<< Woensdag 1 november 1944

Des morgens 7 uur verschenen drie Duitsers in onze achterkeuken en vroegen naar ‘Männer’. Ik zelf was toevallig aan de deur. Een viertal jonge mannen en twee van mijn zoons sliepen nog in de huiskelder. Teneinde de soldaten af te leiden ging ik naar voren en liet hun een soort ‘Ausweis’ lezen. Eén hunner ging naar buiten en kwam terug met een Feldwebel van de Grüne Polizei. Deze las mijn papier en reikte het mij over met de woorden: “Es tut mir Leid, aber ich muss Ihnen mitnehmen. Sie nehmen ein Decken, Lebensmittel, Gaffel und Löffel. Ich gebe Ihnen zehn Minuten”.

Ontzettende woorden. Zo losgerukt te worden uit de huiselijke kring van echtgenote en kinderen. Voorlopig viel aan de situatie niets te veranderen. Ik pakte een koffer, een deken en enkele benodigdheden en nam afscheid van de mijnen. Troostend voegde ik mijn vrouw toe: “Draag goed zorg voor de kinderen, schrei niet, doch wees flink en moedig. Binnen twee dagen ben ik weer terug”. Aan de waarheid van dit laatste dacht ik zelfs niet.

De soldaten voerden mij eerst naar een verzamelplaats in het dorp, waar reeds vele mannen bij elkaar gebracht waren. Na enige tijd werden zij allen onder strenge bewaking naar Blitterswijck op de speelplaats der school gevoerd. Hartroerende tonelen speelden zich alhier af. Dochters en echtgenoten trachtten haars vaders of mannen nog dekens, jassen, levensmiddelen enz. te overhandigen. Dit werd toegestaan. Eindelijk kwam het bevel, dat zij, die zich om gezondheidsredenen of leeftijd ongeschikt voor deportatie achtten, zich naar een medisch onderzoek konden begeven. Een officier bulderde echter, dat niet allen moesten uittreden, daar alsdan geen onderzoek zou worden toegestaan. Een flink aantal, waaronder onze beide kapelaans werd aan de hand van dit onderzoek op vrije voeten gesteld.

Nadat we op het schoolplein een uur hadden gewacht, moesten we oprukken en wel naar Bergerhof. Ter plaatse bekend zijnde, wisten we allen, dat deze boerderij te Blitterswijck lag. De bevelvoerende onderofficier echter, die mogelijk dit niet wist, voerde ons via Wanssum naar Bergerhof te Blitterswijck. Zodoende moesten wij allen, voor een afstand van 1 kilometer, nodeloos 7 kilometer lopen. Tevens ging deze tocht nog door bos en struikgewas. Van deze omstandigheid wist een der gevangenen (Lei Metsemakers) ongemerkt gebruik te maken en verdween in een der talrijke stellinggaten in genoemd bos. Bij Bergerhof was de uiteindelijke opstelling van de droeve stoet.

Geflankeerd door zwaar gewapende soldaten marcheerden we naar het veer te Broekhuizen. Aan het veer aangekomen werd ons door de Broekhuizer burgerij fruit, brood en tabak mild aangeboden. Ook te Broekhuizenvorst had een boer enige manden fruit langs de weg geplaatst, waaruit wij, al marcherende, een greep mochten doen. Wij werden allen tegelijk overgezet. Door de sterke stroom der Maas, die zeer hoog was, voer de veerpont snel over. Ik ademde na deze snelle overzetting weer wat geruster, want ik vreesde ieder ogenblik de Engelse ‘Typhoons’, die de laatste tijd speciaal de rivierovergangen bewaakten.

Na deze overtocht waren we al spoedig te Arcen (2.30 namiddag). Daar werden we ten zuiden van het dorp tegenover café Berghs in een open loods geleid. Hier vertoefden we, onder bewaking der ‘Grüne Polizei’, tot het vallen van de avond. Het had reeds de gehele namiddag sterk geregend, zodat onze kleren doorweekt waren.

kaart

De tram in Arcen, hier mét locomotief en personenwagons. (foto: Gennepnu.nl)

De tram in Arcen, hier mét locomotief en personenwagons. (foto: Gennepnu.nl)

Tegen het vallen van de avond kwam een goederentram met open wagons voor. In elke wagon moesten ± 30 gevangenen plaats nemen. Een locomotief was niet beschikbaar, deze was vervangen door een tractor der Weermacht. Daar deze tractor niet sterk genoeg was, vorderden we zeer langzaam in de richting Venlo.

Het werd inmiddels zwaar donker en het regende onophoudelijk. Het was dus zeer gunstig, om in een onbewaakt ogenblik van de slechts stapvoets rijdende tram in de duisternis te verdwijnen. Ik en mijn naaste medereizigers overwogen deze mogelijkheid, doch in onze wagons bevonden zich minstens drie bewakers. Daar ik mij van den beginne voorgenomen had geen enkel risico, van doodgeschoten te worden, te nemen, kwam op de reis Arcen-Venlo van een vlucht nog niets. Wel hebben uit andere wagons enigen de kans aangegrepen. Ze zagen hun poging met succes bekroond. Hun vlucht vernam ik echter pas later. Eindelijk kwamen we te Venlo (postkantoor) aan. Nu moesten we uitstappen en naar het station marcheren, alwaar we alweer in goederenwagons werden gestopt.

Het station van Venlo. (Foto: Hephorst.nl)

Het station van Venlo. (Foto: Hephorst.nl)

Een der vreselijkste nachten uit mijn leven brak toen aan. Het zal ongeveer 8 uur ‘s avonds zijn geweest. Een lange goederentrein, waarvan vele wagons in desolate toestand, wachtte op het station Venlo op vertrek. De deuren der wagons waren gesloten, in elke wagon bevonden zich soldaten ter bewaking. Meermalen was uitdrukkelijk bekend gemaakt, dat elke poging tot ontvluchting door schieten zou gevolgd worden.

De gehele dag hadden we in stromende regen gestaan, zodat we zeer vermoeid en bovendien doornat waren. Allen rilden van de kou. In de wagons was het stikdonker. Af en toe bracht het opsteken van een sigaret of pijp enige verlichting. Men liet dan de brandende lucifer geheel uitbranden, om toch maar zoveel mogelijk licht te hebben. Iedereen trachtte te rusten, doch zitplaatsen waren niet aanwezig. Dan maar liggen op de vloer, doch aldra kwam men tot de onaangename ontdekking, dat de vloer vol regenwater stond. Door de lekke wanden en daken der wagons stroomde het regenwater binnen en verhoogde de wind nog koude en rillerigheid. Traag kropen de uren voorbij. De gesprekken vlotten niet meer. Nu en dan opende er een zijn koffer en haalde er tastende en zoekende wat brood of fruit uit.

Station Venlo. (Foto: Gerarddrost.nl)

Station Venlo. (Foto: Gerarddrost.nl)

Plotseling voelden we een schok. Een locomotief werd voorgereden en weldra schoof de trein langzaam buiten station Venlo. Weldra passeerden we de Duitse grens en als bij intuïtie zongen allen als afscheidslied uit volle borst ons Limburgse volkslied. Waar zou de reis naar toe gaan, niemand wist het. Op de vraag aan een der soldaten antwoordde men: “Naar Wuppertal”. Even over de grens stopte de trein echter en het bleek, dat we nu bij station Kaldenkirchen aangekomen waren. Daar zouden we de gehele donkere en koude nacht in de trein moeten doorbrengen.

Het was nu tegen twaalven. Allen hadden hun deken omgehangen en trachtten zittende, gehurkt of liggende te slapen. Het bleek een onmogelijkheid. Na enige tijd op mijn koffer te hebben gezeten, stond ik, rillende van koude, weer op. Naast mij stond een ‘Grüne Polizei-soldaat’. Ik knoopte met hem een gesprek aan over onze ellendige toestand. Enige mijner lotgenoten mengden zich eveneens in het gesprek. Onomwonden gaf ik hem te kennen, dat dit transport iets onmenselijks was. “Wanneer men in Holland varkens vervoert, dient de verlader minstens een laag zand in de wagon te hebben”, zo zei ik hem. Uitdagend bood ik hem 20 gulden, indien hij me één bos stro om op te gaan liggen, kon verschaffen. Hij was er niet toe in staat, doch verdedigde zich met de opmerking: “Unsere Frauen und Kinder haben es noch schlimmer”.

Weer was het stil in onze akelige nachtelijke verblijfplaats. De tijd scheen wel stil te staan, zo lang leken ons deze koude uren. Onze gedachten waren thuis. Vaders dachten aan hun vrouwen en kinderen, jonge mannen aan hun ouders, broers, zusters of verloofden. Ellendige toestand! Geen warmte, gezelligheid, niets dan deze zwarte, naakte wanden der wagons, natte vloeren, harde ligplaatsen. En boven dit stille leed klinkt een voorstel: “We zijn toch allen katholieken, niemand kan slapen, laat ons gezamenlijk de Rozenkrans bidden”. Dat vond algemeen bijval. Niet om de tijd te doden; neen, deze fel bewogen dag en deze gruwzame nacht was het schoonste om te besluiten met een vertrouwvolle uiting van ons katholiek geloof. Regelmatig bad een jongeman voor en alle mannen antwoordden rustig, smekend, vertrouwend.

Vrijdag 17 november 1944

17 november 1944 was een donkere en koude dag zonder zon (max 8,4°C). De lucht was onbewolkt en er woei een matige wind (4 Bft). In de weken na 16 oktober werden vele razzia’s uitgevoerd, waarbij rond de 1000 mannen worden opgepakt. Op vrijdag 17 november (de dag dat Piet van Els wordt opgepakt), en in Sevenum op 20 november waren de laatste razzia’s, voordat de Duitsers definitief uit de regio waren verdreven. Uit Wanssum werden die ochtend de volgende mannen meegenomen: Antoon Arts, Jan Broere, Jan Claessens, Piet Deenen, Jo de Hoog, Harrie Elbers, Piet van Els, Arnold Fransen, Wim Gerrits, Bernhard Gielen, Jan Gielen, Martien Hendriks, Nol Janssen, Mathias Jenniskens, Harry Maas, Helm van Opbergen, Antoon Pijpers, Koos Reijnders, Jan Rutten, Louis Rutten, Lambert van de Sterren, H. Sijmons, A. Sijmons, Harry Vermazeren, Jan Verstralen, Grad Vissers, Piet Willems, Frans Zegers. In Arcen waren in totaal 385 mannen bijeengebracht. Na een stapvoetse rit van 5 à 6 uur in gammele open tramwagons door de stromende regen stond in Venlo de teller op 664 mannen.

Tilly: ‘Wij sliepen in de kelder. Ik weet nog dat ik boven ging kijken en Vader zat op een stoel, Moeder was boterhammen aan het maken en bij de deur stonden twee of drie Duitse soldaten.’

Theo: ‘In mijn herinnering stond ik erbij, toen mijn Vader in de woonkamer afscheid nam. Het was heel triest, Moeder huilde en dat klonk wanneer ze dat eens een keer deed, heel droevig.’

In Wuppertal, waarnaar de trein met Piet van Els onderweg was, bevond zich een ‘doorgangskamp’, waar de gevangenen geregistreerd zouden worden en waar de slavenmarkt plaatsvond. Bedrijfsleiders kozen daar de mannen die ze nodig hadden. De dwangarbeiders kwamen in heel Midden-Duitsland terecht: op een boerderij als je geluk had, of in een fabriek, waar de omstandigheden zeer zwaar waren. Van 6 uur ’s ochtends tot 6 uur ’s avonds moesten de dwangarbeiders werken, onder bewaking van gewapende soldaten. De meeste Limburgse dwangarbeiders werden in een barakkenkamp gehuisvest, met soms 40-50 man in één zaal, zonder privacy en hygiëne, en nauwelijks verwarming of eten. De fabrieken werden vaak door de geallieerden gebombardeerd. Veel mannen overleefden de omstandigheden niet.

Zaterdag 18 november 1944 >>

 

Verder lezen: