<< Woensdag 24 januari 1945

Weer is een maand verstreken. Weldra zijn we tien weken geëvacueerd. Het leven gaat zeer rustig, ondanks de onrust der tijden en de gewijzigde levensomstandigheden. Onze dagtaak is zeer eenvoudig en is in flagrante tegenstelling met vroeger, toen de gehele dag gevuld was met zaken doen, enz. De nachtrust is zeer ruim. Daar er bijna geen beschikking is over verlichting of brandstof slapen we tot 8 à 9 uur voormiddag. Het ontbijt staat dan klaar. We eten meest roggebrood; ieder krijgt, zolang er voorraad is, beperkt vlees en boter en één of meer sneetjes wittebrood als extraatje. Na het ontbijt verzorg ik drie varkens (twee van ons, één van Peters). Daarna schil ik met mijn vrouw een respectabel kwantum aardappelen (±25 kg.). Deze bezigheid neemt de gehele voormiddag in beslag. De kinderen gebruiken eerst het middagmaal, daarna de groteren en volwassenen. Allen zijn goed gezond, alleen hebben de kinderen huiduitslag. Des namiddags zaag ik brandhout, doe soms een of andere boodschap, wandel eens naar mijn huis te Wanssum. Spoedig is het dan weer avond. De varkens krijgen weer hun verzorging. Na het avondeten wordt gezamenlijk gebeden. Vrouw Peters bidt voor. Na het bidden gaan de kinderen spoedig onder de wol. Ze slapen in de kelder, even als de ouders; de grote kinderen slapen in het westelijk deel van het huis. We hebben deze maatregel getroffen voor het gevaar van Duitse granaten. Tegen 8 uur ‘s avonds kaarten we met z’n vieren, wat een zeer goede ontspanning blijkt te zijn. Mijn vrouw en ik spelen tegen de heer Peters en vrouw.

Meermalen krijgen we ’s avonds bezoek van Tommy’s. Ze zijn zeer royaal met sigaretten. Als tegenprestatie schenken we koffie of thee, iets anders is nog zeer moeilijk te geven wegens schaarste. Rookartikelen zijn eveneens nog steeds schaars. De Tommy’s hebben echter de beschikking over veel sigaretten en verkopen deze à 10 cent per stuk. Daar dit een veel te hoge prijs is, heb ik de sigaretteninvasie meermalen tot een ‘nationale ramp’ gekwalificeerd, daar een arbeidersgezin zich deze hoge uitgave niet mag (kan) permitteren.

Bij gunstig weer gaan we ook op de werkdagen wel eens naar de H. Mis. Deze wordt opgedragen in een kippenhok, hetwelk daarvoor vrij goed is geschikt. Wie zou ooit hebben kunnen voorspellen, dat in deze oude katholieke streek, Onze Lieve Heer nog eens in een kippenhok moest wonen.

Onze jongens studeren weer, daar Jan, die nu geen tolk meer is, een beetje als leraar kan optreden. Harry is te Eindhoven, Gymnasium Augustijnen. Jan heeft een oproeping van generaal Van Nijnatten ontvangen, om te verschijnen te ’s-Hertogenbosch in verband met zijn aanmelding als vrijwilliger. Hij is voorlopig aangenomen voor opleiding officier. Nu wacht hij op het bevel tot indiensttreding.

Theo: ‘De huiduitslag waarover Vader schrijft noemden we ‘de krets’. Daar hebben we ook nog mee gesukkeld toen we alweer lang en breed in Wanssum waren. Ik herinner me dat we op school daar allemaal ons helemaal moesten uitkleden en van onder tot boven met een vettige substantie werden ingesmeerd. Die mocht er niet afgehaald worden, je moest er je kleren zo weer over aantrekken. Ik vond het afgrijselijk.’

Donderdag 8 februari 1945 >>

 

Verder lezen: