Het DGBEB heeft onderdak gevonden bij ons ministerie, het is u uiteraard niet ontgaan. Uw columnist heeft zich geprobeerd te verdiepen in de ontstaansgeschiedenis van de BEB, dat al voor de oorlog bij EZ in de steigers werd gezet door minister Verschuur. Kort na de Tweede Wereldoorlog brak er een onvervalste interdepartementale stammenstrijd uit over de positie die BEB zou moeten hebben. Het pleit werd in 1946 beslecht met een statuut. Ik stuitte op een dissertatie over dit ambtelijk gevecht, die volgens een recensie ‘Belangrijk. Plichtsgetrouw. Degelijk. Precies. Nuttig. Uitputtend, zéér uitputtend’ was. Ik heb hem dan ook niet helemaal gelezen.

Wat ik wél vond, was een bloemrijke passage uit een nota van 4 augustus 1945: die lijkt zó een bevestiging van diplomatenarrogantie, dat het onvoorstelbaar is dat hij werd geschreven door de minister van Handel en Nijverheid zelf, Hein Vos:

‘Het is nu eenmaal een feit, dat wij bij het contact met vreemde Regeeringen hebben rekening te houden met bepaalde gevestigde opvattingen, die zijn, dat internationaal contact nu eenmaal een zaak is van diplomaten, een internationale kaste van personen, die in de verschillende landen uit gelijksoortige kringen worden gerecruteerd. Er zijn landen (zoals Tsjechoslowakije om maar een voorbeeld te noemen) waarvoor dit niet meer opgaat, maar voor andere landen blijft dit onverminderd gelden. Men zal daarom in het buitenland steeds gaarne het liefst te maken willen hebben met een diplomaat als hoofd eener Nederlandsche delegatie, naast wie dan uiteraard ambtenaren van technische Departementen als leden der delegatie kunnen optreden. Treedt als hoofd eener delegatie iemand op, die niet tot deze kaste behoort, wiens kennis van de Fransche of Engelsche talen niet verder uitgaat dan die van een HBS-scholier, wiens manieren zich door onvormelijkheid kenmerken (praten met een sigaar in zijn mond, met zijn handen in zijn broekzakken, achterover in zijn stoel leunen), dan zal zulks een handicap zijn. Men zal dit wel van den leider van een Tsjechoslowakische en eventueel zelfs van een Amerikaanse delegatie nemen, omdat men van die niet anders had verwacht, maar niet van den leider van een Nederlandsche delegatie, evenals wij er aanstoot aan zouden nemen indien een Britsche delegatie onder zoo iemand zou staan. (De Britten zullen zich er echter wel voor hoeden een delegatie niet onder de leiding van iemand met een old schooltie te stellen).

Minister van Buitenlandse Zaken Jan Herman van Roijen schreef in de kantlijn: ’Met deze passage kan ik mij niet vereenigen’. Het viel dus allemaal wel mee met die BZ-ers in 1945, en dat zal nu niet anders zijn. Nieuwe collega’s van DGBEB: welkom!

 

Foto: Minister Jan Herman van Roijen, ca 1949.

Foto: Minister Jan Herman van Roijen, ca 1949.

‘Met de kennis van nu – 6’; verschenen in BZblad 6, november 2012.

Verder lezen: