Een dezer dagen zocht ik in een boek, geschreven door Thei Min, oud-tekenleraar van het Boschveld-college in Venray, met de titel ‘Rooi mien dörp ien de Piël’, naar een verhaal over ‘Tontje d’n Dwerg’. Hoe is deze man in onze familie geraakt?

Onze overgrootvader Henricus van Els, geb. 5 april 1835 te Oploo, was gehuwd met Hendrina Fleuren, geb. 31 december 1832 te Wanssum. Hij had een oudere broer Joannes van Els, geb. 21 oktober 1824 te Oploo. Deze Joannes is driemaal getrouwd geweest, zijn derde huwelijk was met Anna-Maria van den Elsen.

In de stamboomlijst die ik van Peter Fasol heb, wordt Tontje genoemd met de achternaam Van Els. Maar in het verhaal van Thei Min wordt hij Tontje van den Elzen genoemd, geboren in 1865  in de Sambeekse Hoek, maar de familie verhuisde naar Oploo.

De vraag is: heeft Anna-Maria deze Tontje al gehad vóór haar huwelijk met Joannes van Els?

Joannes van Els is driemaal getrouwd geweest: in 1851 met joanna Klaassen, in 1863 met Anna van Dijk en zijn derde huwelijk was met Anna-Maria van den Elsen. In vroegere tijden was het heel gewoon dat men twee- of driemaal trouwde. Veel vrouwen stierven vaak al erg jong tengevolge van minder gezonde omstandigheden (zoals kinderbed). De weduwnaar kon geen vrouw missen in zijn huishouden (kinderen en financiën) en dan deed zich het probleem voor: ‘trouwe of  mit de meid huuze’. De Kerk was natuurlijk voor trouwen.

Thei Min heeft zijn kennis over Tontje opgedaan van zijn vader. Vader Min was ambtenaar bij Staatsbosbeheer (d’n boswachter) en diens werkterrein bestreek een groot deel van de Peel en ook de ontginningen over de Maas van Arcen tot Groesbeek. Vader Min deed alles per fiets en zoon Thei mocht dan wel eens op de fiets, op het pinneke of voor op de stang: het resultaat was slapende voeten of billen, maar Thei deed veel kennis op!

Vader Min ontmoette tijdens zijn tochten vaak genoeg Tontje d’n Dwerg als schiëper (schaapherder) en maakte praatjes met hem en gaf men ook wel eens een boterham.

Tontje was een echte dwerg, kort van lijf en een grote kop. Omdat hij hierdoor ongeschikt was voor het gewone (boeren)werk, verhuurde hij zich her en der bij de boeren om hun schapen te hoeden en zo trok hij met de kudden door de Peel en andere streken. In die tijd werden er in en rond Venray veel schapen gehouden; deze dieren waren de producenten van mest, vlees, braadvet en wol.

Aanvankelijk was Tontje wel geteld in de gemeenschap; hij wist veel te vertellen en hij kon goed beugelen. Maar toen hij ouder werd, ondervond hij, dat hij steeds meer alleen kwam te staan, omdat zijn vrienden afvielen, o.a. door huwelijk, en hij zelf geen kans had om te trouwen. Bovendien veranderde de landbouw. O.a. door de komst van kunstmest, zodat veel boeren geen schapen meer hielden.

Tontje veranderde helemaal van aard en raakte aan het zwerven. Ergens had hij van mensen die het goed met hem bedoelden, een oude kinderwagen gekregen, waarin hij zijn hele hebben en houden meesjouwde. Zo trok hij rond, sliep bij de boeren in het stro op de schelf of in de karrenschop en kreeg daar meestal ook wel te eten. Ook moest hij wel eens bivakkeren in de buitenlucht en dan beschermde hij zich met twee paraplus tegen de regen en de koude. Hij werd op zijn zwerftochten veel geplaagd door de jeugd en dan werd hij razend van woede.

Zo heeft hij jarenlang gezworven en in het voorjaar van 1922 vond op een dag in de buurt van Weert een pater franciscaan  hem uitgeput liggen langs de weg. De barmhartige pater liet hem brengen naar het franciscanenklooster aan De Biest in Weert. Daar is hij goed verzorgd en hij is daar gestorven en door de hele kloostergemeenschap ten grave gedragen.

Een kleine anekdote uit het boek van Thei Min over Tontje (een leesles Wanssums dialect):

“Tontje liet ’t dörp ’t dörp en stapte op zien klömpkes nor Den Haag, um de könegin te vertelle, hoe ze hum belazerd han, en heur hulp te vraoge. Heei liëp de lange weg hin en terug. Sliëp ien schure en stalle, mer kwaam nao langen tied terug zonder de könegin gezién te hebbe. En toen ze hum vroége, of heei de vorstin gezién haai, vloekte heei ’s flink en zéi: ‘ze zal wel vur ’t raam hebbe gestaon um meei uut te lacht’”.

Verder nieuws uit de familie:

In Tegelen is op 11 februari 2002 Lei Vermazeren (83 jaar) gestorven. Hij was een zoon van Tante Drien en Wienand oëme Vermazeren – van Els uit Broekhuizen. Lei is een neef van ons.

In Wanssum is gestorven Riek Lensen-Rutten (87 jaar); Riek was getrouwd met Harrie Lensen, er waren 10 kinderen en 22 kleinkinderen. Riek Rutten was een nicht van ons moeder, ze was namelijk een dochter van Bernard oëme en tante Hanneke (Rutten–Tax). Harrie Lensen is een rechte neef van ons, zijn ouders zijn tante Marie (een zus van ons vader) en Wullem oëme Lensen-van Els.

Het is nu de maand maart en dan krijgt St. Jozef van de Smakt weer veel bezoek. Een dezer dagen heb ik nog enige waxinelichtjes laten branden voor de hele familie.

Gisteren 10 maart was het ‘zondag Laetare’, halfvasten (mi-carême). Dat was vooral vroeger een hoogtijdag, vooral voor de jeugd (je mocht dan alvast wat snoepen uit de snoeptrommel die in de vastentijd gevuld werd).

Tot de volgende keer,

Paul

Venray,  11 maart 2002

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 8, april 2002.

Verder lezen: