Met mijn schouders
– de blik omlaag –
groet ik de bomen
achter mijn rug.

Waar wind wervelend
handjes laat zwaaien;
verdord vaarwel
de lucht in ontvoerd.

Ze vliegen vóór me uit –

– sneeuw zal komen waar ik loop.

Pas daarna,
als ontspringend groen
mijn ooghoek beroert,
ga ik weer omkijken.

Verder lezen: