinigungen’ kreeg. De silo van Landbouwbelang was enkele weken eerder opgeblazen, evenals de kerk van Wanssum. De laatste loodjes van de bezetting wogen zwaar.

‘Es tut mir leid…’

Na een snel ontbijt stappen mijn moeder en ik in Horst om tien over negen in de auto. Het plan is om mijn opa op zijn schreden te volgen bij de gebeurtenissen van 17, 18 en 19 november 1944. We rijden dus eerst van Horst naar Wanssum, waar het ouderlijk huis aan de Venrayseweg nog altijd staat.

‘Es tut mir Leid, aber ich muss Ihnen mitnehmen. Sie nehmen ein Decken, Lebensmittel, Gaffel und Löffel. Ich gebe Ihnen zehn Minuten.’

Maar het ergste van alles was dat de Duitsers alle mannen wegvoerden naar Duitsland, om tewerkgesteld te worden. Die ochtend van 17 november 1944 was mijn opa de sigaar. Een groot aantal mannen werd verzameld en te voet weggevoerd naar Broekhuizen.

We rijden langs het oude gemeentehuis van Wanssum, waar mijn ouders getrouwd zijn. Het staat leeg. Mijn moeder vertelt dat er plannen zijn om het te slopen zodat het nabijgelegen tankstation meer ruimte heeft. Als dat waar is zou dat schandalig zijn: Wanssum zou zijn enig overgebleven monumentale gebouw verliezen.

Weggevoerd

We slaan rechtsaf bij de rotonde en gaan naar Blitterswijck. We vinden de lagere school en maken foto’s van het schoolplein. Morgen spelen hier weer kinderen die gelukkig niets weten van wat zich hier 70 jaar geleden afspeelde.

Het schoolplein van de lagere school in Blitterswijck.

Het schoolplein van de lagere school in Blitterswijck.

‘De soldaten voerden mij eerst naar een verzamelplaats in het dorp, waar reeds vele mannen bij elkaar gebracht waren. Na enige tijd werden zij allen onder strenge bewaking naar Blitterswijck op de speelplaats der school gevoerd. Hartroerende tonelen speelden zich alhier af. Dochters en echtgenoten trachtten haars vaders of mannen nog dekens, jassen, levensmiddelen enz. te overhandigen.’

De verzamelde mannen worden vanaf deze plek weggevoerd via een lange omweg door de bossen naar de boerderij Bergerhof. Daarna gaat het konvooi jaar het veer in Broekhuizen.

We laten Bergerhof voor wat het is en volgen de weg naar Broekhuizen. Het dorp ligt er bijna nog precies zo bij als toen. Het is een mooi bewaard gebleven Maasdorp.

‘Aan het veer aangekomen werd ons door de Broekhuizer burgerij fruit, brood en tabak mild aangeboden. Ook te Broekhuizenvorst had een boer enige manden fruit langs de weg geplaatst, waaruit wij, al marcherende, een greep mochten doen. Wij werden allen tegelijk overgezet. Door de sterke stroom der Maas, die zeer hoog was, voer de veerpont snel over. Ik ademde na deze snelle overzetting weer wat geruster, want ik vreesde ieder ogenblik de Engelse ‘Typhoons’, die de laatste tijd speciaal de rivierovergangen bewaakten.’

Broekhuizen, gezien vanaf de overkant van de Maas.

Broekhuizen, gezien vanaf de overkant van de Maas.

Aan de overkant passeren we de Hertog Janbrouwerij, dankzij de tv-reclame tegenwoordig een bekend gebouw. Dan gaat het rechtsaf naar Arcen.

‘Daar werden we ten zuiden van het dorp tegenover café Berghs in een open loods geleid. Hier vertoefden we, onder bewaking der ‘Grüne Polizei’, tot het vallen van de avond. Het had reeds de gehele namiddag sterk geregend, zodat onze kleren doorweekt waren. Tegen het vallen van de avond kwam een goederentram met open wagons voor. In elke wagon moesten ± 30 gevangenen plaats nemen’.

Café Berghs, oftewel het Maashotel, is er niet meer: het werd in 1990 afgebroken om plaats te maken voor het appartementencomplex links op de foto, met uitzicht op de Maas. De loods er tegenover moet het gebouw met de grote poort zijn.

20141005_095516

Goederenwagons

Ook de tram naar Venlo is verleden tijd. Motregen valt op de voorruit terwijl we Venlo binnen rijden naar het postkantoor. Op de radio zingt Bruce Springsteen ‘The River’. Het kost me weinig moeite om de melancholie van het nummer te associëren met de reis die we vandaag maken. Vandaag is de Maas ‘The river’.

Daar is het postkantoor. Het is gebouwd in 1938 en ziet er nog net zo uit als 70 jaar geleden.

20141005_101322

Hier moesten de mannen uitstappen en lopen naar het treinstation, dat er tegenwoordig wél heel anders uitziet. In koude en lekkende goederenwagons wachtte het transport van honderden dwangarbeiders hier op vertrek.

‘Een der vreselijkste nachten uit mijn leven brak toen aan. Het zal ongeveer 8 uur ‘s avonds zijn geweest. Een lange goederentrein, waarvan vele wagons in desolate toestand, wachtte op het station Venlo op vertrek. (…) Plotseling voelden we een schok. Een locomotief werd voorgereden en weldra schoof de trein langzaam buiten station Venlo. Weldra passeerden we de Duitse grens en als bij intuïtie zongen allen als afscheidslied uit volle borst ons Limburgse volkslied. (…) Even over de grens stopte de trein echter en het bleek, dat we nu bij station Kaldenkirchen aangekomen waren. Daar zouden we de gehele donkere en koude nacht in de trein moeten doorbrengen’.

We rijden via de Kaldenkerkerweg, langs De Koel, het stadion van VVV, naar Kaldenkirchen. Als snel passeren we ongemerkt de grens. In Kaldenkirchen gaan we op zoek naar het station. Na even zoeken zijn we er. Er staat een na-oorlogs stationsgebouw, maar daarnaast is het oude station ook nog te zien, langs een nu verlaten spoorbaan. Ik steek mijn telefoon door een hek, probeer het toestel niet te laten vallen en zet de oude overkapping op de foto.

Hier stond de trein van mijn opa in de nacht van 17 op 18 november 1944.

Het oude station van Kaldenkirchen.

Het oude station van Kaldenkirchen.

‘Eindelijk begon door de spleten der wanden enig licht te dagen. De soldaat schoof de wagon open en de één na de ander mocht eventjes uit de wagon. De koude lucht stroomde binnen, het was wel eventjes verfrissend, doch al spoedig hulde men zich weer in een deken. De natte kleren waren enigszins aan de warme lijven opgedroogd. Enige mannen vroegen om water. We bevonden ons op het emplacement te Kaldenkirchen. Af en toe haalde een soldaat een fles drinkwater. Ik zelf had hieraan geen behoefte, enige eetlust had ik evenmin. Teneinde de verstijfde ledematen en de koude voeten enigermate te verwarmen trappelden en stampten allen door de wagon. De soldaten wandelden gewapend langs de trein, nauwlettend toeziende, dat toch niemand zich te ver zou verwijderen. De novemberzon bescheen het licht beijzelde spoorwegemplacement. In onze nabijheid stond een door bommen geteisterde goederenloods’.

Voordat we op weg gingen had ik met behulp van Google Maps geprobeerd om de exacte locatie van het doel van onze reis zo nauwkeurig mogelijk te bepalen. Uit het dagboek van mijn opa wist ik dat ik moest zoeken naar een plek aan de spoorbaan tussen Breyell en Dülken, met een bosje in de buurt.

Am Busch

De asfaltweg tussen Breyell en Dülken is een kilometer of negen. Ongeveer halverwege gaan we rechtsaf, een landweggetje op dat ‘Am Busch’ heet.

‘Het was nu tegen tien uur in de voormiddag van 18 november ’44. De locomotief begon te puffen en weldra reden we het station Kaldenkirchen voorbij en kwamen in het open veld. Overal langs de spoorbaan ontdekten wij diepe granaattrechters, het was duidelijk, dat deze spoorweg vele bomaanvallen had te verduren. De trein vorderde niet snel. Door de eventjes geopende deur van de wagon zag ik, dat we het station Breyell voorbij reden. We zullen naar schatting 7 à 8 kilometer (precies weet ik dit niet) voorbij dit station Breyell zijn geweest, toen de trein in open veld plotseling remde. Meteen hoorden we reeds het angstwekkende geluid van duikende ‘typhoons’. “De trein wordt beschoten”, was de kreet, die veler monden ontsnapte. Allen doken we zo klein mogelijk tegen de wanden en naast elkaar. Reeds knalden de eerste mitrailleurkogels op ons neer’.

Het laatste stukje naar de spoorbaan moeten we lopen. Aan weerszijden van het pad liggen weilanden, rechts van ons zien we een bosje. Dan staan we op de overweg.

20141005_105351

‘Nog knetterden de mitrailleurs, nog spuwden zij dood en vernieling, er scheen geen einde aan te komen. Dit alles leken wel uren, in werkelijkheid nog niet één minuut. Plotseling vervulden rauwe angstkreten onze wagon. De kogels hadden zwaar getroffen. Mijn neef, die dicht naast mij lag, zonk plat op de vloer en greep met zijn hand naar zijn getroffen been “Ome Piet mijn voet”, schreeuwde hij vol vertwijfeling. Ik zag om, zijn voet bleek nagenoeg geheel afgeschoten. Inmiddels scheen de aanval ten einde. De wagondeuren vlogen open en allen, die nog niet getroffen waren ontvluchtten deze hel. Ik sloeg nog een blik op mijn neef, die bewusteloos leek en verliet ook de wagon. De trein stond op een hoge spoordijk, waarop soldaten en gedeporteerden radeloos rondliepen. (…) Inmiddels keerden de vliegtuigen weer terug en nu rende alles de spoordijk af en ieder zocht dekking in sloten, greppels, achter bomen, in het nabije bos enz. Meer en meer vergrootte zich de ring der vluchtelingen, ofschoon de soldaten alle moeite deden het transport onder controle te houden’.

Dat opa schrijft dat het spoor op een hoge spoordijk ligt klopt niet echt, maar ik kan me goed voorstellen dat het in de hectiek zo leek. Als je uit een hoge goederenwagon moet springen is dat een hele afstand, en direct naast het spoor (niet zo goed zichtbaar omdat hij volgegroeid is met varens) ligt een diepe greppel.

Zes mensen vinden hier de dood, en tientallen gewonden liggen in de berm van de spoorweg.

Ik stel me voor hoe 70 jaar geleden over het weggetje Am Busch een ambulance aan kwam rijden om gewonden af te voeren.

Mijn opa is gewiekst genoeg om een brancard op te pakken en met de ziekenauto mee te gaan naar het ziekenhuis in Dülken.

20141005_105557

‘Onderweg moesten we ’n keer stoppen wegens luchtgevaar. We gingen een boerderij binnen. In het kort verhaalde ik het gebeurde, hoe wij uit Holland weggevoerd, beschoten waren in de trein. “Das ist die Schuld von die verfluchte Nazi’s”, was het antwoord der vrouw. Weldra reden we weer verder.’

Terugtocht

In Dülken bezoekt hij vervolgens het politiebureau en het kantoor van de divisie waarvan hij een massa Bescheinigungen in zijn portemonnee heeft. Hij zegt het niet met zoveel woorden, maar het lijkt er sterk op dat hij een officier omkoopt met behulp van die Bescheinigungen (waar een Duitse officier waarschijnlijk wél geld van kon maken). Hij krijgt een autorit aangeboden naar Straelen, waar hij overnacht in het St. Josephhuis.

Wij kunnen dat zo gauw niet vinden en het is tijd om weer naar Horst te gaan.

Mijn opa vertrekt de volgende ochtend uit Straelen en is spoedig in Arcen, vanwaar uit hij naar Wanssum terugloopt.

Dagboek

In de trein zaten bijna 700 gevangenen. Bij de beschieting van de trein bij Breyell op 18 november 1944 kwamen zes mensen om het leven en tientallen raakten gewond.

Als oma, jaren later, soms iets over de oorlog vertelde, reageerde opa: ‘Kort vrouw, kort’, herinnert mijn moeder zich. Hij wilde er niet meer aan terugdenken.

Hoe het verder ging met de trein? Het merendeel van de gevangenen moest na de beschieting terug de trein in. Op voorwaarde dat niemand zou vluchten, mochten de schuifdeuren nu open blijven. De aanwezige paters in de wagons stonden hiervoor borg. Enkele kilometers verderop sloeg het noodlot opnieuw toe; de trein werd nogmaals beschoten. Honderden gevangenen namen hier de benen. Het restant werd naar Wuppertal gevoerd om tewerkgesteld te worden en keerde pas maanden later naar huis terug.

De beschieting van de trein bij Breyell was niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog maar voor mijn opa was het zeer aangrijpend. Bij terugkomst in Wanssum verblijft hij eerst een halve dag op de kapelanie om weer bij zijn positieven te komen. De week daarop schuilt hij onafgebroken in de pakhuiskelder. Dan staan de Engelsen voor de deur en is de bezetting voorbij.

Maar het dagboek, dat mijn opa ging schrijven om de gebeurtenissen te verwerken, is pas halverwege. Wat volgt is een maandenlange evacuatie, en het dagboek is een nauwkeurig verslag van zijn pogingen om de familie door het laatste deel van de oorlog heen te loodsen.

Wie wil weten hoe dat ging, en wie het volledige oogetuigeverslag wil lezen van de treinramp bij Breyell, nu 70 jaar geleden, kan alles nalezen in het oorlogsdagboek van Piet van Els.

Verder lezen: