<< Vrijdag 24 november 1944

25 november ‘s morgens tegen 8 uur zien we plotseling een patrouille Engelsen de weg van Oostrum afkomen. Ze passeren ons huis. Twee Engelsen posteren zich aan onze woning. De eerste kennismaking werd natuurlijk ingeleid door het aanbieden van Engelse sigaretten. Weldra volgden enige Engelse legerauto’s met sterkere bewapening en bemanning. Ze parkeerden deze wagens op onze binnenplaats, terwijl de bemanning het huis bezetten en er een commandopost van maakten. De bevelvoerende officier beval, dat wij het huis moesten verlaten, evenzo de evacuees, die nog in de pakhuiskelder woonden. Dat was dus een tegenvaller in de eerste vreugde der bevrijding. Er viel echter niets aan te doen.

Het werd nu een hollen en draven door elkander. Ieder zocht het hoogst nodige en meest kostbare bijeen, handwagens, kruiwagens, enz. werden volgeladen en weldra verlieten wij en alle evacuees onze woning. Pas op weg zijnde vielen reeds de Duitse granaten, waardoor enigen licht gewond raakten. De weg Wanssum-Oostrum was weldra overstroomd met evacuees. Op de grens der gemeente was de eerste controle, die ons meedeelde, dat wij ons naar het Juvenaat moesten begeven. Daar aangekomen werden allen op Engelse auto’s verder getransporteerd naar het St. Annagesticht te Venray. Daar bevonden zich reeds honderden vluchtelingen, die van hieruit verder werden getransporteerd. De regeling aldaar was niet te roemen. Men zou denken dat de eerst aankomenden ook het eerst verzorgd zouden worden. Integendeel. Zij, die geen kinderen te geleiden hadden, stroomden en drongen telkens naar voren, zodra enige Engelse auto’s voorreden.

Het liep reeds tegen de avond, het was miezerig weer en zeer grauw. De grote gezinnen met kleine kinderen gingen derhalve enig onderdak zoeken in de door granaten zwaar geteisterde paviljoens van het St. Annagesticht. Die nacht vertoefden vele honderden vluchtelingen in het St. Annagesticht. In de avond werd aan ons erwtensoep aangeboden, door de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Dat viel ten zeerste in de smaak, het gaf warmte en verzadiging. Een officier der N.B.S. beval voor de goede orde, dat moeders en kinderen, ouden van dagen en gebrekkigen in de kelders moesten worden ondergebracht. De overigen vertoefden de gehele nacht in de paviljoens; merendeels waren deze gebouwen zwaar beschadigd, ramen, glas, deuren zelfs de daken waren vernield en verwoest.

Evacuees uit Wanssum. Foto uit: A.P.M. Cammaert: ‘Sporen die bleven’, 1996.

Evacuees uit Wanssum. Foto uit: A.P.M. Cammaert: ‘Sporen die bleven’, 1996.

25 november  was een niet zo zonnige en koude dag met bijna anderhalf uur zon (max. 8,6°C). De lucht was onbewolkt, er was een matige wind (3 Bft).

Netta: ‘Meteen nadat we door de Engelsen waren bevrijd moesten we binnen een uur uit het huis. In alle haast werd van alles bij elkaar gezocht, omdat het koud was dubbele kleding aan. Op een handkar, een omgebouwde melkkar waar voorheen melktuiten in pasten, werd van alles opgegooid, onder andere het kistje waar de belangrijke papieren inzaten, en een grote braadpan met daarin een enorme kogelbief die daags ervoor gebraden was. Vader pakte in een juten zak het driedelig eetservies, want we zouden toch nog moeten eten van de borden.

Onderweg is die juten zak een keer of drie van de kar gevallen en op het eind van bestemming was meer dan de helft gesneuveld. Er kon toen ook nog gelachen worden met al de ellende!’

Tilly: ‘Het servies werd in een juten zak op de kar gezet, je hoorde de scherven rinkelen. Eén van de gewonden toen we evacueerden was Pierre, die een granaatscherf in zijn gezicht kreeg.’

Pierre: ‘We waren een paar honderd meter op weg richting Oostrum en toen werd er geschoten. Ik kreeg een granaatscherf rechts op mijn voorhoofd. Had ik een stukje meer naar rechts gelopen dan was het ernstiger geweest!’

Theo: ‘Een moment om de bevrijding uitbundig te vieren was ons niet gegeven. Maar als kind had ik, ook toen we onder granaatvuur naar Oostrum moesten lopen, toch wel steeds een feestelijk gevoel: ‘de bevrijding’, dit was het dus. Vreselijk vond ik alleen dat ik die eerste nacht, toen we – moeders en kinderen – moesten overnachten in de kelders van St. Anna en we alleen stoelen hadden om op te zitten, ik geen één moment bij Moeder op de schoot mocht rusten; dat mocht alleen Tilly.’

Mathieu: ‘In St. Anna mochten we geen vuur maken, maar dat hebben we natuurlijk toch gedaan, we verrekten van de kou.’

Paul: ‘Wij moesten na een uur al evacueren, want het westelijk deel van het dorp werd frontgebied. Op 3 december was het oostelijk deel van Wanssum bevrijd. De Molenbeek bleek toch een belangrijk obstakel in Noord-Limburg. Onze evacuatie verliep als volgt: eerst een paar kilometer te voet naar St. Paschalis (Oostrum), vandaar  met Engelse legerwagens naar Liessel (ontsmetting door middel van spuiten met DDT-poeder!) en vervolgens naar St. Anna (Venray) waar we de nacht doorbrachten in de aardappelenkelder.’

Theo: ‘In mijn herinnering vielen de granaten links en rechts in het veld, maar over het algemeen niet dringend dichtbij; misschien eerder bedoeld voor de Engelse soldaten die door de velden oprukten? Verder heb ik de sterke herinnering dat wij hier al (Vader heeft het verderop over Deurne; hij zal wel gelijk hebben) allemaal van onder tot boven uit dikke spuitbussen vol met DDT werden gespoten (tegen de luizen die we volop hadden?)’

Zondag 26 november 1944 >>

 

Verder lezen: