Wanneer ik mensen spreek over mijn familie, moet ik allereerst uitleggen dat er geen incest in het spel is en vervolgens, nog moeilijker, dat er zelfs van inteelt geen sprake is. Hoe deze kluwen van Timmermansen, van Elsen, Botdens en Fasollen wel in elkaar zit, gaat menigeen de pet te boven en blijft derhalve een zweem van wantrouwen in stand houden.

Kortom: ik heb “un hieeeel groëte femilie”, waarbij, ’t is echt waar, ten opzichte van de van Elsen de Timmermansen de ondergeschikten zijn. Daarvan zijn wij namelijk de kleintjes. Naar verluid nam Karel al vroeg de wijk “noar de hei” waar hij zo’n beetje als de achtste zoon van van Else Piet beschouwd werd en zich vervolgens samen met Sraar en in navolging van Toos, introuwde. Hent en Bet woonden daar toen al.

Tsja, de Timmermansen: opa en oma waren al dood toen ik geboren werd en het ouderlijk huis van mijn vader ken ik alleen van de buitenkant en uit verhalen. Evenzo ken ik ome Vic, de “keizer van de Loy”, voornamelijk van horen zeggen en van een brief, die hij mijn ouders schreef bij mijn geboorte, waarin hij de hoop uitsprak dat zij mij tot “enen fijnen roomschen jongen en prompte katholiek” op zouden weten te voeden. Wel, daaraan heeft het niet ontbroken en misschien was dat juist ook wel de beste manier om er ook weer snel vanaf te raken….. Ome Vic zelf zag ik in mijn leven slechts enkele malen en de eerste keer pas op de koperen bruiloft van mij ouders.

De Alkmaarsen zagen we al wat vaker. Bezoeken konden mooi gecombineerd worden met het bezichtigen van moeders petekind, de zoon van Leo van Els, (waarschijnlijk niet geheel toevallig) collega van ome Ben. Onder de hoede van Ber en Chris zag ik tijdens zo’n bezoek, voor het eerst de zee. En dat na een legendarische reis in de Cortina van Pierre en Tonny. In het toen nog autobaanluwe Nederland slaagde ome Pierre erin om er, ondanks een tijdig aangevangen en toch voldoende omvangrijk reisgebed, ruim 4 uur over te doen om de afstand Heythuysen-Alkmaar te overbruggen; daarbij geen woord te zeggen, maar wel opgewekt circa 684 verschillende marsen te fluiten….

Zoals het Limburgs patronagesysteem wellicht ome Leo mede aan een Alkmaarse betrekking heeft geholpen, zo werd reeds lang daarvoor ome Pierre op voorspraak van opa Piet van Els in Heythuysen bij de “Boorenbontj” geparachuteerd. Hij wist wat hem te doen stond en schoof terstond mijn vader als jongste bediende bij de zojuist door de boeren gestichte Gezondheidsdienst voor Dieren naar binnen. Vervolgens werd Pierre weer als dank het peetvaderschap over mij toebedeeld, wat helaas een voorspoedige atheïstische ontsporing niet heeft kunnen voorkomen, maar vooruit: aan ome Pierre heeft ’t niet gelegen.

Ome Pierre was een groot man in Heytse; de eeuwige vraag “Bus doe d’r eine van Tummermans vanne bontj?” leidde via het “Nae, van Karel” tot het onvermijdelijk met nietszeggende uitdrukking uitgesproken “Oh” . Later, veel later is Karel ook “eine groëte miens in Heytse” geworden…..

Bij Pierre en Tonny zijn wij natuurlijk wel veel over de vloer geweest en ook vooral in die richting: Pierre’s opvatting was namelijk dat bezoeken strikt naar anciënniteit werden afgelegd. Zodoende is hij volgens mij alleen bij mijn Eerste Heilige Communie en tijdens het laatste ziekbed van mijn moeder bij ons over de vloer geweest. Bezwaarlijk vonden we dat helemaal niet, want het was goed toeven aan de Oude Trambaan; een grote avontuurlijke tuin met schommel, een even zo groot huis met altijd goed gebak en nostalgische geuren van “good aete”, gedistilleerd en (veel) sigaren; bij hen op de tv was altijd paardspringen.

De Eindhovensen kwamen ook nogal eens langs bij “Pieter”. Als we ze daar al niet troffen, dan kwamen ze regelmatig bij ons even langsrijden: Heeeele grote auto’s naar mijn idee; grote kinderen; en veel…. Wel leuk, lachen!

Een vergelijkbaar nostalgisch soort gastvrijheid als bij Pierre en Tonny ondervonden we bij Hent en Bet. Wij waren veel met de andere van Els-gelieerden in Wanssum en na de mis was het bezoek aan de overkant vaste prik; steevast “en rölleke drop” en vaak een stapeltje oude Pep’s mee naar huis. En ook hier lachen, al snapten we er als kleintjes nog niet alles van.

Wonderlijk is dat we ome Jan eigenlijk uitsluitend in van Elsenverband bezochten: Na de jaarmis voor opa van Els belandden we meestal in Venray bij Paul van Els en die was waarschijnlijk blij als al die kinderen eens even weg waren. Dus werden wij nadrukkelijk gestimuleerd het vlakbij gelegen klooster maar eens aan te doen: “motte mar vroage of pater Willibald d’r is….” Wie dat dan was..? Ome Jan liet ons dan altijd los in de gymnastiekzaal en als het weer was zelfs in het zwembad: geweldig; om een jaar naar uit te kijken!

Met Paul en Jo deelde mijn ouders de passie voor kerkelijke zangmuziek en dat leidde begin 70-er jaren tot regelmatige bezoeken aan Sittard. Directe aanleiding was dat Karel als allerlaatste Nederlander zijn rijbewijs haalde, zij het dat dit mede ten gevolge van zijn eigen zorgvuldig gecultiveerde onhandigheid, beperkt moest blijven tot een automaat. Destijds leidde dat onvermijdelijk tot de voor pubers catastrofale verwerving van een DAF, waarmee op zondag graag door het Zuidlimburgse heuvelland getourd werd. Vooral bergaf was dat erg opwindend want dat een DAF middels een groen knopje tot remmen op de motor gebracht moest worden, is nooit onderdeel van mijn vaders rijvaardigheid geworden. Vandaar dus dat Sittard op weg naar het stroomafwaarts gelegen Heythuysen een logische tussenstop was…

De rest van de familie waren natuurlijk gewoon van Elsen….: en eigenlijk waren de Botdens dat ook als neven en nichten van diezelfde van Elsen. Johan, Do en Aloys waren bekende gezichten; Tilly was meer dan een nicht voor mijn moeder; Koos werd evenzeer betreurd; nooit speelde iemand mooier op onze piano dan Paul en nooit at iemand minder bij ons dan de op verlof zijnde Jacques (“Kiekt mar uut dat ge ow nie verslikt, Jacques”).

En toch ondanks deze van Els-dominantie is er natuurlijk een Timmermansen-band; sterk gevoeld juist nu deze laatste maanden bij de recente overlijdens: alle familieleden zijn op een of andere manier drager van een stukje van mijn persoonlijk verleden; herinnering aan een mooie jeugd die eraan heeft bijgedragen nu stevig in het leven te kunnen staan.

Het sterkst geldt dit voor de Zeelster: Hanneke en Frank, Margo en Thijs, de kwikzilverige Simon er tussendoor: Dat waren de combinaties van vroeger: meer dan neven en nichten: net geen inteelt, maar schelen doet ’t niet veel meer…. Dat het sterven van de tweede generatie hier nou net zo’n beetje moet beginnen: “Ut zuj nie motte meuge….”

Verschenen in Familiekrant Van Els, april 2005.

Verder lezen: