In juli 1992 verscheen, van de hand van de Provinciale Buitenland Werkgroep Utrecht, ‘Roemenië, een onderzoeksrapport’. Het is het resultaat van onderzoek van de PBW-Utrecht in de periode 1991-1992, als onderdeel waarvan in 1991 twee PBW-leden een reis naar Roemenië maakten. Het onderzoek richtte zich op ontwikkelingen die vooraf gingen aan de politieke omslag van 1989, en op de voorlopige resultaten daarvan.

Het rapport gaat, na een historische inleiding, achtereenvolgens in op de Roemeense economie, de etnische problematiek, de verhouding tussen de politiek en de kerken, en de milieuproblematiek. Tot slot volgt nog een verslag van de reis in 1991 naar Roemenië. Dit stuk zal de bevindingen uit het rapport in het kort samenvatten.

Geschiedenis

Het Roemeens is een Romaanse taal. Ondanks de geïsoleerde ligging ten opzichte van andere latijnse volken heeft men zich in cultureel en politiek opzicht altijd sterk georiënteerd op met name Frankrijk en Italië. Lange tijd is het overheerst door de Turken, de Hongaren, de Habsburgers. Na de instelling van de Dubbel-Monarchie (1867) kreeg men te maken met sterk Hongaars nationalisme. In 1878 kreeg Roemenië onafhankelijkheid onder koning Carol I. Na de Eerste Wereldoorlog werd Roemenië vergroot met o.a. Bessarabië (Moldavië) en Transsylvanië. Door een slecht functionerend politiek stelsel en armoede werd rechts-radicalisme in de hand gewerkt: al snel kwam het onder invloed van Nazi-Duitsland.

In 1947 werd het land een republiek, en werd het bestuur ingericht naar communistisch model. In het begin liepen de ontwikkelingen parallel met de buurlanden, maar in de jaren ’60 ging men steeds meer een eigen koers varen.

Economie

Ondanks protesten van de Comecon-landen ging men handelsbetrekkingen aan met het Westen. In 1972 trad men toe tot het IMF en de Wereldbank. De handel met de USSR was tot 20% van het totaal teruggebracht. Onder Ceaucescu werd de industrialisatie voortgezet. Men specialiseerde vooral op het gebied van de petro-chemische industrie.

De problemen kwamen na de val van de Sjah en de Iraaks-Iraanse Oorlog. De ruwe olie aanvower daalde sterk, wat leidde tot grote overcapaciteit. In 1980 bedrieg de buitenlandse schuld ca. 10 miljard dollar. Door te zorgen voor een groot exportoverschot wist Ceaucescu deze schuld af te betalen, echter wel ten koste van de binnenlandse voedselvoorziening. Nu ging Roemenië zich steeds conservatiever gedragen.

De landbouw werd verwaarloosd, de energie gerantsoeneerd, en geld werd gestoken in prestige-objecten. Een van deze projecten behelste vernietiging van de boerendorpen en onderbrenging van de bevolking in ‘agro-industriële centra’. De omwenteling van 1989 heeft dit proces tot staan gebracht.

De huidige regering staat voor een dilemma: de noodzakelijke hervormingen krijgen niet veel steun van de bevolking, en de resultaten van hervormingen zullen nog lang op zich laten wachten. Voorlopig bevindt het land zich in een diep dal.

Etnische problematiek

De Hongaren vormen de grootste minderheid. Zij worden op een kleine 2 miljoen geschat. In Noordoost Transsylvanië woont de grootste groep, de Szeklers, ca. 700.000 personen. Vanaf 1920 werd de roemenisering ingezet. Na de Tweede Wereldoorlog werd Roemenië toleranter: in 1952 werd een autonoom gebied ingesteld. In 1968 werd deze status echter opgeheven, en onder Ceaucescu volgde ongekende roemenisering. Dit leidde tot problemen met Hongarije. Na 1989 verbeterde hun positie, ondanks talrijke incidenten, toch.

De Duitsers in Transsylvanië omvatten ca. 360.000 personen. Ceaucescu liet hen wel naar Duitsland vertrekken tegen betaling (soms wel DM 50.000,-). Na 1989 zijn velen naar Duitsland vertrokken.

De Joden hebben altijd te maken gehad met een sterk antisemitisme. In Roemenië zouden er nog 43.000 zijn en in Moldavië nog eens 90.000.

Deze vervolging gold ook voor de Zigeuners. Van 243.000 in 1930 zijn ze nu teruggebracht tot 64.000, deels ten gevolge van gedwongen assimilatie.

De Republiek Moldavië heeft problemen met Russische en Gagaoezische minderheden. Voorlopig is hierdoor aansluiting bij Roemenië onwaarschijnlijk.

Politiek en kerk

Naast het Front voor Nationale Redding (FSN) van Iliescu, dat de absolute meerderheid heeft, bestaan ook enkele kleine partijen. De Christen Democra¬tisch Nationale Boerenpartij (PNT-CD) werd in 1989 opgericht door een fusie tussen de Christen Democraten en de Nationale Boerenpartij. De partij heeft een Christen-Democratische moraal, die zich uit in het invullen vban een eigen stuk verantwoordelijkheid ten opzichte van Roemenië. Er bestaan officieuze banden met de Hongaarse UDMR.

De grootste kerk in Roemenië is de Orthodoxe Kerk. Hierbij is ca. 80% van de bevolking aangesloten. De tweede is de Rooms-Katholieke Kerk, waarvan veel etnische Hongaren lid zijn. De overige kerken zijn kleinschalig, zoals de Griekse Kerk en de Baptistengemeente. Verboden zijn de Jehova’s Getuigen, Nazarenen, de Brethren Kerk en het ‘Leger van de Heer’ (een afsplitsing van de Orthodoxe Kerk). Godsdienstvrijheid in Roemenië is niet helemaal wat hieronder in het Westen verstaan wordt.

Milieu

De communistische periode heeft o.a. gezorgd voor een enorme milieuvervuiling. Hulp vanuit Nederland richt zich met name op versterking van het milieumanagement. Hiervoor heeft VROM in 1991 fl. 200.000,- uitgetrokken. Met een aantal Oosteuropese landen zijn samenwerkingsovereenkomsten afgesloten, ook vanuit lagere overheden en het bedrijfsleven.

Verschenen in het blad van het CDJA provincie Utrecht, eind 1992.

Verder lezen: