<< Zondag 17 september 1944

Des zondagsavond, toen wij ons reeds te ruste hadden begeven, werd door Jan Wijnhoven op de vensters geklopt. Hij deelde ons mede, dat uit Maashees (dit dorp moest evacueren) een groot aantal mensen naar Wanssum moest evacueren. In mijn pakhuis moest ik ± 300 mensen onderdak verschaffen. Direct werd dit pakhuis in orde gebracht, stro aangevoerd enz. Te één uur middernacht ging ik in de richting van Maashees en al spoedig ontmoette ik de eerste vluchtelingen. Het regende vrij sterk. Het was een treurige aanblik, deze uittocht van vluchtelingen. Allen hadden zoveel mogelijk bagage, geladen op kruiwagens, fietsen, melkwagens, karren enz. Allen werden liefderijk opgenomen. De grootste massa zou echter eerst de volgende dag arriveren. Zodoende kreeg ons pakhuis nog geen bezetting van evacuees.

Nadat ik omstreeks 3 uur ‘s nachts mij wederom te ruste had begeven, werden wij nogmaals gewekt door Duitse Feldwebels. Deze legden beslag op ons pakhuis, één kamer, de achterkamer en autogarage. In de vroege maandagochtend arriveerde de gehele compagnie. De soldaten namen hun intrek in het pakhuis, de ‘spies’ met zijn keukenstaf en inventaris nam de achterkeuken en garage in beslag. In de beste kamer vestigde zich het compagniesbureau, de ‘Schreibstube’.

Zondag 1 oktober 1944

Om twaalf uur ‘s nachts, krijgen de inwoners van Maashees opdracht het dorp te verlaten omdat het in de frontlinie kwam te liggen. Met kruiwagens, met slechts wat eten of kleren erin, gaan de meesten naar Wanssum of Venray.

Maandag 2 oktober 1944

Het Limburgsch Dagblad publiceerde eind 1944 een bevrijdingskroniek uit het dagboek van een priester uit Venray. Op 2 oktober 1944 moesten de bewoners evacueren:

De staldeuren werden wagenwijd opengegooid. Zeugen en biggen liepen spoedig door de straten. Paarden waren er geen meer. Een lange stoet van sjouwende, duwende mensen, sommigen fietsend, bewoog zich in de richting van Geysteren-Wanssum. De voorbijrijdende Duitsers spotten met onze ellende. In Wanssum werden we zelfs gefotografeerd voor de ‘Illustrierte Blätter’.’ ’Tijdens onze evacuatietocht zagen wij in Wanssum ’n honderd jonge mannen zwoegen langs de beek; de slavenjagers met de geweren erachter.’

Dinsdag 3 oktober 1944

Mathieu: ‘Tijdens de Slag bij Overloon hadden wij inkwartiering van de keuken. De ‘spies’ was met een Friezin getrouwd. Ons huis was opvangpost voor de soldaten die uit Overloon kwamen. Ze sliepen gewoon op de vloer van ellende. ‘s Nachts hoorde je ‘poef poef’ van de granaten en de fluittoon. Ik herinner me ook Hans Barnickel, een slagerszoon uit Bamberg. We moesten altijd met hem schaken. Wel een aardige man. Hij zei: “jullie moeten later een keer naar Bamberg komen”. Als we later, op vakantie naar Oostenrijk, langs Bamberg reden zeiden we wel eens, zullen we langs gaan? Maar dat hebben we nooit gedaan. Er was ook een SS-officier ingekwartierd. Als hij binnen kwam zei niemand meer een woord, iedereen was in vijf minuten vertrokken. Ik was jarig. Op een of andere manier wist hij dat. Hij dronk veel.’

Tilly: ‘De Duitsers die bij ons ingekwartierd waren moesten op patrouille en als ze terug kwamen hadden ze een helm vol met prachtige rooie sterappelen. Daar kreeg ik er een van. Dat waren de lekkerste appelen die ik ooit heb geproefd.’

Woensdag 4 oktober 1944 >>

 

Verder lezen: