En nergens ligt een glimlach zo gereed

als waar de wereld Land van Brabant heet.

 

Uit: Op weg naar Brabant van Harriet Laurey.

 

Terugkijkend op mijn jaren in het gezin van mijn vader en moeder, zeg ik: “zonder bidden, geen geloof!” Op het symposium ter gelegenheid van het priesterjubleum van emeritus abt Ton Baeten, zegt een inleider: “Geloven heeft een persoonlijk karakter. Dit veronderstelt dat het in vrijheid geschiedt”. Je persoonlijke afwegingen daarover, krijgen betekenis als ze worden ingebed in de gewetensvolle ruimte van je innerlijk. Zonder die inbedding (gebed), wordt geloven lastig. Hoe was het met die inbedding gesteld in de Brabantse Kempen?

  1. Sint Janstros

Mijn vader bad steeds voor. Aan tafel bij de maaltijd in de grote woonkeuken. Hij bekruiste met het broodmes het nieuwe brood, voor hij het aansneed. Voor ontbijt en avondeten: een onze vader en een wees gegroet. Het warme middageten werd vooraf gegaan door “de Engel des Heren”. ’s Avonds de gezamenlijke rozenkrans in de achterkamer. Schemering of een snorrende haard. Intieme rust. Voor het slapen gaan, gaf hij me drie kruisjes. Tot morgen, zei hij dan. Als hij in de kerk lange tijd met gesloten ogen zat, vroeg mijn moeder wel eens: “Wat had je toch te bidden?” Papa zei dan: “Ik hoef alleen maar te bedanken”. In onze tuin, zowat een kilometer verwijderd van ons huis, zette hij op Palmzondag de gezegende palm-takjes op de hoeken in de grond. Alsof ook hier de Heer zijn intocht deed, zoals in Jeruzalem. Op Sint Jansdag maakten we samen een Sint Janstros. Een samengebonden bundel veldbloemen van blauwe korenbloemen, gele boterbloemen en lis, St. Janskruid, varen, rode en witte koekoeksbloemen, kamille, vergeet-mij-niet, rode klaver en paardenzuring. Met vluchtig gesprenkeld wijwater (nog over van Paaszaterdag), werd de tros aan de regenpijp bij de achterdeur gehangen. Mijn stellige overtuiging was het, dat zo’n gebaar het huis beschutte tegen gevaar. Ook aan het begin van een onweer ging papa rond met wijwater. Hij bezegelde in gebed zijn verbond met het geloof. Vader geloofde oprecht. Hij was een voorbeeld voor ons allen.

  1. Circus Renz

Onderwijzer geworden, meester op de katholieke Aloysiusschool, waar werk was voor twee leken en een overdosis broeders (van OLV van Lourdes – Dongen). De supervisie op de twee leken werd door de hoofd-broeder nogal indringend uitgevoerd. Hoe dan ook, mijn vader stemde graag in met een voordracht van de gemeenteraad van Valkenswaard om hoofd van de Openbare School te worden. Een school met twee lokalen en twee leerkrachten. Het verblijf van een aantal jaren in een klas, deed een inwoner (PvdA-raadslid Jan van Holten) tegen mij zeggen: “Wij zijn door dezelfde vader opgevoed!” Ondanks mijn leerjaren op de katholieke lagere school. De zeer gemengde leerlingenschaar bijeen houden, vergde onderwijstalent en een integere levenshouding. Er zat van alles: kinderen van ongelovige huize, protestanten (we hadden toen in Valkenswaard nog geen christelijk onderwijs) en leerlingen uit conflictsituaties tussen ouders en broeders. Dan nog circuskinderen van circus Renz, die een seizoen overwinterden in onze gemeente en bij vader op school kwamen. Mijn vader bleef ze allen trouw. Hij zorgde dat reformatorische kinderen een goede catechisatie kregen van dominee Alsfelt. Katholieke dwaallichtjes kwamen zo nu en dan bij ons in de achterkamer naar een stichtelijk verhaal van mijn moeder luisteren. Hij haalde voor een Eerste Communie een kind op (met goedvinden van de ouders) en bracht het “in loco parentis” naar de kerk. Mijn vader, vroeger toch een vrolijke knaap, was in mijn jeugdjaren stiller. Meer een vriend dan een vader.

  1. Tracteren oom Jac!

Mijn moeder bad veel. In haar vier dagboeken, die ze voor mij schreef in de jaren 1978-1988, komt het herhaaldelijk terug. “Ik moet zo bidden”, lees ik. Ik telde meer dan honderd kleine gebeden, al dan niet in dichtvorm.

In de bevrijdingsdagen moesten wij, vanwege frequente beschietingen de ouderlijke woning verlaten en gingen naar Dommelen, naar Cor Theunissen, tegenover Agnetendal. Maar voor we ons huis aan de Kromstraat verlieten, zie ik mijn vader het beeld van Sint Joseph op de keukentafel zetten. Ik begreep het gebaar als een knipoog van verstandhouding tussen twee huisvaders. We werden door onze vrienden in Dommelen van harte verwelkomd en gehuisvest. Bij de bombardementen in de slag om Eindhoven, zaten we ’s middags gehurkt achter het aanrecht in de keuken. Mia, Tini en ik. Moeder stond over ons heen gebogen. Urenlang. Het bood in dat geluidsgeweld van overvliegende bommenwerpers en verre explosies, een schijnveiligheid. Wij kinderen, wisten zeker dat niets ons kon deren. In de diepe kelders van Agnetendal lag ik ’s nachts veilig en dicht tegen mijn vader. Als ik verdwaal bij het vallen van de duisternis, brengt hij me in veiligheid. Hij houdt een kussen boven onze hoofden. Herinneringen! Kort na de bevrijding werd moeder een aantal malen ziek. Galoperatie en poliepen in de maag. Met angst in het hart stapte ik met vader in de wagon (treinstellen waren er toen even niet), die ons staande naar het binnenziekenhuis in Eindhoven bracht. Ik schreef mijn eerste briefje: voor moeder. Ik heb het teruggevonden bij het opruimen van de paperassen van mijn ouders.

 

Beste Moeder.

Hoe gaat het met U. Met mij goed.

Mijn jas is klaar.

Ik had vanmorgen gestoeid. Heel hard.

Veel groeten van Romé.

Oja. Dat is waar ook. Zalig Nieuwjaar.

Heel veel kusjes.

 

We waren met ons zessen: Laura, André, Wim, Mia, Tini en ik. En dan was oom Jac bij ons in de kost. Die trof toevallig altijd een boon in zijn puddingtoetje op Drie Koningendag. “Tracteren Ome Jac”, riepen we dan. En die vrijgezelle oom deed dat gulhartig. Ook toen hij zo oud was, dat hij niet meer naar bonen hoefde te zoeken. Het was een mooi gezin. We woonden naast die leuke kleine school. Papa mochten ze graag in Valkenswaard. Afgezien van die nare oorlog, was het een mooie tijd. En moeder kon goed koken. Hoogtijdagen door het jaar heen, waren ook feesten aan tafel. Zelfs met vis op vrijdag.

  1. Draadjesvlees op Kerstmorgen

De parochiekerk riep ons op ook dáár te komen vieren. In de Kerstnacht, naar de nachtmis van vier uur. Met enthousiaste samenzang in de korte engelenmis en de even korte herdersmis, vloog de tijd voorbij. Het was feest. Dat zag je toch, met zo’n prachtige kerststal. En dan naar huis. Ontbijt met draadjesvlees. En dan nog krentenmik. Kerstliedjes zingen. ’s Middags met ons allen een kerstwandeling. Dit verblijdend gevoel werd gedeeld met de parochieherders. Onze deken, deken Manders, was een pastor bonus. Een meelevend vriend in goede en minder goede dagen. Hij preekte altijd dat het humanisme om zich heen zou grijpen. Hij heeft gelijk gekregen. Een hartelijk man, die mijn ouders heel goed kon troosten als het nodig was. Later is hij ere-kanunnik geworden. Hij had dan een toog aan met allemaal paarse knoopkes. Op hoge leeftijd en bijna blind kwam hij nog eens op bezoek en vroeg mijn moeder hem bij de arm te nemen en hem naar het broederklooster te brengen. Eenmaal in de kloostertuin begon hij luidkeels te roepen: “Broeders, d’r zit een vrouw in den tuin”. In mijn boekenkast staat zijn gedichtenbundel: “Myrrhe, wierook en goud”. Ik lees er voor Onze Lieve vrouw in Handel:

 

Daar trekt een mooie lange stoet,

hoort, hoe de mensen zingen –

en hoe de tonen der muziek,

de pelgrimschaar omringen.

 

Groot was de bewondering voor “den Deken”, toen hij tijdens de Hoogmis op dolle zondag (daags voor de bevrijding), vanaf de preekstoel alle jongemannen opriep na de viering niet zomaar naar huis te gaan, maar via de grote pastorietuin en de aanliggende kloostertuin van de Franciscanessen een goed heenkomen te zoeken. En als noodvoorziening stelde hij ook zijn pastorie open. Wij zaten toen al in Dommelen bij Cor Theunissen. Ik herinner mij dat mijn beide broers André en Wim via het paadje van De Hoppenbrouwer veilig en wel bij ons arriveerden en zich nog een paar uur verscholen hielden onder een mutsert (van takkenbossen). Wim had heldhaftig zijn missaal onderweg weggegooid. “Daar blijven de Duitsers vanaf”, was zijn commentaar. Een paar dagen later vond hij het boek terug met doorweekte randen. Bij dit alles stond ik als zevenjarige te kijken met grote ogen.

  1. Ik Heet Sigmans

Dan had je nog een aantal kapelaans. De belangrijkste, die ik me herinner, was kapelaan Sigmans. Met de sacramentsprocessie torste hij “Ons Heer”. Hij had dan een velum om, waarop aan de achterzijde een stralenkrans was geborduurd: “IHS” stond erin. Mijn broers maakten me wijs dat dat “Ik Heet Sigmans” betekende! Deken en kapelaans woonden in de reusachtige pastorie naast de kerk. Als ik van mijn ouders een misintentie ging bestellen, galmde de bel door de brede gang. De “pastoorsmeid” (wat een naam!) deed dan open en liet me in de spreekkamer. De deken of een kapelaan kwam dan en ik zei: “complimenten van vader en moeder. Ik kom u een rijksdaalder brengen als bijdrage voor een misintentie voor mijn opa en oma van vaderszijde”. Daar lag dan een boek, waarin de boodschap werd opgeschreven.

  1. Ad Deum qui laetificat

Ik werd gedoopt door de wat boerse kapelaan Vogels, de latere pastoor van het genade-oord Ommel. Als klein kind bleef ik in de kerk schuchter achter de schaduwrijke ruggen van mijn ouders. Het scapuliermedaille zat op mijn borstrok. Ik deed met mijn moeder een avondgebedje voor het slapen gaan. En kreeg van haar een “kruisje en een kusje”. Zo heette dat bij ons. Dan komt de tijd dat ikzelf ga deelnemen aan het parochieleven in het goede Valkenswaard. Mijn eerste schrede was de benoeming tot “kruipengel”. Een nietszeggende benaming voor een kind met een grote verantwoordelijkheid. Tijdens kerkfeesten en het lofgezang met een kaars knielen op de treden van het altaar des Heren. Eenmaal heb ik de kruipengel vóór mij, bevangen en versuft door het gewalm der kaarsen, aan zijn mouw aangestoken. Koos de Koster, altijd nabij, bluste het met gewijd water. Mijn naam echter was gevestigd. Ik mocht in de leer voor misdienaar. Alle Latijnse regels kende ik uit mijn hoofd en hun betekenis. Ad Deum qui laetificat juventutem meam. Tot God die mijn jeugd verblijdt! Elke dag was ik present. Was het niet in de parochiekerk, dan toch wel bij de Franciscanessen, waar rector Vos de Wael, heel plechtig de ritus verzorgde. Na de mis kreeg ik een koek of een paar pepermunten. Mijn eerste vacatiegeld! De misdienaarsreisjes gingen naar Maastricht, Spaubeek, Overloon en (op doorreis daar achtergebleven) Wanssum. Dan, met een schor wordende stem, word ik acoliet. Met zorg kijk ik neer op de “kruipengels” en misdienaars. Tijdens de Kerstnacht bediende ik het wierooksvat en met Pasen jubelden mijn bellen mee met het Gloria, vanwege de verrezen Heer. Op de middelbare school word ik voorzitter van de missieclub. Ik regelde dat voorzitters van andere schoolclubs in mijn bestuur zaten. Ik had Machiavelli toen nog niet gelezen.

  1. Doe wat Hij u zeggen zal

Langzaamaan loop ik mee ter bedevaart naar Handel. Met de welpen. Een kaarsje bij de Lieve Vrouw. Zoals ik dat nu nog enige malen per jaar doe. Veertig kilometer heen, slapen bij een boer op de stal en dan weer veertig kilometer terug is een hele toer. We deden het met honderden pelgrims en met de harmonie. Als kind zit je het grootste deel in alle rust op een kar. Later loop je álles. De mensen staan bij thuiskomst rijendik langs de weg. Alle klokken beieren. Luid klink het pelgrimslied “Kinderen van Maria” nog eens als we de Sint Nicolaaskerk binnen trekken. Een laatste woordje van de Deken. En dan naar huis. Einde juni is het. Tijd voor de eerste nieuwe aardappelen en rijstepap na. Vele jaren later word ik door de bedevaartspresident, Serefinus Hoevenaars, gevraagd Broedermeester te worden van de pelgrimsschare. Ik mag de nieuwe statuten schrijven voor de “Bedevaart naar Handel”. Inmiddels uitgegroeid tot een stoet van ruim 1000 wandelaars. De Lieve Vrouw van Handel zit Valkenswaardse mensen onder de huid. Kippenvel kreeg ik toen tijdens een vastenavondzitting op het hoogtepunt van de avond, de hofkapel plots (waarschijnlijk bedoeld als muiterij) het pelgrimslied “Kinderen van Maria” begon te spelen. Als vanzelf stonden alle aanwezigen op en zongen het lied uit volle borst mee. En de tien keer drie strofen lange “Kroniek van Handel”, zing ik nog telkenjare op zaterdagavond met de pelgrims mee in de schemerduistere kerk.

 

In ’t oude Brabant, aan den boord

Van drabble waterplassen,

Daar lag een woest en eenzaam oord,

Een zandberg bij moerassen. Etc.

 

In geloof heb ik me wel eens de vraag gesteld, of de “speelse” Mariadevotie wel kán? Hoewel ik een verklaard Mariaan ben, denk ik vaak terug aan de preek die ik hoorde in Handel. Het ging over de bruiloft van Kana (Joh.2.6.). “Doe wat Hij u zeggen zal”, zei Maria. Meer hoef ik niet te weten.

  1. Hij is nou toch dood

Mijn vader leerde me ook het absolute in geloofszaken op hun juiste waarde te wegen. In de vastentijd deelde hij aan tafel mee dat hij zich had voorgenomen zich in de vastentijd te matigen. En gaf ons terloops de overweging mee, dat hij dit deed ten voorbeeld voor allen. Hij zou niet roken. Pijp, pijptabak en sigaren verdwenen in de lade van zijn bureau in de achterkamer. Op de eerste dag van de vasten, werd het hem na schooltijd toch te machtig. Veertig dagen, nog wel! Hij versmalde zijn voornemen tot de “Goede Week”. Dan gaat het er werkelijk om in het lijdensverhaal. Onder het aansteken van zijn sigaar, mompelde hij nog enige malen: de Goede Week, ja ja de Goede Week. Op Palmzondag wist hij te vertellen, dat Palmzondag eigenlijk toch een feestdag was. De Heer werd bejubeld in Jerusalem. En dan zou hij niet eens mogen roken! Wat een kwats. Zijn rookkringetjes dwarrelden weer opgewekt hemelwaarts. Dan kwam het voorspelbare (jaarlijkse) droeve bericht: “Goede Vrijdag, dat is het. Dan pas moet je meeleven met onze Verlosser”. En hij hield vol. Tot drie uur. Dan zei papa: “Hij is nou toch dood. Nu maakt het geen verschil of ik rook of niet”. Ik schreef het al. Weinig vaders waren zo gelovig als de mijne. Vrijwel de gehele vastentijd was hij bezig met zijn Heiland.

  1. Dezelfde Lieven Heer

Ons moeder was vroom. In heel haar wezen. Zoals de dichter zegt: “Licht dat haar aanstoot in de morgen”. Maar in mildheid. Zo herinneren we ons dat onze kinderen thuis kwamen met relaties van reformatorische huize. In wijsheid overlegden we, hoe we dit moeder zouden vertellen. Maar ze aanvaardde Carola’s vriend en Peters vriendin hartelijk en zei: “We hebben allemaal dezelde Lieven Heer”. Het heeft me vaak doen terugdenken aan de prachtige vertelling in “Nathan der Weise” van Lessing (1779). Een toneelstuk dat door de huidige loop der wereldgeschiedenis niet meer zo vaak wordt opgevoerd. Maar toch.

Er was vroeger een man met een onschatbare ring. Die hem droeg maakte zich dierbaar bij God en de mensen. Hij beschikte dat hij de ring zou nalaten aan zijn liefste zoon, die hem dan op zijn beurt weer zou nalaten aan zijn meest dierbare zoon. Zo kwam de ring eens aan een vader die drie zonen had, die hem alle drie met evenveel liefde omringden. Toen zijn einde naderde, kwam de vader in grote verlegenheid. Discreet liet hij een kunstenaar komen bij wie hij, naar het model van zijn ring, nog twee andere bestelde. Hij spaarde kosten noch moeite. Ze waren inderdaad nu alle drie gelijk. Hij zegent ten afscheid zijn zonen, geeft hen alle drie een ring en sterft. Iedere zoon speelt nu met de vraag: wie zal de heer des huizes zijn? Ze overleggen, ze redetwisten, er ontstaat haat en nijd. Allen betoogden dat ze de ring hadden gekregen uit hun vaders hand. Dat ze met recht macht en gezag over hun huis mochten uitoefenen. Alleen: de ware ring had het vermogen om zijn eigenaar geliefd te maken bij God en de mensen. Welke zoon was dat nu? Wie bezit de waarheid? Nathan der Weise zegt: laat elke eigenaar van de ring nu bewijzen dat hij zich geliefd kan maken bij God en de mensen. Alleen met die opdracht kan een waardevolle nalatenschap aan de mensen worden doorgegeven.

  1. Overlezen

In de levensbeschrijvingen van Luther en Bach, vindt men bijzondere passages over de positie van de vrouw in die dagen. Wanneer de echtgenoot overlijdt blijven, bijzondere voorzieningen zoals bij Luther daargelaten, vrouwen vaak onverzorgd achter. Het erfrecht richtte zich op de nakomelingen en niet op de levenspartner. Veel weduwen zoeken hun toevlucht in dienstbaarheden als baakster of min. Ziekenverzorgster ook. Zij kennen de gangbare kruiden en hun werking. Kamille-thee en valeriaan. Weinig respectvol worden hun activiteiten bezien. Er zijn verhalen te over waar kerk en overheid zich hebben verlaagd tot heksenverbanning en erger. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat het “overlezen”, zoals dat in mijn jeugdjaren nog her en der vanuit familietradities werd beoefend, van oorsprong stamt uit de hierboven beschreven ziekenzorg. In onze dagen is de scepsis terecht groot. Vooral omdat het mensen vertrouwen geeft in genezing, waar allereerst de reguliere gezondheidszorg moet worden geconsulteerd. Hoe dan ook. Rens van Ham uit de Kromstraat, kon brandwonden overlezen. En mijn moeder kon dat met verstuikingen. Moeder had het doorgekregen van haar vader op diens 75ste verjaardag, die het weer had van zijn grootvader. Mijn moeder heeft het mij verteld op Allerheiligen 1984. Ik heb het nooit gepraktiseerd. De betreffende tekst, berust in mijn archief.

  1. Vriendelijk gezicht van de kerk

Dan zijn er in Brabant nog die verduiveld aardige bisschoppen. Uit handen van monseigneur Mutsaerts (een hele deftige!) heb ik mijn Eerste Communie en broer Tini zijn Plechtige Communie ontvangen. In zijn preek hief hij zijn bisschopstaf op als een geweer en zei: “Als d’n duvel komt, zeg je gewoon: pief paf poef, wegwezen jij”. Een bijzonder staaltje van verkondiging. Maar ik ben het nooit vergeten. En toen kwam bisschop Bekkers. In ons gezin al bekend toen hij rector was op internaat Eikenburg in Eindhoven (1939-1957). Menigmaal verorberde hij bij ons aan tafel een lekkere boterham. Was vol belangstelling voor het werk van mijn vader. Toen hij bisschop was geworden heeft mijn vader hem nog wel eens op de pastorie in Valkenswaard begroet. Hij bezocht onze opa en opoetje toen die 70 jaar getrouwd waren. Niets was die dag zo bijzonder als de komst van de hartelijke bisschop uit Den Bosch. In zijn brieven bleef hij meeleven met ons gezin. Zijn sterven was een groot verdriet in Brabant. Wie herinnert zich niet zijn laatste tocht vanuit de Sint Jan langs de dreven van de Meierij naar zijn laatste rustplaats in Sint Oedenrode? En dan bisschop Jan Bluijssen. Meer besturend dan zijn naar buiten gerichte voorganger. Emeritus nu, die broos van gezondheid, bij zijn komst her en der nog steeds de mensen begeestert. Men staat op en applaudisseert bij binnenkomst van deze eenvoudige priester. Niet uit gevoel dit te doen voor een Bekende Nederlander, maar met het gevoel verbonden te willen blijven met de kerk van kardinaal Alfrink en de onvergetelijke Johannes XXXIII. De man die de kerk een vriendelijk gezicht gaf. Tilly en ik hebben een aantal malen met de bisschop gesproken. Een voorzichtig man. Een klank-gekleurde stem. Met meningen die – althans tegen ons – oprecht en begrijpbaar waren. Ook hij bleef de familie nabij met brieven, zo nu en dan.

  1. Teilhard de Chardin

Dan even terug naar die adolescent. Ik wordt collectant in de kerk. Ik ga met enkele notabelen met zo’n stok, waaraan een rood-fluwelen zakske hangt, na de preek rond. Een eerbiedwaardige dienstverlening. De tijd van de viering vliegt om. En je aanschouwt de mens. Op Witte Donderdag worden ook mijn voeten door de Deken gewassen. Zijn nederige houding sprak me niet zo aan. Het is een gebaar van Jezus dat niet door mensen is na te doen. Dan treed ik toe tot de Katholieke Kring in Eindhoven. Een kring geleid door de toen befaamde mr. Cammelbeeck. Sprekers waren dr. Lescrauwaert (de latere bisschop) als het ging over het Vaticaans Concilie (1962-1965). En dr. Wildiers als referent over de werken van Teilhard de Cardin. De vraag van Hans Küng: “Waarom is er iets en niet niets?” Avonden in het Eindhovense hotel De Cocagne die me geweldig inspireerden. Na Vaticanum II kom ik in een commissie die aanbevelingen doet voor de herinrichting van de Nicolaaskerk. Eucharistie in dialoog met de kerkgangers. De tweede reformatie breekt aan. Opnieuw moeten de beelden de kerk uit. Nu op last van Rome! Nou ja.

  1. Pieter van der Meer de Walcheren

Met enige achterdocht bezagen mijn moeder en mijn zus mijn plan eens een paar dagen door te brengen in de Paulusabdij in Oosterhout. Ik wilde Pieter van der Meer de Walcheren (+1970) ontmoeten. Zijn faam was er: een legende in Brabant. Maar ook zijn grensverleggend inzicht om op late leeftijd nog het klooster in te gaan. Geïnspireerd door Taizé. Een zoektocht beginnen met vrouw en kind. De oude monastieke tradities te beschouwen en tastbaar te maken in de woorden van Sint Johannes van het Kruis:

 

Dit leven is een diepe duisternis

Maar het geloof weet waar de bron wel is

Ook al is het nacht.

 

Zijn visie op de beschouwingen van Teilhard de Chardin, zijn warme vriendschappen met Léon Bloy, Jacques en Raïssa Maritain en vele anderen veranderden zijn leven. Zeer afstandelijk tot de kerk, bleef hij in de nacht zoeken naar de bron. Het gedachtengoed van Schillebeeckx deed hem bewogen zoeken naar kloosterlijke idealen. Het maakte hem vooral tot een persoon die zich inspirerend wilde opstellen in netwerken van religie en kunsten. In gesprekken met hem, heb ik gezocht naar beginselen van mijn eigen spiritualiteit. Toen nog vrijgezel, althans na enige pogingen om van die status af te komen, heeft hij me vooral begeesterd die zoektocht naar de ander voort te zetten. Heel bijzonder was de opdracht die hij voor me schreef in een van zijn dagboeken:

 

Alles is Liefde

+ Voor Romé Fasol –

ter herinnering aan zijn eerste bezoek

aan onze abdij,

– en aan onze ontmoeting!

Pater Pieter van der Meer de Walcheren.

20 juni 1965.

 

Niet lang daarna zou ik Tilly (opnieuw) ontmoeten. In onze trouwringen werd in 1967 Pieters adagium gegraveerd: “Alles is Liefde”. Interessant ook zijn Pieters contacten geweest met de medicus-pictor Hendrik Wiegersma. De contacten die er al waren met Maritain en Bloy werden in Deurne uitgebouwd, vanuit zijn redacteurschap van De Nieuwe Eeuw in Helmond (1921-1924). In de Wieger ontmoet Pieter mensen als schilder Otto van Rees (vriend van Kees van Dongen), beeldhouwer Zadkine, Jan Engelman, Gabriël Smit, Antoon Coolen en vele anderen. Zie daarover Wiegersma’s biograaf Theo Hoogbergen.

  1. Zuster Germaine

Nog een andere ontmoeting wil ik hier noemen. Ontstaan door de noodzaak mijn Franse taal wat op te vijzelen. Werkgever Philips zond me een aantal malen naar Parijs en Evreux. Mijn moeder adviseerde me contact op te nemen met een oude onderwijzeres, zuster Germaine. In het klooster in Bergeijk Loo. Deze zuster behoorde tot de Franse congregatie Les Soeurs du Saint Esprit. Bij mijn eerste bezoek nam ze me meteen mee naar de spreekkamer en heel voorzichtig begon mijn eerste conversatieles. Gevolgd door vele anderen. Ze gaf me steeds een Frans tijdschrift mee en er doorheen bladerend, kwam het tot een gesprek. Een spiritueel gesprek. Niet zwaar, eerder lichtvoetig en met veel esprit. Zuster Germaine was oud en erg klein. Toch groeide er hartelijke vriendschap. Tilly en ik hebben haar uitgenodigd op ons trouwfeest. Ze mocht niet van haar overste. Toen Peter geboren was, mocht ze wel op visite komen (4 januari 1969). We hebben haar gefotografeerd met Peter in haar armen. Aandoenlijk schoon. Maar het leven gaat verder.

Op een dag word ik gebeld door de overste van het klooster. Zuster Germaine was ernstig ziek. Ze had graag dat ik nog eens kwam. Boven op de zolder, onder het houten dak lag ze, in een kleine chambrette. We spraken wat. Wat Frans en wat Nederlands. Bij het afscheid keken haar grote ogen me speels ernstig aan. Ze zei: “Romé, ik zal nu spoedig sterven. Ik verheug me op de ontmoeting met “mon Christ”. Maar ik sterf zo ver van huis! Je weet dat ik uit de buurt kom van Quimper in Bretagne. Daar woont de familie. Ik ben er na 1911 niet meer geweest. Niemand die nu mijn hand ten afscheid houdt. Niemand die mij ten afscheid kust. Zou ik je mogen vragen mijn hand vast te houden en me een eenvoudige kus op mijn voorhoofd te geven?” Ik huiverde van ontroering. En heb aan haar lieve wens voldaan. Tot haar vreugde en de mijne. Korte tijd daarna (5 september 1969) is ze 76 jaar oud gestorven, de arme schat. Enige maanden later komt de overste van de congregatie bij Tilly en mij op bezoek, met een wonderlijke boodschap. Zuster Germaine had als laatste wil bepaald dat haar ordeteken “een klein zilveren duifje” (le saint Esprit) aan mij zou worden nagelaten. Geheel tegen de regels van de congregatie in. Maar haar wens is gerespecteerd. Het heeft nog steeds een ereplaats in ons huis. Bij mijn benoeming tot burgemeester, schreven haar medezusters: soeur Germaine zou overgelukkig zijn met uw benoeming als burgemeester!

Noot: Zuster Germaine werd 3 april 1894 als Marie Thérèse Paubert geboren in Fouësnant Finistère. Als kloosternaam nam zij aan: Soeur Sainte Germaine Cousin.

  1. Sint Jansparochie

In 1967 zijn Tilly en ik in de Minister Aalbersestraat gaan wonen en beleefden er wonderlijke jaren. Kinderen krijgen bijvoorbeeld. Ras word ik er benoemd tot kerkmeester, een benoeming die aanleiding gaf tot grote gezelligheid in de tuin van buurman Henny Mélotte. Pastoor van Rooy was een goed mens. Zijn zondagse preken waren meer gericht op de aanwezige jeugd, dan op de ouderen. “Zo manneke, welk feest vieren we vandaag?” En het manneke vertelde de pastoor dat we het feest vierden van Palmpasen. En zo meer. Na de mis weer in de auto, vroeg ik Peter en Carola onveranderlijk: “En waar had de pastoor het over?” Peter sloeg er een vrolijke slag naar. Carola kneep hem en haalde opgelucht adem, als we inmiddels weer thuis waren. Peter werd misdienaar en verdiende een rolletje drop, dat hem elke week door de getrouwe “Trees van de pastoor” werd overhandigd. Tijdens de kerkbestuursvergaderingen kwam er wat anders op tafel. Na afdoening van wat wet en regelgeving vereisten, kwam er een bestofte fles uit de kelder naar boven. De pastoor had zijn wijnvoorraad geërfd van zijn heeroom. Oud spul. Voorzichtig werd het lak verbroken. Loden capsules waren er niet, in de dagen van heeroom. En zeker geen plastic. Lak dus. Daarna werd de kurk verwijderd. Het werd dan stil ter vergadering. Met een servet werd een eventuele lakkruimel verwijderd. Dan schonk de pastoor een eerste half glas uit. En onder het uitschenken mompelde hij opgelucht “flavescit”. Dat wil zeggen: “hij licht op”, ten teken dat de wijn nog niet over zijn jaren heen was. Op Nieuwjaarsdag vroeg hij me eens: welk is jouw geboortejaar? 1937, pastoor! Onze zielzorger ging dan in zijn kelder eens kijken en kwam naar boven met een fles cognac uit dat jaar. Ik zei het al: we beleefden er wonderlijke jaren. Helaas liep de kerk na het afscheid van pastoor van Rooy leeg. Ze is nu afgebroken en heeft plaats gemaakt voor moderne gezinswoningen met zicht op het zuiden. Het zou troostrijk zijn te weten, dat er onder die woningen nog een wijnkelder ligt, die gesloten is tot weer iemand mompelt “flavescit”!

   5 Tarcisius van Valenberg

Voor de installatie als burgemeester in Nistelrode worden talrijke uitnodigingen rond gezonden. We ontvangen een bericht van verhindering van de in het oude klooster van Handel verblijvende bisschop emeritus monseigneur Tarcisius van Valenberg ofm.cap. Deze capucijn was al emeritus aartsbisschop van Medan, toen broer Wim aantrad als missionaris bij de Karonezen op Noord Sumatra. Van Valenberg blijft vertrouwensman van de missionarissen, wanneer Soebandrio in de nadagen van het Soekarno-regime naar Sumatra uitwijkt. De missionarissen worden dag en nacht bewaakt door hun parochianen. Post uit Nederland wordt naar de nu in Rome verblijvende bisschop gezonden, die wegen heeft om de berichten uit Nederland door te geleiden. Na de pacificatie vestigt hij zich in het oude klooster van Handel, waar wij hem een aantal malen bezoeken. Wij praten over hem met zijn familieleden, de Peijnenburgs (van de peperkoek!) Hij wordt oud. De oudste bisschop van Nederland. De bisschop met de meeste dienstjaren. Hij schrijft me een brief (07.01.1981) ter gelegenheid van mijn installatie als burgemeester van Nistelrode. Hij wenst ons alle goeds. “En om die wensen een stevige gestalte te geven, wil ik gaarne in de maand januari de 24ste de H. Mis tot die intentie opdragen”. Het wordt voor de 90-jarige emeritus een zittende mis. Op een stoel gezeten aan het altaar zijn we getuige van zijn ingetogenheid. Aan de arm van een verzorgende broeder doet hij ons tenslotte uitgeleide.

  1. Abdij van Berne

Eenmaal in Nistelrode, zoeken we naar goed vervolgonderwijs voor Peter en Carola. De keuze valt op de “abdijschool” Bernrode in Heeswijk. Een kleine school, wel met de uitdaging dat onze kinderen het categoriaal gymnasium moeten kunnen halen. Schakelen naar een ander schooltype, betekende immers onderwijs gaan volgen in een andere school. Maar het ging goed. Peter kreeg er zijn bevlogenheid. Carola sloot er vriendschappen voor het leven. Al spoedig word ik door leraren voorgedragen als lid van het curatorium van de school. Interessante tijden. Een eeuwfeest met een rede van staatssecretaris Ginjaar. Een rectoraatswisseling en de nieuwbouw. Na verloop van tijd word ik vice-voorzitter. Een sine-cure, want Abt Baeten is onze voorzitter. Een wonderlijke priester. ’s Zondags gaan we graag naar de abdijkerk. Je moet geloven, zoals je lief hebt, horen we. Bij mensen die elke dag het bewijs van de liefde vragen, gaat de liefde teloor. Zo is het ook met het geloof. Zijn boodschap klinkt door. De abdijkerk zit boordevol. Nieuwe volgelingen van Norbertus treden in. Er volgen publicaties. Er is plek voor iedereen, lezen we! Niemand is onvindbaar voor de Heer. De gevolgen konden niet uitblijven.

De gevolgen ontstonden bij het aantreden van de opvolger van bisschop Bluijssen. Naar aanleiding van een uitlating over wie het sacrament van de Eucharistie zou moeten worden geweigerd, werd ook de abt door de media naar zijn mening gevraagd. Onbevangen beantwoordde hij die vraag met de uitspraak dat de verantwoordelijkheid daarvoor allereerst ligt bij de gelovige zelf. De zaligsprekingen zijn daarover duidelijk. Er is immers plek voor iedereen! Een goed antwoord, helaas niet in de lijn van het eerdere antwoord van de bisschop. Groot tumult in den lande. Gesprekken om uitleg te geven lopen vast. De traditionele positie van een abdij als vrijplaats komt ter discussie. De abt immers, is “exempt”. Hij heeft een eigen jurisdictie ten opzichte van het bisdom, waarin de abdij is gelegen. Binnen het episcopaat verstilt nu de dialoog. De gedachtenwisseling genereert echter grote warmte bij ons en andere abdijbezoekers. Ze leidde tot het verzoek van Peter en Anja aan de abt mede voor te gaan bij hun huwelijkssluiting. Ook doopte hij in de kapittelzaal van de abdij onze kleinkinderen. Karlijn op 22 april 2000. Handjes die tasten naar het licht. Mariken op 16 november 2002. De liefde lief gekregen, in Nimwegen zo zoet, gaf Mariken toegenegen, een geest die leven doet. Kirsten 2 april 2005. Gaude Kirsten, Domini in Laude. Schep vreugde Kirsten, in de lof des Heren.

  1. De Roerom

Eerder al, onafhankelijk van dit proces, besloten een aantal mensen uit het bisdom tot het uitgeven van een communicatieblad voor kerk en samenleving, met de naam “De Roerom”. Het stichtingsbestuur werd onder andere gevormd door personen als de capucijn Piet Leenhouwers (klasgenoot van mijn broer Wim), en de burgemeesters Letschert van Tilburg en Geukers van Helmond. De laatste vroeg ook mijn steun voor het initiatief. Tot mijn verhuizing naar Limburg ben ik lid gebleven van het stichtingsbestuur. Binnen die context vernam ik van het voornemen om abt Baeten in Rome voor te dragen voor, laten we zeggen, een andere functie. De abt bleef evenwel waar hij was. Maar nog steeds blijft vrijheid van spreken bij deze (inmiddels emeritus) abt niet zonder gevolgen. Getuige ook de moeizame besluitvorming om hem tot geestelijk adviseur te benoemen voor de Unie Katholieke Bond van Ouderen. De abt zegt echter: “Het zij zo”.

  1. De vriendelijke Gijsen

Ten slotte een laatste uitloper vanuit de Kempen. Eenmaal in Limburg aan het werk, lees ik in het Dagblad van 10 juli 1998, dat vanuit Nuth (of all places!) enig ongenoegen wordt gerapporteerd over de zegening van een partnerschap tussen twee vrienden. Het bisdom laat via de media weten dat “als er om zegen gebeden zou worden, dit altijd mede een gebed moet zijn dat God hen de genade en de kracht moge geven om weer volgens Gods bedoeling te gaan leven”. In een brief aan de bisschop Wiertz hebben Tilly en ik laten weten ons deze zinsnede erg te hebben aangetrokken. Wie kent nou Gods bedoelingen? De bisschop zegt ten antwoord in een brief van 17 juli 1998, mijn betrokkenheid te waarderen. Hij zendt in bijlage de door dr. H. van der Meer geschreven instructie aan bedienaren, die handelt over dankdiensten bij partnerschapsregistraties. Ik heb de bisschop een repliek gezonden op de instructie. Opnieuw ontvang ik een brief met een nadrukkelijke uitnodiging tot een gesprek. Ik heb het verzoek ter sprake gebracht in het College van B en W van Horst, die mijn positie terzake van harte steunden. Op 19 oktober vond het gesprek aldus plaats in het bisschoppelijk paleis in Roermond. Tilly en ik werden allerhartelijkst ontvangen in de studeerkamer van de bisschop. Noch de vlaai, noch zijn hartelijkheid, noch mijn welsprekendheid, noch de overtuigingskracht van Tilly hebben echter gebaat bij het vinden van een loopbruggetje naar elkaars standpunt. Wij hebben toen maar vriendelijk van elkaar afscheid genomen. Bij het weggaan vroeg hij of we de vergaderkamer van het kapittel wilden zien. En toen dat het geval was, toonde hij de “goei kamer” van het bisschopshuis. Rondom hingen de geschilderde portretten van de Roermondse monseigneurs. Toen we tenslotte bij bisschop Gijsen aankwamen, liet ik me ontvallen het een erg vriendelijk portret te vinden. Leuk dat u dat zegt, zei bisschop Wiertz. Heel droog vervolgde hij: “Het werd geschilderd door een dove schilder”!

  1. Delicaat

Alles overziende. Willen we nog geloven? Uit onderzoek blijkt dat veel bewust levende jongeren die vraag positief beantwoorden. Bij ouderen neemt geloof in het (bij voorkeur esoterisch) “ietsisme” toe. Het antwoord op de uitdaging is soms eenvoudig en voor de hand liggend. Een enkele keer “De Profundis”, zoals psalm 130 zegt: “Uit de diepten van verslagenheid, roep ik tot U Heer. Wees voor mij een oor dat luistert!” Vooral de sympathie van mijn ouders voor de eenvoudige kerk is mij bijgebleven. Geen geloof in de “sterke stukjes” waarvan het Oude Testament verhaalt. Geen geloof in kerken die “vanaf de preekstoel” orakelen. “Ik hoef uw kardinaalshoed niet”, zegt de vredelievende en tolerante Erasmus tegen de officiele kerk. Verkondiging wordt delicaat voor de harten van mensen die beproefd worden. Eerder telt het invoelingsvermogen in Christus (de Lieve Heer) en zijn Bergrede. En abt Baeten zegt in deze dagen (ik herhaal het): je moet geloven, zoals je liefhebt. Iedere dag het bewijs vragen van de liefde, doodt de liefde. Zo gaat dat ook met geloof. Augustinus bevestigt, dat het geloof groeit in het steeds weer meditatief bezig zijn op rustige dagmomenten. Blinden ontwikkelen vaak een betere tastzin, constateert Margriet Sitskoorn recent in haar boek “Het maakbare brein”. Voor die zoektocht moet elke dag ruimte worden gemaakt.

Dit artikel is onderdeel van de in 2007 gepubliceerde bundel Late Haver.

Verder lezen: