In augustus 2006 organiseerden we een ‘Groot Dictee’ voor het personeel van het ministerie van Financiën. Ik mocht het dictee schrijven.

Komkommertijd is in het spraakgebruik de periode in de zomer dat er niets gebeurt, omdat politici en ambtenaren op vakantie zijn.

Maar is dat wel een enigszins juiste voorstelling van zaken? Wie buiten het seizoen op vakantie gaat, heeft in de komkommertijd geen tijd voor langzaamaanacties: alle collega’s zijn wekenlang weg en de gezamenlijke werkdruk valt op de schouders van de laatste der Mohikanen, die manmoedig probeert alle ballen van onaf beleid in de lucht te houden, terwijl de verzengende zomerhitte hem doet terugverlangen naar zijn vakantie die alweer maanden geleden lijkt.

Ter eenre zijde worden de kranten naar hartenlust gevuld met broodjeaapverhalen, die anderszins nooit de kolommen zouden hebben gehaald. De arme achtergebleven beleidsambtenaar heeft de deerniswekkende taak om, voor zover mogelijk,  al deze verzinsels op fiscaaltechnisch of sociaaleconomisch waarheidsgehalte te onderzoeken.  De laatste persvoorlichter werkt zich een slag in de rondte om mythe en verzinsel terug te brengen tot het naakte en, tot deceptie van de journalist, oninteressante feit.

Anderzijds moet daartussendoor ook de derde dinsdag in september, Prinsjesdag, nog worden voorbereid, nota bene het moment suprême van het jaar.

De achterblijver vult in de komkommertijd het danaïdenvat en boekt daarbij een pyrrusoverwinning: hij werkt zich sowieso het apelazarus. De komkommertijd is het predicaat ‘drukste periode van het jaar’ waardig.

Dat is echter allemaal sub rosa, want al wie tijdens het reces op z’n janboerenfluitjes verwijlt in het Middellandse Zeegebied is niet au courant met de turbulente ups-and-downs die zich in deze periode op Financiën afspelen.

 

Verder lezen: