Matthieu heeft onderstaand gedicht geschreven voor, en voorgedragen bij, de jaarlijkse familiereünie in Blitterswijck in 1993. Het gaat over de vele tientallen ansichtkaarten die Moeder door de jaren heen van heinde en verre toegestuurd had gekregen van haar kinderen en kleinkinderen en die zij al die tijd bewaard had. 

Maar het gaat natuurlijk ook over dat echte spelen met kaarten, hét tijdverdrijf in ons gezin, het onvolprezen kaartspel. Met toestemming van de auteur wordt dit ‘Worte ohne Lied’ hier aan de vergetelheid onttrokken. Het zal bij menigeen dierbare herinneringen oproepen.

Kaart-boksen waren Pa en Ma,
roemen en moelen zonder weerga,
rikken, toepen en kruusjassen,
huëgen zonder te willen passen.
Hoezeer hebben zij ons kaarten geleerd,
alleen Paul’s tere ziel heeft het gedeerd.
Moeder bleef na Vaders dood ijverig volharden,
in Heythuysen speelde zij alles en iedereen aan flarden.

Ook wij, kinderen en kleinkinderen, bleven
‘kaarten’, in ansichten die wij schreven
van al onze reizen van land tot land,
met beste groet van stad, zee en strand.
Leo stuurde de Zegen uit Rome,
Petertje F. schreef: “Oma, wij komen”,
Hugo seinde vanuit het landelijke Heijen,
ook Stijn verbleef in Romeinse contreien,
Timo groette Oma vanuit ‘la Douce France’,
Hanneke bezocht het wonder-fraaie Florence,
Margo reisde naar Lloret de Mar,
voor Heleen was de Griekse hitte te bar.
Susanne, geloof me, studeerde in Rolduc,
Franks auto reed in Luxemburg enigszins kaduuk,
Thijs was ‘am Potzdammer Platz’ in Berlijn
en Jules vond het in Berleburg-Laaspe zo fijn.
Zoetermeerse Paul was ondermeer in Londen,
Cecile-Philippe schreven wat ze van Mont Saint Michel vonden.
Peter, de bankier, was in Boedapest en Praag,
Christianne vond Frankrijk bepaald geen plaag,
Wilbert zong in Straatsburg en Parijs,
Tilly en Romé kregen in Abtenau de Ere-prijs.
Pierre fietste door de halve E.E.G.,
Pieter vond in Argentat een beste camping-stee.
Marianne bezocht Finland en nog veel meer,
Netta-Sraar bezochten Lago di Garda keer op keer.
Theo ging voor de wetenschap naar Polen,

Karel bekeek waarachtig in Alkmaar een molen,
Harry schreef vanuit Monaco: Rien ne va plus,
En de Botdens zonden ook van overal hun ‘salut’.
Vele kaarten stuurden “from abroad” Moe Fasol en Dré,
Toos-Almelo zag de mooie Maasvallei te Fumay.
Paul, Bep en Bart hebben hun kaarten reeds gevonden,
ikzelf, tenslotte, nam wat ik Moeder had toegezonden.

Heerlijke tijden, nostalgie, mooie jaren,
herinneringen, alles, aan wie en wat wij waren.
Misschien kan het beter, maar het was goed zoals het was.

“Nog efkes kaarten, Moeder?” “Nee, jonges, ik pas!”

Matthieu, Zoetermeer, 15 april 1993

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 24, april 2012.

Verder lezen: