Het is een mooie nazomer. Langzaam valt de schemering over Wanssum. Voor het huis dat genummerd staat als B 55, zitten ze onder een kersenboom herinneringen op te halen. Moeder heeft voor ieder een glas bowl klaar gemaakt. Een koele versnapering. Langzaam komen een paar wandelaars voorbij: Goejenaovend saame, groeten ze.

bank voor het huis

Vooruit. Dat waren toch die van Janssen, vraagt iemand. Weet je wel van dat verhaal? Die na het voetballen niet op tijd thuis was gekomen. Ze waren naar hem op zoek gegaan. Ook in de café’s. Eindelijk hadden ze hem daar gevonden. Binde geej d’r enne van Kobbeske Janssen? vroeg de zoeker.Ja? Vooruit d’r uit! Zo direct was het sociale toezicht in het dorp.

Voetballen. Ja, zegt Netta. Maar vroeger was voetballen ook oorlog. In Wanssum misschien wel erger dan bij het Ajax van Rinus Michels. En het roepen langs de lijn, was nog het allerergst: Naar veure. Niet te bang Jèrke. Stamp ze tège de knöek! Het liet aan de verbeelding niks te wensen over!

Vet. Als goeie voetballer moest je wel stevig eten, meent een van de broers. Hoe was dat ook al weer? Goei soep. Met vet en alles erin! Ja en toen dokter Van Heijst de blinde darm van Paul onderzocht zei hij dan ook: Potdomme Jan, wat ziedde geej vet!

Anticonceptie. Nu herinnert zich iedereen wel een sterk verhaal. Tilly zegt dat moeke Hezen van het zwembad in Horst van haar neef de missionaris Hezen de vraag kreeg hoe dat toch geweest was om een gezin met 12 kinderen te hebben. Moeke Hezen dacht na en zei: ja, maar toen waren er nog geen bestrijdingsmiddelen!

Kieps. Ja, en wie was dàt ook al weer. Die man die met duidelijke bedoelingen de bedstee inkwam en van zijn vrouw te horen kreeg: Halde geej de kieps mar op. Blijkbaar was deze Casanova gewend om met de pet op te slapen. Hij zette die alleen af voor het moment suprème! Maar toen Van Leenderts Jèr zijn zesde kind kwam aangeven bij de burgerlijke stand, antwoordde hij op de vraag hoe het kind ging heten: Basta. Een duidelijk voornemen tot geboortebeperking.

Huisbezoek. Onvermijdelijk komen er nu verhalen over de aansporingen van de clerus als bepleiter van grote gezinnen. De hele regio kende de opmerking van dat manneke uit Melderslo die zei:De pastoor kwam op huisbezoek om met ons mam te praten over een nieuw kindje. Maar gelukkig was onze pap hem voor. Paul zal als plaatselijk onderwijzer dat slimme manneke, Pierre van Helden, wel gekend hebben.

Clerus. Maar meestal werd de pastoor met respect ontvangen. Zoals bij die vrouw aan de Mieldersebaan, die tegen een nieuw benoemde pastoor zei: Och miene lieve Hiër, ziedde geej onzen Hiër? Dan kom mar gauw ien de beste kamer! Of de missionaris uit het dorp, die bij het collecteren voor z’n missie in China tegen moeder Van der Pasch zegt dat hij 40 jaar lang in China was geweest. De hartelijke vrouw zegt dan: dan zulde wel honger hebben; kom mar gauw binnen!

Dapper. Nelly roemt nog een andere vrouw uit het dorp. Ze had van Karel het verhaal gehoord over Messe Stien die het bestond om tegen een Duitse soldaat, die landmijnen aan het leggen was, heel uitdagend te zeggen: Oh.., binde tulpe an ’t poate?… Later is dit dappere optreden bekend geworden als het verzet van Messe Stien!

Vader. Het wordt inmiddels echt donker. Iemand onderdrukt een geeuw, waarop vader zegt: Vrouw, wat hebben geej en ik? Moeder wil nog een herinnering ophalen. Maar vader zegt: Kort vrouw kort.Morgen is het weer vroeg dag. Lien komt dan om te helpen. Het vertrouwde Nieë, dankeswèrt Hanna, wo Hanna zal weer te horen zijn. Netta en Tilly zetten een paar stoelen binnen. Aan de hoge hemel valt een ster. Ik doe een wens, denkt Tilly. Vader sluit de deur, want het is nacht geworden in Wanssum…

Romé Fasol (in samenspraak met Tilly)

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 22, december 2010.

Verder lezen: