Op een leeftijd dat veel van haar kinderen zich 30 jaar later als vanzelfsprekend bezig zouden houden met activiteiten als tennissen, “fietsvakanties” of  slopende bridge-marathons besloot Oma (Hanna) van Els in 1967 – al snel nadat haar laatste kind getrouwd en wel het ouderlijk huis verlaten had – uit haar grote vrijstaande huis met de ontelbaar vele kamers in Wanssum te trekken en te verhuizen naar het bejaardenhuis (“Huize”) Beek en Bos in Heythuysen.

Wij zouden nu niet goed meer begrijpen waarom een 74 jarige in redelijk goede gezondheid (o.k., het lopen ging niet zo best meer; er was iets onduidelijks met haar tenen, voeten of heupen) er vrijwillig voor kiest om in een klein kamertje temidden van andere ouden van dagen de rest van het leven door te brengen, maar Oma leek hier helemaal gelukkig en tevreden mee. Alles werd nu voor haar verzorgd, zij hoefde nergens meer naar om te zien en bovendien woonde haar oudste dochter Nelly op 5 minuten fietsafstand.

Ik kan haar kamer nog zó uittekenen: in het midden de tafel met smyrna kleed en 4 stoelen waarvan er in elk geval één niet op een normale manier bereikbaar was, een 1-persoons bed van wit skai met groene sprei en tegen het hoofdeinde daarvan aangeklemd de uit Wanssum meegenomen fauteuil van roze pluche, met allengs vettig geworden en door haarzelf kaal gekrabde armleuningen. Een klein dressoir met wat koffieservies en (neem ik aan) de oorlogsboekenserie van Lou de Jong; en verder alleen een minuscuul keukentje waar in elk geval niet in gekookt kon worden: de 3 maaltijden per dag werden in grote haast en met altijd dezelfde plichtplegingen door het verzorgend personeel binnengebracht.

Oma trof het overigens wél, met een kamer die heel strategisch uitkeek op de oprijlaan van het bejaardenhuis zodat ze nauwgezet kon bijhouden wie er (meestal op de zondagen), vóór wie op bezoek kwam. In de zomer kon het behoorlijk warm worden in het kamertje onder het platte dak; “dan smiet ik die deur los” was Oma’s doeltreffende oplossing voor dit ongemak.

Voor mij was het een feest dat Oma zo dichtbij woonde. Elke zaterdagochtend ging ik haar opzoeken, waarbij ik een tot de draad versleten weekendtas meenam met de schone was die door mijn moeder gedaan werd (overigens niet veel meer dan een stel “rijbokse”) en waarschijnlijk ook wat oude kranten en tijdschriften. Een vertrouwd en veilig punt in mijn week. Als je het bejaardencentrum binnenkwam sloeg een walm van doorgekookte bloemkool en sudderlappen je tegemoet. In de hoek van de wachtruimte beneden zat meestal een stokoude magere dame voor wie alle kleinkinderen bang waren omdat ze in een monotone dreun iets als “Kom eens even hier.. kom eens even hier…” voor zich uit murmelde. Ook het gebruik mogen maken van de (bijzonder trage) personenlift was een feest voor ons.

Als ik Oma’s kamer betrad was ze al bezig om een pak speelkaarten uit het dressoir te pakken want er moest en zou gekaart worden. Tijdens het kaarten (Amerikaans Jokeren?) werden de wekelijkse nieuwtjes uitgewisseld. Kaarten… ook als de ooms en tantes bij ons op bezoek kwamen werd er gekaart… als in een ritueel, als smeermiddel om de gesprekken tussen de familieleden op gang te krijgen, leek het wel.

Voordat ik naar huis ging mocht ik wat overgebleven fruit (meestal bruin geworden bananen) meenemen en steevast sloot Oma mijn bezoek af met haar aanbod “Kriegt nog mar èn snuupke”… doelend op een blikken trommeltje dat oude, niet meer smakende, toffees of wit uitgeslagen After Eight chocolaadjes (“Eifter Ajt”) bevatte. Ik herinner me ook nog goed dat bij haar “geschravel” door de kamer haar wandelstok onvermijdelijk op de grond of ergens tegen aan viel…

Erg sociaal in de omgang met medebewoners was Oma niet; Echte vriendinnen in het huis had ze meen ik niet en ik herinner me dat ze sommige medebewoners slechts met tegenzin groette en anderen zelfs trachtte te ontlopen omdat ze geen zin in een praatje had.

Wat deed ze zo dan de hele dag? We weten het niet. Veel lezen en televisie kijken in elk geval. Het was de tijd van de eerste “soap” series zoals The Hammond Brothers (met de hoofdpersonen “Briejan en Marij” zoals zij hun namen – onverbeterlijk – uitsprak), Merijntje Gijzen, De Kleine Waarheid, etc. Het was ook de tijd van de “Operatie Beddensprei”… voor elk kleinkind werd (in een kleur naar wens) een hippe katoenen beddensprei gehaakt. Ik moet de mijne (paarse!) nog steeds ergens bewaard hebben. Oma leefde van bezoek naar bezoek van haar familie; hoe vaak zijn haar kinderen en kleinkinderen niet langs geweest in Beek en Bos?

In de loop van de jaren ’80 kwam er voor Oma een veel grotere kamer beschikbaar in het nieuwe bejaardenhuis van Heythuysen. De kamer was zonder meer luxer, ruimer en beter aangepast aan de eisen van de tijd. Toch heb ik de indruk dat zij hier nooit meer heeft kunnen aarden. Het was alsof zij het piepkleine kamertje waar zij zich van stoel naar tafel en van tafel naar fauteuil kon laten “vallen” miste, en niet meer gelukkig kon worden in deze nieuwe vreemde omgeving.

Toen ook nog eens eind 1985 Nelly veel te vroeg overleed ging het achteruit met Oma en leek zij haar levenslust en -kracht langzaam te gaan verliezen. In januari 1987 hebben wij afscheid van haar moeten nemen.

Sindsdien heb ik het zonder haar snuupkes moeten doen.

Thijs

Verschenen in de Familiekrant Van Els, nr. 16, april 2007.

Verder lezen: