Een eigenwijs kereltje slaat terug

Dat was even een kleine sensatie op 15 december! Op internet was te lezen dat er een onbekende brief van Bomans ontdekt zou zijn. Bij toeval nog wel, want de ‘ontdekker’, publicist en antiquaar Peter Fasol, was eigenlijk op zoek naar iets heel anders: een verhaal dat een oom van hem in 1947 of ’48 gepubliceerd had in het tijdschrift Kompas.

sprookjesBij de KB staan ze voor niets, dus succes kon niet uitblijven. Bladerend in “twee enorme, meer dan 10 centimeter dikke banden op tabloidformaat”, boordevol stoffig, “vergeeld en al brekend krantenpapier” stuitte hij per toeval – maar nee, ik zal hem zelf aan het woord laten (1): “Ik was een uurtje volledig in 1947. Op zeker moment bladerde ik langs een recensie van de ‘Sprookjes’ van Godfried Bomans, die dat jaar nieuw waren verschenen. En één nummer verderop – 2 augustus 1947 – stond daar wéér de naam van Bomans, nu onderaan een artikel. De schrijver reageerde op de in het vorige nummer gepubliceerde recensie, vanwege twee fouten ‘die ik wel móet signaleren, wil ik niet voor uw lezers als een eigenwijs en zelfverzekerd kereltje te boek staan’. En besluit met de vaststelling: ‘…hier was een criticus aan het woord, die precies het omgekeerde deed van datgene, wat de meeste beoordelaars doen: hij las het boekomslag vluchtig en foutief, het boek zelf grondig en juist. Dat gebeurt niet iedere dag.’ (…) Na deze mooie ontdekking, een klassiek geval van serendipiteit, waarvan ik even moest bekomen, bladerde ik verder.” Ook was de weblogger zo vriendelijk de tekst van Bomans’ ‘brief’ op zijn weblog te publiceren, zodat we nu, ruim 65 jaar later, konden lezen wat de schrijver toen op z’n hart had. Beter laat dan nooit!

Diverse media, bijvoorbeeld het veelgelezen nu.nl en de Facebook-pagina van het Bomans Genootschap, namen het nieuws kritiekloos over. “Brief van Bomans ontdekt”, kopten zij enthousiast.

Hoog tijd dus voor een kritische kijk op de zaak. Is de tekst nieuw? Is het eigenlijk wel een brief? Waar gaat het precies om? Is de verdediging van Bomans steekhoudend? Wie heeft het gelijk aan z’n kant? En vooral: wat zegt dat over Bomans’ schrijverschap? Laten we daarom eerst eens kijken naar wat recensent en schrijver nu eigenlijk gezegd hebben.

In haar peilloze wijsheid heeft de redactie van dit blad besloten de stukken volledig in dit nummer af te drukken, zodat u zelf kunt bepalen wie er volgens u gelijk heeft in deze mini-pennenstrijd. U kunt nu beslissen of u die stukken eerst gaat lezen en daarna (hoop ik) het vervolg van dit artikel, of omgekeerd: dat kan ook. Aan u de keus.

*

Van een ontdekking, van iets nieuws dus, is volgens mij geen sprake. De publicatie staat al vermeld in de bibliografie in de Werken, zij het met een onvolledige datering: “ca 1947” staat daar. (2) Dankzij weblogger Peter Fasol kunnen we nu noteren: 2 augustus 1947.

louis de bourbonIk begin met de recensent, mr. Louis de Bourbon (foto) (3). Logisch, want we kunnen pas iets over de waarde van Bomans’ reactie zeggen, als we precies weten wat die recensent eigenlijk beweerde. Welnu, ik heb bij de KB die recensie van De Bourbon opgevraagd en jawel, ze stuurden me de tekst ervan meteen toe. (4)

Tussen alle lovende woorden over Sprookjes door boog zich “nu en dan (…) een schaduw over mijn vermaak, die ik niet mag nalaten te signaleren”, aldus de recensent. Hij vindt de toon van de korte samenvatting op de bandomslag “minder prettig” en rekent dat Bomans aan, omdat zulke samenvattingen “gemeenlijk” door de auteur zelf samengesteld worden. Of dat in dit geval ook zo was, heeft hij blijkbaar niet gecontroleerd. Deze aanprijzing, die sympathie voor het boek in kwestie wil wekken, dreigt het tegendeel ervan te bereiken, aldus De Bourbon. Hij ergert zich namelijk aan de passage waarin staat dat de auteur in vergelijking met Andersen “aan het sprookje een nieuw en speelser accent” geschonken heeft. Die vergelijking van Bomans met Andersen, toch een van de toppers van de wereldliteratuur, vindt hij ongepast. “Deze toon schijnt karakteristiek voor de geesteshouding van de jongere schrijvers in ons land, een geesteshouding, die niet direct overvloeit van christelijke bescheidenheid.” Tot zover De Bourbon.

Al een week later verschijnt Bomans’ antwoord. (5) Met kracht van argumenten brengt hij naar voren (1) dat hij die tekst niet zelf geschreven heeft en (2) dat De Bourbon het niet goed gelezen heeft. Er staat niet dat hij, Bomans, de sprookjes van Andersen overtroffen heeft (zoals De Bourbon denkt) maar dat hij z’n eigen accenten legt, zoals elke schrijver of kunstenaar in het algemeen. Zijn sprookjes zijn speelser dan die van Andersen en hebben een eigen accent, maar dat heeft niets met ‘beter’ te maken. Tot zover Bomans.

Wie heeft gelijk? Daarvoor moeten we heel precies kijken naar de flaptekst die volgens Bomans samengesteld werd door Harry Prenen. (6) Zijn naam staat er niet onder; dat is ook niet de gewoonte, maar er lijkt geen enkele reden aan diens auteurschap te twijfelen. Bovendien doet de wat moeizame stijl me beslist aan Prenen denken.

Wat schrijft hij over de sprookjes? Ik citeer het relevante gedeelte: “Zij zijn niet leenplichtig aan Andersen, den schijnbaar onvermijdelijken meester, en trachten niet na te volgen, wat van nature aangeboren, onnavolgbaar is, zijn mengeling van onschuld en kwetsbaarheid, bitter en goedgeloovig tegelijk. Zij deden beter en zijn op hun manier onnavolgbaar door hun geheel eigen humor, hem op zijn beurt van nature aangeboren en waardoor hij aan het sprookje een nieuw en speelscher accent geschonken heeft.”

Geen sterke tekst, deze aanprijzing als geheel. De zinnen lopen niet soepel. Zijn woorden maken de indruk geen tijd voor rijping gekregen te hebben (let op lelijke formuleringen als ‘aangeboren en waardoor‘). Had de uitgever haast? Dat wreekt zich.

Van cruciaal belang zijn de drie woorden “zij deden beter”, die door De Bourbon letterlijk genomen worden. Hij leest iets als ‘zij (die sprookjes van Bomans) zijn beter’. Het zou best kunnen dat Prenen iets anders bedoeld heeft, namelijk dat de sprookjes er goed aan deden Andersen niet te imiteren en dat dat dus ‘beter’ is dan navolging, maar dat staat er allemaal niet: als welwillende lezer leg ik dat er nu zelf even in. De formulering van Prenen is nogal ongelukkig uitgevallen. De Bourbon heeft op dit punt gelijk, lijkt mij: ze suggereren inderdaad dat Bomans ‘beter’ is dan Andersen. Bedrijfsongevalletje! En Bomans zelf in zijn verdediging? Hij noemt die woorden niet. Hij vermijdt ze zorgvuldig en juist dat is verdacht.

Al met al een eigenaardige zaak, die Kompas-bijdrage van Bomans, maar het wordt nog vreemder. Wat voor soort tekst is het eigenlijk? De ondertitel luidt ‘Nawoord van den schrijver’, maar die aanduiding ‘nawoord’ kan ook door de eind- of opmaakredacteur bedacht zijn. Dat afstandelijke “den schrijver” wijst in die richting. Verder kleedt Bomans z’n tekst aan als brief aan de “zeer geachte Heer Hoofdredacteur”; aan het einde herhaalt hij die deftige aanspreking, zij het zonder hoofdletters (maar wel met “mijnheer”!).

Toch is het eigenlijk geen brief, althans niet in de zin van een persoonlijk schrijven van de een aan de ander.

Ingezonden brief dan maar? Bij die term denk je toch eerder aan een bijdrage van een lezer, niet van degene wiens boek besproken wordt. Het is meer een antwoord van Bomans op een recensie waarin enkele zaken staan die naar zijn mening onjuist zijn: de tekst die niet van hem maar van Prenen is, en de al dan niet juiste lezing van Prenens woorden.
Hierover nadenkend zou ik het zelf liever een repliek of verweerschrift willen noemen: een stuk waarin iemand zich verdedigt tegen een kritiek die op hem geuit is.
Als het om literaire recensies gaat is dit journalistiek gezien een discutabele tekstsoort, en wel om minstens drie redenen:

  1. De schrijver laadt heel gauw de verdenking op zich alleen aan z’n eigen portemonnee (of die van z’n uitgever) te denken; z’n boek moet immers verkocht worden en wat hij ook zegt, hoe correct ook op zichzelf, men zal gauw denken: het is hem alleen om het geld te doen;
  2. De vrijheid van meningsuiting voor de recensent: al zou hij grote onzin debiteren, het is en blijft toch z’n goed recht om z’n mening te geven;
  3. Bovendien kom je hier al gauw op het terrein van de subjectieve meningen, zeker als het gaat om literair werk. Als een recensent een boek slecht vindt, dan kan het vaak heel lastig zijn om met deugdelijke argumenten aan te tonen dat de ander het ‘fout’ heeft.

Ongetwijfeld wist Bomans dit alles zelf ook. Hij is daarom dan ook terughoudend in z’n antwoord en beperkt zich wijselijk tot de twee ‘fouten’ van De Bourbon. Hij verdedigt zich tegen wat hij ziet als onbegrip van de kant van de recensent en wil dat blijkbaar niet zo maar laten passeren.

Waarom eigenlijk niet? Omdat we hier, in 1947, een zelfbewuste auteur zien wiens literaire carrière, die onderbroken werd door de oorlog, nu echt goed moet gaan (her)beginnen. Hij heeft zich op de Volkskrant en Elsevier gestort en werkt, stel ik me voor, vol vuur aan z’n literaire carrière. In latere jaren zou hij om zulke zinnetjes van recensenten gelachen hebben, maar nu nog niet. Hij doet aan wat we tegenwoordig imago-bewaking zouden noemen en wil daarom niet als “een eigenwijs en zelfverzekerd kereltje” te boek staan.

het vensterMisschien (maar ik ga nu speculeren) speelt er ook nog wat oud zeer mee. We kennen de betreffende recensent, Louis de Bourbon, immers als een van de kopstukken rond het literaire tijdschrift Het Venster (1931-1936). (7) Al vele jaren eerder, begin jaren dertig, werd er werk van Bomans in opgenomen onder het pseudoniem Majorick, maar – zeer ten onrechte – er werd ook werk in geplaatst dat van ‘Rob Delsing’ was. In latere jaren werd dat aan Bomans toegeschreven, ook door de samenstellers van de Werken. (8) Deze Delsing, al in de jaren dertig NSB-lid, maakte in de oorlogsjaren zeer verkeerde keuzes. Of – en hoe – Bomans op deze Delsing-publicaties reageerde weet ik niet, maar leuk zal hij het niet gevonden hebben. (9)

Bekend is ook dat hij het literaire geluid van Het Venster veel te somber vond: dat was niet de omgeving waarin hij zich thuis voelde. Ooit maakte hij zich in een ingezonden stuk vrolijk om de droevige sfeer die er in de burelen van dat tijdschrift zou heersen. “Godfried Bomans groet u”, schreef hij aan de redactiesecretaris Dirk Verèl, “Hij heeft Het Venster ontvangen. Ja meer nog, hij heeft het gelezen. Dat is geen geringe zaak. Voorwaar neen! Want telkens als Godfried Bomans Het Venster leest – hij leest het sinds de oprichting, was het eerste en tweede jaar zelfs een geacht medewerker – moet hij al zijn aangeboren optimisme in het geweer roepen tegen de berustend-droefgeestige levensopvatting welke op dit dubbel gesteven Japansch papier zijn vroolijk huis wordt binnengedragen.” (10) Zou het kunnen dat De Bourbon dit alles nog niet vergeten is? Dat was in 1935.

We zijn inmiddels in 1947, maar toch, zulke zaken kunnen lang doorwerken. Het lijkt me niet onmogelijk dat we zijn nogal zure en wel erg generaliserende opmerking over het gebrek aan “christelijke bescheidenheid” bij “de jongere schrijvers in ons land” in dit kader moeten zien.

Nog andere factoren zouden een rol kunnen spelen op dit persoonlijke vlak.

Daarbij denk ik aan de kwestie van de (echte of vermeende) koninklijke afstamming van de familie van De Bourbon. Een van zijn voorvaderen zou de zoon zijn van de laatste Franse koning, Lodewijk XVI. Als kroonprins (dauphin) zou hij uit de gevangenis gesmokkeld zijn, waarna hij verder door het leven ging onder de naam Karl Wilhelm Naundorff. Zijn nazaten werden vele jaren later gemachtigd de naam De Bourbon te blijven voeren. Bomans schreef enkele malen over deze kwestie, bijvoorbeeld in ‘Drama om een koningskind’ (11). Dit artikel is een zeer evenwichtig geschreven betoog waarin hij voors en tegens tegen elkaar afweegt; voor hem slaat de balans duidelijk door in het voordeel van de Naundorffs. Door die stellingname van Bomans kan deze zaak geen rol spelen, lijkt mij. Hun gezamenlijke Venster-verleden lijkt me veel meer voor de hand te liggen als mogelijke oorzaak van lichte irritaties. Vele jaren later wees nader onderzoek overigens uit dat deze Naundorff geen nazaat was.

Terugkijkend op de hele zaak kom ik tot de volgende conclusies. Al met al vind ik dat De Bourbon meer gelijk heeft dan Bomans. De flaptekst is op enkele punten zeer ongelukkig geformuleerd, al zal dat weinig te maken hebben gehad met een tekort aan (christelijke) bescheidenheid. De Bourbons reactie is terecht, maar is op zijn beurt ietwat overtrokken, wat het gevolg zou kunnen zijn van oud zeer. Daarna slaat de wet van actie en reactie onverbiddelijk toe: ook Bomans reageert wat overdreven. Zo’n repliek, nawoord als u wilt, was toch eigenlijk niet nodig. Hij was te bang om al aan het (tweede) begin van z’n carrière als een eigenwijs kereltje gezien te worden. Juist daarom geeft hij ruim baan aan zijn zelfverzekerdheid: hij treedt zelfbewust op, maar voor een zaak die dat eigenlijk niet waard was. Bovendien danst hij – dat valt me tegen – om de hete brij heen, want over de drie gewraakte woorden zegt hij niets.

Weblogger Peter Fasol deed iets wat minder spectaculair is dan ontdekken: hij blies – per toeval – het stof weg van iets wat we uit het oog verloren waren. Wie immers kende de inhoud van dat stuk? Niemand, of bijna niemand, want sinds 1947 was de tekst – voor zover ik weet – niet meer gepubliceerd. De gedrukte woorden lagen zielig weg te kwijnen in een duister hoekje; niemand keek meer naar ze om. Het stof der jaren stapelde zich op. Lees ons, lees ons toch eens, riepen ze, maar niemand hoorde het, tot Peter Fasol toevallig eens langskwam. Hij pakte z’n stofdoek en verrijkte de Bomansstudie met twee interessante teksten die het waard zijn bewaard en bestudeerd te worden. Al het bovenstaande kunt u beschouwen als een eerste aanzet daartoe.

***

Noten

1 De citaten zijn ontleend aan http://www.fasol.nl/ontdekking-van-een-brief-van-bomans/ d.d. 15 december 2014.
2 Chronologische bibliografie, Werken VII, p 661.
3 Foto: ontleend aan website Stichting Jacques van Mourik. Meer informatie over De Bourbon als schrijver vindt u onder andere op zijn auteurspagina bij de DBNL.
4 Louis de Bourbon, ‘Sprookjes voor grote mensen. Kostelijk boek van Godfried Bomans’. In: Kompas, 26 juli 1947, p 12.
5 ‘Godfried Bomans’ sprookjes. Na-woord van den schrijver’. In: Kompas, 2 augustus 1947.
6 Met dank aan Jan Henry, die me een kopie van de originele flaptekst toestuurde.
7 Nadere informatie over Het Venster vindt u in Literaire tijdschriften. Van 1885 tot heden van Siem Bakker, Amsterdam 1985, uitg. Synthese, p 180-185.
8 Werken VII, Bibliografie, p 651.
9 Zie over dit alles mijn boek Drukke lezers, art. 16 (Frank van der Voordt), p 113 e.v.
10 ‘Open brief aan Het Venster’. In: Het Venster (1935) 8/9 (okt./nov.): 2-4. Werken VII, p 31. Zie hierover ook de Bomans-biografie van Michel van der Plas, blz 156-160.
11 Werken VII, p. 97 e.v.

Omslagtekening Sprookjes: H.L. Prenen

Dit artikel van (de deze zomer plotseling overleden) Bomans-kenner Jac Aarts verscheen in Godfried, jrg. 37, nr. 1, maart 2015. Overgenomen met toestemming van het Godfried Bomans Genootschap.

Verder lezen: