Eigenlijk is Laura mijn hele leven lang mijn schoonzus geweest. Toen ik haar voor het eerst leerde kennen, was ik niet ouder dan zeven jaar, geloof ik. Het zou nog tot 1954 duren voordat ze trouwden, natuurlijk, en de verkering (zoals dat toen heette) van Harrie en Laura was ook wel eens een tijdje uit, maar al met al heb ik geen leven gekend zonder dat Laura daar een rol in speelde.

Twee jaar geleden, bij hun Gouden Bruiloft, luidde het openingscouplet van het lied dat ik gemaakt had, dan ook:

“Mit Laura en Harrie zien weej lang bekend, dus.

Zò lang is gèn paar beej mekaar gewèst:

krèk vieftig joar echtpaar, doarmit mieër dan ‘plus’;

 plus zò’n tien joar vreejages; dan wette dat vèst.

Ze makten zoeë saame un hieël lève vol,

D’rum zinge weej nou van Van Els en Fasol.”

Laura was een heel bijzondere verschijning in het Wanssum van die tijd. Ze kwam van ver, helemaal uit Brabant, Valkenswaard. En ze had op kostschool gezeten, zoals Karel in een van zijn liedjes voor hun huwelijksfeest memoreerde:

“Ien Hamont op l’école

lierde Lauke Fasol

duchtig Frans en pianomuziek.

Vur Soeur Bermans, die tang,

was zeej duk bieëstig bang:

’t was un nachtmerrie, dat wand’lend liek.”

Karel die wist ook te vertellen waar Harrie en Laura elkaar voor het eerst tegen kwamen:

“Was mit dun trekbuul noar Oeldre gegoan,

vuulde zien hartje steeds gauwer sloan.

Droonk doar mit Lau an’t zelfde glas,

hield stiekum eur hendje vas;

gauw kwaam un ènd an de trekbuulmuziek

en begos de romantiek.”

Laura een bijzondere verschijning in Wanssum, dus. Maar Harrie mocht er ook zijn: ‘student’ bij de Paters in Venray, handig dribbelende midvoor van het eerste elftal van Wanssum én erg muzikaal behendig op de ‘trekbuul’ (=harmonica). Geen wonder dat het paar in de belangstelling stond. Zoals Harrie pas nog tegen mij zei: “Joa, weej vreejden drèj, mar hieël Wanssum vreejde mit!”

Ik heb in mijn lagere-schooltijd aan veel mensen –vooral (aanstaande) familieleden- veel brieven geschreven. Zo ook aan Laura. Soms vraag ik me nu wel eens af wat ik vanuit Wanssum te berichten had. Waarschijnlijk gingen de brieven helemaal over het voetballen: wat het eerste, het tweede en de jeugdelftallen ‘gemaakt’ hadden. Ik denk niet dat Laura vaak teruggeschreven heeft, dat kan ik me in ieder geval niet zo herinneren. Wat mijn drijfveer was om dat schrijven stug vol te houden, weet ik niet. Misschien voer voor psychologen?

De gelegenheid dat Laura echt mijn schoonzus werd, hun trouwdag op 26 mei 1954, heb ik bijna moeten missen. Die dag viel net midden in de tien dagen die er lagen tussen mijn schriftelijke en mijn mondelinge eindexamen. De schoolleiding van Rolduc vond het maar niks dat ik ging feesten, mijn concentratie zou ernstig verstoord kunnen worden en de mooie punten die ze van mij verwachtten zouden wel eens tegen kunnen gaan vallen. Ik geloof dat Vader nog met de vuist op tafel heeft moeten slaan om te bereiken dat ik ’s morgens mocht afreizen naar Valkenswaard. Als ik maar ’s avonds weer op Rolduc binnen was!

Praktisch een heel leven mét Laura, dus. Door moeten gaan zónder haar is erg onwennig, voelt heel vreemd aan.

Theo

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 14, april 2006.

Verder lezen: