Op 3 november 2007, de dag dat ik ‘s middags in de Domkerk van Utrecht meezong bij een uitvoering van de spectaculaire Messa da Requiem van Giuseppe Verdi, een dodenmis klinkend als een opera, zou mijn vader 80 jaar zijn geworden.

Dit Requiem kent nogal wat vocale solo’s, waarbij het koor even bij kan komen van de donderslagen en fff-fortissimo te zingen Dies Irae passages; en terwijl ik het publiek in de stampvolle kerk een beetje zat te bekijken kwamen natuurlijk tóch de herinneringen op aan Karel.

Hij zou genoten hebben van deze uitvoering, hij hield wel van een beetje spektakel, trompetgeschal en slagwerk. De Carmina Burana van Carl Orff, waar hij zelf ooit aan meegezongen heeft in een Limburgse sterrenbezetting, dat soort werk.

Ook bezocht hij trouw alle uitvoeringen van de plaatselijke Harmonie l’Union, waar Frank en ik vreemd genoeg nooit in meegespeeld hebben (we hadden al pianoles, zou dat de reden zijn?) en bij die gelegenheden moet ook míjn liefde voor muziek ontstaan zijn. Die concerten waren niet zomaar iets. De notabelen van het dorp, de doktoren, “meneer de Deken”, de notaris, maar ook oom “Pier”, mijn vaders oudere broer, die voorzitter was van de harmonie, zaten in hun zondagse kleding op de eerste rij. Mijn ouders en ik daar meteen achter, dat was ook nog wel chic.

Ook herinner ik me maar al te goed mijn vader’s duidelijk herkenbaar hoge tenorstem in de a capella Gregoriaanse gezangen in de zondagse Hoogmissen van Heythuysen. Als jongens vonden Frank en ik deze, in mijn oren als oneindig droevig geweeklaag klinkende, serene muziek – misschien ook wel vanwege het hoge percentage bejaarde zangers met hese, krakende of onacceptabel toon-onvaste stemmen –  onverteerbaar en aan de eettafel gingen wij er expres lelijke en valse imitaties van weggeven, hetgeen mijn vader altijd de verzuchting ontlokte: “Gillie zult nog an ut beùke komme om Gregoriaans te kunne hure”. Hij heeft gelijk gekregen.

Mijn ouders zongen allebei en namen het lidmaatschap van het koor zeer serieus. Geen nodeloze absenties, zij verrichtten bestuurstaken en waren voorbeeldzangers voor de rest van het koor…. Ik heb uit de erfenis nog ledenlijsten en notulen van jaarvergaderingen bewaard.

Als vader in een goede stemming was, en dat kwam onbegrijpelijk vaak voor (wie kent er nou een ambtenaar die dagelijks in de middagpauze met vrolijk gefluit zijn thuiskomst aankondigt?..) zette hij zich op de vervaarlijk piepende driepoot pianokruk (die meer dan ééns onder zijn gewicht bezweken is) en nam zijn standaard repertoire van geliefde pianostukken door, met voor mij altijd als hoogtepunt een zeer swingend in Pim Jacobs achtige stijl gespeeld “In the mood”. Alles “uut de kop gespeuld” want echt noten lezen kon hij geloof ik niet.

Het is voor mij de tijd van even onbedreigd als eenvoudig geluk, de zaterdagavonden met Mies Bouwman en Eén van de acht, de warme rijstepap, winkelen met mijn moeder in de grote stad Roermond, de “toeristische ritjes” in de Daf 55…

Trots waren we op elkaar toen ik begin jaren ’90 mijn 1e uitvoering van Bach’s Matthaüs Passion in het Amsterdamse Concertgebouw zong en ik in de zaal een hele rij Botden-Timmermans familie ontwaarde met in het midden een druk gesticulerende vader die mijn tante Mia aanwees waar ik dan stond op het podium. Terugzwaaien mocht helaas niet, volgens het strenge reglement van het Toonkunstkoor.

Het is erg jammer dat mijn vader me niet veel vaker meer heeft horen en zien optreden, ik zou het heel graag voor hem gedaan hebben.

Maar op zaterdag 3 nov. 2007 heb ik hem dan maar onder het Lacrimosa postuum geluk gewenst met zijn 80e verjaardag. In the mood!

 

Thijs

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 17, november 2007.

Verder lezen: