De Junior-Nieuwsbrief is interessante lectuur. Niet alleen hoor je en zie je wat van de jongeren, maar het lezen roept ook herinneringen op.

Zo bijvoorbeeld de Moppen. Vroeger thuis (dus zo in de dertiger jaren) hadden we een stichtelijke missiekalender. Daarin stonden niet alleen verhalen over hoeveel negertjes, Javaantjes en Papoea’s katholiek waren geworden (ziekenverzorging, scholen en ook tabak speelden een rol), ijverig aangespoord door Missiezusters en –paters. Iedere dag (of was het eens per week?) stond er op zo’n kalender (een soort scheurkalender) een grap. Die las ik uiteraard, knipte die uit en plakte hem vervolgens in een schrift. Dat schrift noemde ik “de Moppentrommel”, een en ander tot sarcastisch vermaak van de diverse broers. Waar dat schrift gebleven is, weet ik niet. Laten we maar aannemen dat het tijdens de maandenlange oorlogsevacuatie is kwijt geraakt.

Eén mop (of raadsel) herinner ik me nog zeer goed. Die was niet van de kalender, maar van mijn Vader. Die mop ging als volgt. Vader legde ter linkerzijde op tafel een massa bonen en op flinke afstand daarvan ter rechterzijde één boon.
“Hoe heet die ene boon?”, luidde de vraag. Wist ik natuurlijk niet (ik was toen een jaar of tien, denk ik).
“Napoleon”, was dan het antwoord.
“Napoleon?”.
“Ja, natuurlijk, Napoleon Bonaparte (: boon apart!)”. Hè, hè, enige historische uitleg was wel nodig. Maar vergeten ben ik dat niet. Ik heb zelfs kortgeleden een sociëteitsgenoot met stomheid geslagen! Hij wist het antwoord ook niet. En dat voor een 70-jarige!

Op zo’n plattelandsdorp als Wanssum destijds was de omgang met dieren toch enigszins anders dan heden ten dage, in het algemeen. Poezen bijvoorbeeld waren katten, die vooral nuttig waren voor de muizen- en rattenbestrijding. De jacht op hazen, konijnen, dassen en vossen was algemeen geaccepteerd (al vonden wij wel dat de koster er geen bliksem van kon). Huis aan huis werd een varken geslacht, om op te eten natuurlijk. De slager kwam zelfs aan huis, gewapend met touw en scherpe messen. Het varken gilde verschrikkelijk en het bloed spetterde geweldig, maar werd zoveel mogelijk opgevangen om er bloedworst van te maken en balkenbrij. En toch was het allemaal lekker! Die huisslachtingen zijn lang vervlogen tijd, geloof ik.

Paprika’s kenden wij toentertijd niet, maar nu vind ik ze gebakken wel lekker; trouwens ook de kleine harde spruitjes! Vroeger waren ze dikker en niet zo lekker, vond ik toen.

Zuid-Afrika en Frankrijk zijn mooie landen, ongetwijfeld. We zeggen het met gemak, maar ze zijn wel erg groot. In een klein land als Nederland zijn er onderling grote verschillen, des te meer in die grote landen, dunkt mij.

Het is leerzaam en gezellig in de vraaggesprekken te lezen wat de jongelui zoal doen: hun liefhebberijen, scholen, vakken, boeken, muziek, enz.. Toch allemaal anders dan vroeger, misschien ook wel beter.

Grieks was op het gymnasium nooit mijn fort, laat staan mijn lievelingsvak. In de eerste klas kreeg je Latijn, in de tweede begon je met Grieks. Ik herinner mij nog dat toen ik van één naar twee gym ging, ik aan mijn oudere broer Harrie, die er toen al een jaartje Grieks had op zitten, vroeg of Grieks alleen maar betekende dat je je Nederlandse verhaal met Griekse letters schreef. Harrie antwoordde dat Grieks toch wel een beetje moeilijker was. En dat is nog altijd zo en ik zou het nog steeds niet kunnen, Tosca!

Hoeveel talen ken je ondertussen, Robin? Ik begon met Wanssums; Nederlands leerde ik vanaf 6 jaar op de toenmalige lagere school en later op het gymnasium Latijn, Grieks, Frans, Duits, Engels en natuurlijk Nederlands. Maar in alle dialecten en talen zoemen en steken de vervelende muggen hetzelfde.

Genève, Anne. Voor het eerst kwam ik in die mooie dure stad in 1965 of 1966, gedurende drie weken voor de vergadering van de Internationale ArbeidsBond (meestal aangeduid als ILO = International Labour Office). Een beetje ingewikkeld: ILO is een internationale organisatie van 146 (?) lidstaten. Nederland is daar ook lid van; het lidmaatschap wordt uitgeoefend door het Ministerie van Sociale Zaken. In dat jaar was het onderwerp “coöperatie” geagendeerd. Ik was toen secretaris van de Nederlandse Nationale Coöperatieve Raad, een zelfstandige overkoepelende organisatie van de coöperatieve bedrijfswereld. In tegenstelling tot andere landen kende Nederland geen ambtelijke dienst.

Op verzoek van het genoemde Ministerie verrichtten wij het voorbereidende werk en voor de behandeling ter vergadering in Genève werd ik aangewezen als adviseur van de Minister voor het agendapunt “coöperatie” en wel in de rang van Directeur-Generaal.

Voor elk agendapunt ging een adviseur mee en als men dan bedenkt dat er behalve een ministeriële delegatie ook een werkgevers- en een werknemersdelegatie deelnamen met idem zoveel adviseurs, kan men zich indenken welk een massa vergaderaars daar bijeen kwam.

Voor mij gelukkig ging als adviseur van de werkgeversdelegatie een oudere goede kennis naar de ILO-vergadering (ik geloof voor de visserij); hij was al vaker in Genève geweest. Ik ging naar hetzelfde hotel; we bezochten altijd goede restaurants en omstreeks 23 uur ontmoetten wij de ambtenaren in een café tegenover het station, die wij dan trakteerden op een biertje en zo.

Nadien ben ik zakelijk nog diverse malen in Genève geweest, ook vaak in Zürich, Montreux, Lausanne en in 1968 privé in Thun, waar wij logeerden in een hotel-restaurant dat geen alcohol houdende dranken schonk. (Toen wij die reis reserveerden, wist ik dat niet.) Een oude mejuffrouw die daar ook logeerde, begroette ons steeds zeer vriendelijk, waarbij Diederik dan sprak over ‘de alcohol-vrije juffrouw’.
Ik wil maar zeggen dat ik de Junior-Nieuwsbrief met veel belangstelling lees.
Mathieu
Zoetermeer, september 2006

Verschenen in de Familiekrant Van Els, nr. 15, oktober 2006.

Verder lezen: