Peter Fasol heeft ook mij, als een van de familieleden die mogelijk aanvullingen of correcties op zijn notities bij het Oorlogsdagboek van Opa/Vader hebben, zijn getypte versie toegestuurd. Ik heb het dus opnieuw goed gelezen, maar ben er nog niet toe gekomen om het geheel van dagboek en notities scrupuleus door te nemen om Peter te helpen de finale versie van zijn werk te voltooien. Dat komt deels door tijdgebrek (toch gek, eigenlijk!), maar het ligt vooral hieraan dat ik serieus twijfel óf ik wel iets toe te voegen heb.

Ik was in de bewuste periode dik acht jaar, dus herinneringen aan die tijd heb ik echt wel. Maar als ik het dagboek van Vader lees, lees ik de dingen die ik óók weet: wat Vader schrijft, klopt helemaal en het is ook alles wat er te weten valt. Het lijkt of ik daarbuiten ook verder niets weet, althans niets wezenlijks toe te voegen heb. Maar, mijn belofte aan Peter is en blijft dat ik er binnenkort echt nog een keer diep in zal duiken. Wat ik nu ga schrijven, is niet een voorproefje op wat er mogelijk nog gaat komen. Ik probeer hier op te schrijven wat die nogal dramatische periode waarin het verhaal van Vader speelt, voor mij als achtjarige heeft betekend. Dat is dus geen ‘grote geschiedenis’, in de zin van de geschiedenis van de ’grote mensen’, het is niet meer dan ‘petite histoire’.

Ik was in die periode dus acht jaar en behoorde, met Tilly en Pierre (Leo viel daar, geloof ik, net buiten), tot “de kleinen”, zoals wij door Vader in zijn dagboek collectief worden aangeduid. Als deel van dat collectief waren wij ieder in ons grote gezin goed geborgen, maar ook wel anoniem. We werden goed beschermd, maar ook afgeschermd van de zorgen etc. van de volwassenen. “Ons werd nooit wat verteld”, zou je achteraf (negatief?) kunnen zeggen. We zagen en hoorden natuurlijk ook wel eens wat, maar doorvragen was er niet bij. Aan het andere end van de grote tafel, aan het hoofd waarvan Vader met Moeder zat, werd gepraat en gediscussieerd.

Omdat van daar af de kinderen naar anciënniteit ‘geplaceerd’ waren, drong het daar besprokene nauwelijks door tot ons end van de tafel. Als wij al iets opvingen, werd niet verwacht dat wij daarover onze mond open deden. Het begin van die dramatische periode waar Vader het over heeft, wordt voor mij bepaald door het onverwacht zien van een stuk of drie van die zware Duitse tanks, “Tiger” tanks heetten die, meen ik. In die tijd – het was september ’44 – ging ik vaak met vader naar “de Communie” in de dorpskerk. De dagelijkse dienst was ’s morgens om half acht, maar dat was te laat voor de werkenden; de “Mis” van half acht was voor de schoolgaande kinderen – van wie verwacht werd dat ze allemaal daar waren – en voor ouderen. Soms zag je dan ineens, onverwacht, daar ook op haar eentje een werkende huisvrouw zitten; dat was een jonge moeder die zes weken na de geboorte van (weer) een kind na de Mis besprenkeld werd met wijwater, om ‘gereinigd’ te worden.

Maar goed, ik was misdienaar en diende vaak bij die Communiedienst en liep dan samen met Vader naar de kerk. Hoe we liepen, of Vader me bij de hand nam bijvoorbeeld of onderweg met me praatte, herinner ik me jammer genoeg niet meer. Ik herinner me dat ik het altijd fijn vond. Op die bewuste morgen in september – het moet zijn geweest op de eerste ochtend na de luchtlandingen bij Eindhoven en Son – liepen we plotseling aan tegen die tanks. Die stonden verdekt opgesteld onder de bomen op het pleintje tegenover de oude “kapelanie”, het huis van de kapelaan van de parochie. De tanks maakten veel indruk op mij, met de zwart gecamoufleerde, zwijgzame en sombere bemanning erbovenop. Dat was voor mij eigenlijk het begin van de echte oorlog en van de bevrijding. Of we er thuis veel ophef over gemaakt hebben, weet ik niet, We zijn wel gewoon naar de kerk gegaan en bij thuiskomst zal Vader zijn gebruikelijk ontbijt wel van Moeder gekregen hebben: een ongekookt ei, geklopt in een mok koffie, meen ik.

Ik herinner me verder dat die eerste weken getekend werden door de spanning om het oprukkende front, dat ons uiteindelijk de echte bevrijding ging brengen. Fysiek liet de oorlog zich als eerste zien in de aanvankelijk sporadisch vallende geallieerde granaten. Ik weet nog hoe trots we tegenover vriendjes opschepten over de eerste granaatscherven die onze buitenmuur geraakt hadden. Al gauw sliepen we met zijn allen in onze huiskelder, uiteindelijk met vier en twintig man, meen ik, onder wie evacués. Overdag konden we wel naar buiten om te spelen in de buurt van ons huis; “school” was er al snel niet meer. Een levendige herinnering heb ik nog aan die ene keer dat we “in de koel” achter aan het spelen waren en geallieerde jachtvliegtuigen het Landbouwbelang een kilometer verderop aanvielen. Een paar hulzen van mitrailleurkogels kwamen bij ons in de buurt neer. Wij bleven verbaasd en rustig toekijken, dat was interessant!

De Duitse militairen die in de buurt waren, gingen meteen tot onze verbazing in dekking. Vader beschrijft nauwkeurig de gang van zaken bij de echte bevrijding, eind november, en alle (vooral aanvankelijke) ellende van de onmiddellijke evacuatie. Een moment om de bevrijding uitbundig te vieren was ons niet gegeven. Maar als kind had ik, ook toen we onder granaatvuur naar Oostrum moest lopen, toch wel steeds een feestelijk gevoel: “de bevrijding”, dit was het dus. Vreselijk vond ik alleen dat ik die eerste nacht, toen we – moeders en kinderen – moesten overnachten in de kelders van St. Anna en we alleen stoelen hadden om op te zitten, ik geen één moment bij Moeder op de schoot mocht rusten; dat mocht alleen Tilly. Dit zijn enkele van mijn persoonlijke herinneringen. Maar, of die dingen ook echt zo gebeurd zijn? Ongetwijfeld weten Paul en Netta correcties aan te brengen. Jammer dat er geen volgend nummer van deze Familiekrant meer komt.

Theo,
Nijmegen, 5 april 2013

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 25, april 2013.

Verder lezen: