‘Goh, een groen pak?’, hoorde ik eind jaren ‘90 een collega tegen een ander zeggen. ‘Ja, ik dacht, ik doe eens wat anders…’ ‘Nou, in die opzet ben je geslaagd.’ Kleding op het werk, het blijft een heikel onderwerp.

Hoe het heurt, dat is in zekere zin een subjectief begrip. Informele regels, die in de loop van de jaren langzaam kunnen veranderen. En in iedere organisatie vind je de progressieven en de conservatieven, de rekkelijken en de preciezen.

Buitenlandse Zaken is (zo zeggen we graag tegen elkaar en tegen anderen) een bijzonder departement. Op het gebied van kleding zit die bijzonderheid natuurlijk in het ambtskostuum. Een waar schouwspel, dat we prachtig voor ons zien in de beschrijving die oud-sg Iwan Verkade geeft van de schilderachtige diplomaat Robert van Gulik: ‘Wie hem door de stad zag lopen, een beetje sjokkend, een beetje sjofel met z’n flambard en broek zonder vouw, zou niet denken dat daar een diplomaat ging. Maar die had Van Gulik dan niet in functie meegemaakt of in uniform gezien. Trots toonde hij me eens een foto van zichzelf in perfect zittend diplomatenuniform, in hoffelijk gesprek met Keizerin Soraya.’

In 1985 had het BZ-Blad een mooi artikel over ‘De kleding van de BZ-ambtenaar’. Een kleine twintig  BZ-ers gaf zijn opinie over wat wel en niet door de beugel kon. Eigenlijk opvallend eigentijds: het voornaamste criterium is representativiteit bij contacten met mensen van buiten de organisatie. Eén van de geïnterviewden geeft een interessant inkijkje in de veranderende mores binnen BZ. ‘Passende kantoorkleding? Je kunt ook zeggen áánpassend. De normen daarover zijn niet overal hetzelfde; vooral vroeger werden bij DGIS weer heel andere kleren verwacht dan bij DGPZ.’

Het blijkt dat ook in 1985 het bewaken van de mores al vooral op de schouders van DKP terecht was gekomen: ‘Schoon, gestreken, gepoetste schoenen, geen spijkerbroek en geen ‘kersttoestanden’ (van die glinsterende sieraden, het moet wel; een beetje zakelijk zijn). Driedelig grijs hoeft tegenwoordig niet meer, en als het héél warm is mogen ze best zo’n overhemd met korte mouwen aan, mits gestreken’. ‘Vrouwen in een lange broek? Wij doen het niet. Ik versta het onder vrijetijdskleding, en vind het geen pas geven om daar bezoekers in te ontvangen’.

Iemand bij DES bevestigt dat die opvatting echt bestond: ‘We hebben hier wel een secretaresse gehad die bij een andere afdeling was vertrokken omdat men er problemen mee had dat ze broeken droeg’.

Die tijden zijn veranderd (neem ik aan). Witte sokken kunnen natuurlijk niet. Maar dat zijn excessen! De BZ-er is heden ten dage vrij in zijn kledingkeuze.

Het ambtskostuum kan alleen in sommige landen nog altijd gedragen worden bij het aanbieden van de geloofsbrieven.

‘Met de kennis van nu – 4’; verschenen in BZblad 4, juli 2012.

Verder lezen: