Raadsvergadering van donderdag 15 juli 1999.

 

De warmte van de zomer had ons allen bevangen. Een zomer die voor zoveel mensen een belofte inhoudt. De belofte van het leven. Terwijl we loom worden in de zomermiddag van vrijdag 9 juli, slaapt een mens in van wie wij allen hiel­den. Wie haar nabij waren voel­den het in zich: dezer dagen nemen we af­scheid van haar. De jarenlange zoek­tocht naar herstel is ten einde. We lazen het in haar laatste bericht: “Ik ben zo moe, ik kan niet meer”.

Wij herinneren ons Toos Buijssen van haar werk hier in de gemeen­teraad. Strijdbaar voor de idealen, waarin haar mede­mens centraal stond. Een goed lid ook van haar fractie. Wie met haar sprak, ontmoette in haar de bevlogenheid van de sociaal-democratie. Een meer dan uitstekend lid ook van het college van burgemeester en wethouders. Integer om­gaand met de midde­len van onze gemeenschap. Collegiaal als weinig anderen. Zo was ze ook. Met wie zij optrok, kon op haar bou­wen. Ik laat zeker niet onvermeld dat zij ook wethouder was voor personele aangelegenheden. Daarin kon ze haar genegenheid voor haar medemens evenzeer kwijt. Rechtvaardigheidsgevoel en waarde­ring voor de inzet van medewerkers maakten haar geliefd in dit huis. De laatste jaren, na haar aftreden in 1994, liet ze zich hier wat minder zien. Wij bewonderen haar moed zeer. Tot ons het bericht bereikte: “Ik ben zo moe, ik kan niet meer”.

De gemeenteraad maakte op die vrijdag van 9 juli een studie­reis langs een aantal pas gerealiseerde bibliotheken. Later in de namiddag stonden we bij elkaar en luisterden naar de uitleg van een museaal project. Het bericht kwam toen door dat Toos, nog maar 44 jaar oud, was ingeslapen. Bij die haar nabij waren geweest de laatste jaren, brak de emotie. Wij allen hebben even in stil­zwijgen bijeen gestaan, nadenkend over een lief iemand. Een vrouw die veel voor ons betekend heeft. Die nu afscheid neemt met de woorden: “Ik ben zo moe, ik kan niet meer”.

De troost die haar man Frans en de anderen die haar nastonden, nu zo nodig hebben, kunnen wij met woorden nauwelijks geven. De troost zal komen van Toos zelf. Het zijn de herinneringen aan een vrouw met karakter, die vriendelijk blije ogen had en een hartelijke lach. Wat zij voor Horst heeft gedaan en voor haar werk en voor haar liefsten, zal in vele harten bewaard blijven.

Ik nodig u uit Toos Buijssen een ogenblik in stilte te geden­ken.

 

Dit artikel is onderdeel van de in 2007 gepubliceerde bundel Late Haver.

Verder lezen: