Een schets van overheidsdienaar Romé Fasol

Deze biografie verscheen in ‘Horster Historiën 5 – Cultuur te boek’, (Horst, 1999). Deze bundel werd aan de scheidende burgemeester opgedragen.

Het credo van Romé Fasol. Zo zou je zijn uitspraak ‘lk streef naar blijvende loyaliteit tussen alle partijen (1) – gedaan in 1984, op het moment dat hij burgemeester was in Nistelrode – kunnen noemen. Als medewerker van Philips (1963-1980), wethouder in Valkenswaard (1976-1980), burgemeester van Nistelrode (1980-1988) en burgemeester van Horst (1988-1999) heeft Fasol zich altijd een fervent aanhanger van het harmoniemodel betoond. Het einde van zijn loopbaan als wethouder en burgemeester vormt een geschikte aanleiding terug te kijken op zijn leven en functioneren als bestuurder.

Romé Fasol is natuurlijk meer dan voormalig medewerker van Philips, voormalig wethouder en (bijna) voormalig burgemeester. Romé Fasol is ook sinds 1967 echtgenoot van Tilly van Els, vader van Peter (1968) en Carola (1970), verzamelaar van alles wat met Sint Nicolaas te maken heeft, van jongs af aan bewonderaar van de humanist Desiderius Erasmus, bibliofiel, wandelaar, muziekliefhebber en tuinier met als specialiteit snoeien. Voor al deze persoonlijke zaken is hier slechts zijdelings aandacht. Dat wil zeggen dat ze alleen gememoreerd worden als ze relevant zijn voor zijn maatschappelijke carrière. Gezien de literaire aspiraties waarvan hij in het verleden meermaals blijk heeft gegeven, moet de kans niet uitgesloten worden geacht dat privé-aspecten uit zijn leven nog eens een keer aan de orde zullen komen in een mogelijk ooit te verschijnen autobiografie.

Ter wille van het verrassingseffect moesten zowel Romé Fasol zelf als zijn directe familieleden onbekend blijven met het verschijnen van deze bijdrage. Omdat zij de primaire bronnen zijn voor een beschrijving van leven en daden van Romé Fasol, betekende dit een ernstige handicap. Volstaan moest worden met interviews met mensen die hem van nabij hebben meegemaakt als wethouder en burgemeester en met schriftelijk documentatiemateriaal. (2)

LEVENSSCHETS

Valkenswaard

Borromeus Gerardus Joseph Cornelis Fasol werd op 20 september 1937 geboren in Valkenswaard als jongste van zes kinderen. Zijn vader, geboren en getogen in varkenswaard, was lange tijd hoofdonderwijzer van de openbare lagere school in Valkenswaard. Het gezin woonde naast deze school. Dat vader les gaf aan een openbare school, betekende niet dat de Fasols niet katholiek waren. De kinderen bezochten bijvoorbeeld de katholieke lagere school en Romé was jarenlang misdienaar. Nadat Romé de lagere school had doorlopen, bezocht hi j in zijn woonplaats het Hertog Jan College. Hier volgde hij een HBS-opleiding. Hij ontpopte zich als een actieve leerling die zitting had in de redactie van de schoolkrant, fanatiek toneelspeelde en allerlei evenementen organiseerde. De band met het Hertog Jan College was zo sterk dat hij later enige tijd lid en voorzitter was van het curatorium van deze school. Na het behalen van zijn HBS-diploma vervulde hij als compagnieadministrateur van 1958 tot 1960 zijn militaire dienstplicht. Vervolgens studeerde hij twee jaar MO-geschiedenis en was hij enige tijd als typist werkzaam op de afdeling bevolking van de gemeente Valkenswaard.

Op 16 april 1963 trad Romé Fasol in dienst van de grootste werkgever in de regio Eindhoven: de NV Philips. Na een stage bij de Philips-organisatie in Engeland werd hij stafmedewerker internationale planning van het bedrijfsonderdeel Elcoma. In deze commerciële functie diende hij veel te reizen. Mede met het oog op zijn verdere loopbaan bij Philips besloot hij in het najaar van 1969, inmiddels gehuwd en vader van een zoon, naast zijn reguliere baan te gaan studeren. In overleg met zijn werkgever koos hij voor de studie politieke wetenschappen aan de Katholieke Hogeschool Tilburg, met als tweede vak economie. Hij studeerde in zeven jaar af: ‘wat niet direkt snel te noemen is, maar ik had nog steeds mijn volledige dagtaak bij Philips.(3) Ten behoeve van zijn doctoraalexamen in de sociologie van staat en openbaar bestuur schreefhij twee doctoraalscripties: ‘Veranderingen in de beleving van legitimiteit’, en ‘Medezeggenschap in het vrije ondernemen’. Op 31 maart 1977 studeerde hij ‘met genoegen’ af.

Fasol was inmiddels van functie veranderd binnen Philips. Op het moment van zijn afstuderen was hij al twee jaar hoofd van de personeelsdienst van Elcoma. Reeds veel langer was hij politiek actief binnen de KVP-afdeling in zijn woonplaats Valkenswaard.Lijd geworden in 1965, zat hij sinds het eind van de jaren zestig in het bestuur van de afdeling. Als voorzitter van de afdeling Valkenswaard van wat inmiddels het CDA was gaan heten, werd hij in 1974 op de lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen geplaatst. Weliswaar op een onverkiesbare plaats, maar toen wethouder H. Vermeulen in dcember 1976 om persoonlijke redenen aftrad, kwam fractievoorzitter W. Holtzer toch terecht bij Romé Fasol. In de fractie vond hij geen geschikte kandidaten voor de portefeuille die onder meer ruimtelijke ordening omvatte. Gezien zijn achtergrond en zijn studie achtte hij Fasol zeer capabel voor deze functie. Holtzer wist de kandidatuur van Fasol met succes in de fractie te verdedigen. Dit leidde er toe dat Rome Fasol in de raadsvergadering van 16 december 1976 niet alleen als raadslid werd beëdigd , maar ook tot wethouder werd gekozen. Later zei hij over deze bliksemcarrière binnen de Valkenswaardse politiek: ‘(…) niemand wilde zijn [Vermeulens] funktie overnemen. De portefeuille vond men waarschijnlijk niet aantrekkelijk genoeg: het betrof onder meer ruimtelijke ordening en personeelszaken. Misschien hebben ze toen gedacht laten we dat groentje er maar voor vragen, maar ik vond het geen probleem. Ik had tijdens mijn studie voldoende te maken gehad met administratief recht; het stond er zogezegd bol van! (4)

In 1978, bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen, was Fasol lijsttrekker van het CDA. In de gemeenteraadsvergadering van 9 september 1978 werd hij opnieuw tot wethouder gekozen. Zijn portefeuille bestond nu uit ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, grondzaken, economische aangelegenheden en werkgelegenheid. Van groot belang voor het verdere verloop van zijn carrière was, dat hij tevens loco-burgemeester werd. Toen de Valkenswaardse burgemeester mr. B.L.A. van Zwieten met ingang van 1 oktober 1978 tot burgemeester van ’s-Hertogenbosch werd benoemd, trad Fasol gedurende een half jaar op als waarnemend burgemeester. Hij droeg toen tevens verantwoordelijkheid voor de portefeuille financiën. Tijdens zijn tweede periode als wethouder wisselde hij binnen Philips – waarvoor hij inmiddels nog slechts parttime werkte – andermaal van baan. Hij werd nu stafmedewerker arbeidsverhoudingen bij de hoofdindustriegroep Video. In deze functie trad hij onder meer op als cao-onderhandelaar.

De carrière van Fasol had binnen tien jaar een volledig andere wending genomen. Leek die in de jaren zestig nog de commerciële richting in te gaan, nu lonkte, rond zijn veertigste levensjaar, nadrukkelijk een voortzetting van zijn loopbaan in bestuurlijke richting. Zelf was hij daar nog niet zo van overtuigd: ‘lk wilde mijn kommerciële functie bij Philips verlaten om binnen het bedrijf te gaan deelnemen aan de diskussie tussen vakbonden en bedrijf betreffende veranderende arbeidsverhoudingen.’ (5) Hij had evenwel zelf de voorwaarden geschapen voor een bestuurlijke carrière door de overgang naar een andere werkkring binnen Philips, zijn studie, zijn wethouderschap én zijn maatschappelijke betrokkenheid. Zo was hij voorzitter van het curatorium van het Hertog Jan College, kerkmeester van de Sint-Jansparochie in Valkenswaard, broedermeester van de broederschap van O.L. Vrouw van Handel, lid van de raad van advies van Bouwfonds Zuid Nederland en lid van het overlegcollege van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten met het provinciebestuur over culturele aangelegenheden. Bovendien was hij in Valkenswaard actief voor het behoud van het historisch patrimonium.

Nistelrode

Doorslaggevend voor de uiteindelijke keuze om zijn loopbaan voort te zetten in bestuurlijke richting, lijkt zijn waarneming van het burgemeestersambt in Valkenswaard te zijn geweest. Bij de installatie van de nieuwe burgemeester van Valkenswaard, mr. J.M. Bartels, omschreef Fasol zijn periode als waarnemend burgemeester als ‘een vrijage met een schone bruid’. (6)

IMG_0023

Bij de installatie van Romé Fasol tot burgemeester van Nistelrode. Van links naar rechts: T. Fasol-van Els, B. Fasol, gemeentesecretaris J. van der Linden, wethouder J. Geurden, gemeenteraadslid H. van den Elzen en gemeenteraadslid M. van Driel. (foto: J. van der Linden, Nistelrode)

Zelf zei hij over het keerpunt in zijn loopbaan: ‘Ik ging er van uit dat ik mijn pensioen bij Philips zou halen. Er was iemand uit de Raad van Bestuur nodig om mij duidelijk te maken dat de wethouders-vacature in Valkenswaard een algemener belang inhield en dat dat voor moest gaan. En zeker, wethouder en waarnemend loco-burgemeester zijn in je geboorteplaats klinkt als een jongensdroom. Volstrekte identificatie! De tijden zijn vervuld, of hoe zeg je dat? Loyaal tot in de huidporiën. Maar de gedachte overvalt je dat het waargenomen burgemeesterschap een zeer inhoudsvolle vorm van dienstbaarheid aan de samenleving is’. (7) Deze gedachte werd mede gevoed door commissaris van de koningin J .D. van der Harten, die hem adviseerde te solliciteren naar het ambt van burgemeester. (8) Na dit eerst in gezinsverband besproken te hebben, volgde Fasol het advies van de commissaris op. Bij zijn eerste sollicitatie was het meteen prijs: op 22 september 1980 werd bekend dat Romé Fasol was benoemd tot burgemeester van Nistelrode, een gemeente, gelegen tussen Uden en Oss, die ruim zesduizend inwoners (verdeeld over de dorpen Nistelrode en Vorstenbosch) telde.

Drie dagen na zijn benoeming in Nistelrode nam hij na een dienstverband van meer dan zeventien jaar afscheid bij Philips. Daar zag men hem met lede ogen vertrekken omdat men had gehoopt op een voortzetting van zijn carrière binnen het bedrijf. Maar eveneens was er trots, omdat het de eerste keer was dat een loopbaan binnen Philips was uitgemond in een burgemeesterschap. (9) Zelf zei hij later over zijn werk bij Philips: ‘Deze company [is] voor mij lange jaren de werkgever geweest waar ik marketing-gericht en vanuit marketingfilosofie heb leren werken. (10)

Op dezelfde dag van zijn afscheid bij Philips trad hij ook af als wethouder van Valkenswaard. Bij zijn vertrek memoreerde hij dat zijn intrede in de gemeenteraad onverwacht was geweest, maar zijn weggaan niet minder. Met voldoening keek hij terug op zijn wethouderschap: ‘De bijna vier jaren welke zijn verlopen sedert die algemene beschouwingen in december 1976 zijn voor mij erg gelukkige jaren geweest’. (11)

Op 10 oktober 1980 werd Fasol Geïnstalleerd tot burgemeester van Nistelrode. In zijn installatietoespraak beklemtoonde hij vooral de (historische) parallellen tussen Nistelrode en Valkenswaard: ‘Het is weer een gemeente rijkelijk ingebed in veel natuurschoon, weer kerkdorpen, weer hartelijke mensen die mij en mijn vrouw al de dag na de benoeming spontaan in het dorpshuis ontvingen. Weer een kollegiaal College. (…) De herkenningsmomenten lopen ook door in de geschiedenis van het meierijsche Nistelrode en Vorstenbosch en het kempische Valkenswaard. Ik zie bijvoorbeeld naar het vanouds in beide gemeenten gewaardeerde patronage van Sint Catharien. Zij is de patrones der welbespraaktheid in Nistelrode en Valkenswaard. Zo formidabel gezien, dat in beide plaatsen het gilde onder haar banier de trom roerde’. (12)

Het duurde even voordat Fasol en zijn gezin in Nistelrode hun plaats vonden. Zelf sprak hij later over het eerste jaar als ‘een moeilijke tijd’. Afkomstig uit de middelgrote provincieplaats Valkenswaard, moest hij wennen aan de kleinschaligheid van Nistelrode. Hij was de enige fulltime bestuurder in een gemeente met een betrekkelijk klein ambtelijk apparaat, met twee parttime wethouders en met louter lokale partijen in de gemeenteraad die over de kleinste details wensten mee te praten.

Door een deel van de plaatselijke bevolking werd Fasol in het begin met enige argwaan tegemoet getreden. Dit hield verband met de door de provincie voorgenomen bouw van een regionale afvalverwerkingsplaats in Nistelrode. Buurtbewoners voerden hier fel actie tegen. Zij hadden aanvankelijk de indruk dat Fasol benoemd was om er ‘even’ voor te zorgen dat de vuilstort in Nistelrode werd gevestigd. Op niet mis te verstane wijze maakten ze hem duidelijk daar niet van gediend te zijn. Door open in gesprek te gaan met de felste tegenstanders en door er in het openbaar blijk van te geven evenmin gecharmeerd te zijn van de vestiging van de afvalverwerkingsplaats, groeide het vertrouwen van de plaatselijke bevolking. Toen door een gewonnen beroepsprocedure en inmiddels gewijzigde inzichten de bouw definitief werd afgeblazen, verdween alle resterende scepsis.

Behalve de afvalverwerkingsplaats was er nog een tweede punt dat tijdens zijn ambtsperiode voortdurend de aandacht vroeg: de verkeerssituatie in Nistelrode. Al het doorgaand verkeer van Uden naar Oss wrong zich al jaren door de dorpskern van Nistelrode. Iedere betrokkene was het er over eens dat dit zo langzamerhand een onhoudbare situatie was geworden. Minder eensgezindheid bestond over het tracé van de eventuele rondweg en over de vraag wie deze zou moeten financieren. Allerlei procedures leidden ertoe dat de weg, waarvoor al in 1979 plannen bestonden, pas in 1991 gedeeltelijk en in 1997 geheel geopend werd.

Romé Fasol samen met zijn echtgenote bij de officiële opening van de rondweg rond Nistelrode op 13 november 1997 (foto: J. van der Linden, Nistelrode)

Romé Fasol samen met zijn echtgenote bij de officiële opening van de rondweg rond Nistelrode op 13 november 1997 (foto: J. van der Linden, Nistelrode)

Door open te staan voor iedereen maakte Fasol zich geliefd in Nistelrode. Mede daardoor wist hij bijvoorbeeld problemen rond de vestiging van een woonwagen-subcentrum in de kiem te smoren. Hij toonde (samen met zijn echtgenote) ook een enorme betrokkenheid bij het wel en wee van de inwoners van zijn gemeente, zonder daarbij onderscheid te maken naar rang of stand. Voor personen die zich verdienstelijk hadden gemaakt voor de plaatselijke gemeenschap stelde hij een onderscheiding, de ‘klampenkaart’, in. Kort voor zijn vertrek uit Nistelrode introduceerde hij een ander onderscheidingsteken: de ‘weverspenning’. De ironie wil dat hij zelf de eerste was aan wie deze penning (bij zijn afscheid) werd uitgereikt.

Uit zijn burgemeesterschap van Nistelrode sprak voorts zijn aan dacht voor cultuur, in de breedste zin des woords. Hij spoorde de gemeenschap van Vorstenbosch aan een werkgroep op te richten voor de restauratie van het kerkorgel. Vooral onder zijn impuls werd in de gemeente een aantal kunstwerken geplaatst. Naar aanleiding van de onthulling van een bronzen beeld van een veerman stelde hij in 1986 een bundeltje artikelen samen over de veerman van Nistelrode. (14) Eerder al, in januari 1983, had hij een ‘heemkundige inleiding’ samengesteld over Nistelrode, ter gelegenheid van de eerste bijeenkomst van de werkgroep Heemkundekring Nistelrode en Vorstenbosch. (15)

Van zijn nevenfuncties sprongen vooral die in het oog, die te maken hadden met openbare orde en veiligheid. Als voorzitter van de Commissie overleg Regionale politiële Samenwerking (COS) speelde hij een stuwende rol bij de samenstelling van de nota ‘Het zal mij een zorg wezen’ over samenleving en criminaliteit. Bij zijn afscheid als burgemeester van Nistelrode werd hij door verschillende sprekers geprezen om zijn inzet voor regionale politiesamenwerking. Een andere nevenfunctie die hij vervulde was het voorzitterschap van het Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs (NIAD), een overkoepelend orgaan dat zich richt op de hulp aan alcohol- en drugsverslaafden. Hij was ook voorzitter van de Nieuwe Brabantse Kunststichting, een provinciale belangengroep voor de twaalfhonderd kunstenaars in Noord-Brabant. Verder was hij onder meer hoofdbestuurslid en plaatsvervangend dagelijks bestuurslid van Waterschap De Aa, secretaris van de regionale brandweer Noordoost Noord-Brabant, vice-voorzitter van het recreatieschap Maasland, voorzitter van de beheerscommissie Recreatiegebied Maasarm Lithoyen en vice-voorzitter van het curatorium van gymnasium Bernrode in Heeswijk.

Loco-burgemeester G. Driessen overhandigt de voorzittershamer aan Romé Fasol bij diens installatie tot burgemeester van Horst op z8 mei 1988. Rechts gemeentesecretaris B. Oolthuis. (foto: gemeente Horst)

Loco-burgemeester G. Driessen overhandigt de voorzittershamer aan Romé Fasol bij diens installatie tot burgemeester van Horst op z8 mei 1988. Rechts gemeentesecretaris B. Oolthuis. (foto: gemeente Horst)

Horst

Hoewel het hem en zijn gezin na de moeizame beginperiode uitstekend beviel in Nistelrode, was Fasol – inmiddels rond de vijftig – niet afkerig van een burgemeesterschap in een grotere gemeente. Per 1 mei 1988 deed zich in het Noord-Limburgse Horst een vacature voor. De zittende burgemeester, A.L.G. Steeghs, nam daar afscheid vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Na overleg met zijn gezin besloot Fasol te solliciteren naar de post van burgemeester in Horst. Deze beslissing zal zijn vergemakkelijkt door het feit dat hij de streek al enigszins kende: zijn echtgenote is afkomstig uit het naburige Wanssum.

Horst, een overwegend agrarische gemeente van op dat moment bijna achttienduizend inwoners, was op zoek naar iemand in de leeftijd tussen 45 en 50 jaar, die de functie van burgemeester van de gemeente niet als een eindstation zag, voldoende bestuurlijke ervaring had en de belangen van Horst kon behartigen als een goed bestuurlijk manager. Bovendien diende hij of zij affiniteit te hebben met het agrarisch bedrijfsleven dat verder ontwikkeld moest worden, goede contacten en ingangen te hebben bij overheden en andere instanties en moest hij of zij de goede bestuurlijke en ambtelijke verhoudingen continueren. (16) Na de eerste gesprekken met de vertrouwenscommissie bleek al snel dat Fasol in grote lijnen voldeed aan deze profielschets. Vooral zijn leiders- en managementkwaliteiten, opgedaan zowel in het bedrijfsleven als bij de overheid, spraken in zijn voordeel. Dat hij tot op dat moment weinig blijk had gegeven van affiniteit met het agrarisch bedrijfsleven, was iets dat blijkbaar minder zwaar telde. (17)

Op 16 maart 1988 werd bekend dat Romé Fasol was benoemd tot burgemeester van Horst. Voor velen in Nistelrode kwam dit nieuws als een verrassing. Niet verbazingwekkend vond hij zelf: ‘Niemand wist dat ik in Horst had gesolliciteerd. Behalve mijn vrouw en kinderen natuurlijk’. (18) Eerder had hij ooit gezegd naar Nistelrode gekomen te zijn om daar ‘in principe’ altijd te blijven. Hij was wel zo eerlijk om erbij te zeggen dat het van diverse factoren afhing of dit inderdaad het geval zou zijn. Toenmalig gemeentesecretaris van Nistelrode, J. van der Linden, had het vertrek van Fasol wel aan zien komen: ‘Hij sprak nooit over zijn ambities, maar je wist gewoon dat hij een keer zou vertrekken. Voor mij kwam het daarom niet als een heel grote verrassing. (19)

Op 21 april 1988 maakte hij in Nistelrode nog juist de ingebruikneming van een nieuw gedeelte van het gemeentehuis mee. Van zijn nieuwe kamer kon hij evenwel slechts tien werkdagen gebruikmaken. Na acht jaar nam Fasol op 6 mei afscheid in Nistelrode. Bij zijn vertrek voerden maar liefst dertien mensen het woord. Zoals gebruikelijk bij dit soort gelegenheden vielen er bijna uitsluitend positieve geluiden te beluisteren over de scheidende burgemeester. Zelf ging hij vooral in op wat er in Nistelrode nog allemaal te doen stond. Concrete redenen voor zijn vertrek voerde hij niet aan: ‘Wij dachten: hier willen we oud worden. Maar factoren van allerlei aard spelen mee bij het beoordelen van de unieke kans om burgemeester van een gemeente als Horst te worden. Ook je leeftijd telt dan ineens.’ (20)

Op zaterdag 28 mei 1988 werd Romé Fasol geïnstalleerd tot burgemeester van Horst. Zoals hij bij zijn installatietoespraak in Nistelrode naar overeenkomsten gezocht had tussen Valkenswaard en Nistelrode , zo zocht hij nu naar overeenkomsten tussen Nistelrode en Horst: ‘Komend uit Nistelrode waar de wevers het nostalgisch verleden verzinnebeelden (men heeft mij bij mijn vertrek zelfs de eerste weverspenning toegekend) en levend onder de hoede van gemeente- en parochiepatroon Sint Lambertus vind ik hier in Horst opnieuw de wevers en Sint Lambertus terug’. (21) Anders dan bij zijn installatietoespraak in Nistelrode, ging hij nu wel in op de inhoudelijke aspecten van zijn nieuwe functie. Hij beloofde zich te zullen inzetten voor de uitbouw van Horst als agribusiness-centrum voor Zuid-Nederland. Ook wilde hij bijdragen tot de verdere ontwikkeling van zijn nieuwe gemeente als belangrijk recreatief steunpunt (en daarbij de werkgroep Horst Promotie ondersteunen en stimuleren) en de cultuur in de gemeente bevorderen, evenals hij dat in Nistelrode gedaan had. (22)

In Horst bouwde Fasol voort op een stevig fundament dat al voor zijn komst was gelegd. Vooral bij de verdere uitbouw van Horst tot een agrarisch centrum in Zuid-Nederland speelde hij een belangrijke rol. Zijn aanvankelijke vrees dat hij zijn dagen niet gevuld zou krijgen met het verder structureren van de agrarische sector in Horst bleek al snel volkomen ongegrond. Het was mede aan zijn inzet en werk achter de schermen te danken dat bijvoorbeeld het Agrarisch Opleidings Centrum (AOC) niet in Venlo maar in Horst werd gevestigd. Het was ook niet in de laatste plaats zijn verdienste dat Horst in het streekplan Noord- en Midden-Limburg in 1944 de status kreeg van agrarisch centrum met een speciale taak voor de ontwikkeling van een netwerk tussen bedrijven, onderwijs en kenniscentra en daarvoor ook de benodigde subsidies kreeg toegewezen. Hij wist steeds de juiste mensen bij elkaar te brengen om dit soort successen in de wacht te slepen.

Voorts was Fasol degene die vanaf zijn aantreden een sterk stempel drukte op het toeristisch beleid van de gemeente Horst. Als de term ‘Horst-promotie’ niet al had bestaan, zou hij hem zeker hebben uitgevonden. Nooit liet hij een gelegenheid voorbijgaan om de loftrompet te steken over Horst. In het kader van de promotie van zijn gemeente schreef hij zelfs een sprookje over Peelkabouters waarin hij op een speelse manier een verbinding probeerde te leggen tussen champignons en de Peel. Het sprookje kreeg vervolgens gestalte in zeventien bronzen beelden die in het centrum van Horst werden geplaatst. Gekoppeld aan de Peelkabouters verschenen allerlei Horster (agrarische) producten op de markt die de promotionele werking nog verder moesten versterken.

Met vele voorbeelden valt aan te geven dat Fasol zich in Horst – evenals in Nistelrode – sterk profileerde op het gebied van openbare orde en veiligheid. Een andere overeenkomst met zijn tijd in Nistelrode was dat hij er ook in Horst in slaagde de bevolking voor zich in te nemen. Niet alleen met hier en daar een vriendelijk woord, maar ook door altijd open te staan voor de problemen en bekommernissen van de ingezetenen. In Horst riep hij eveneens diverse onderscheidingen in het leven om inwoners van de gemeente met bepaalde verdiensten voor de gemeenschap te eren. Tevens nam hij het initiatief tot de invoering van een ‘ereboek’ van de gemeente Horst.

Zijn nevenfuncties in Horst sloten deels aan op die in Nistelrode. Na in Nistelrode zeven jaar bestuurslid van Waterschap De Aa te zijn geweest, maakte hij vanaf zijn komst naar Horst deel uit van het dagelijks bestuur van Waterschap Noord-Limburg en het later daaruit voortgekomen Waterschap Peel en Maasvallei. Ook nam hij zitting in het bestuur van het Zuiveringschap. Zijn belangstelling voor (eet)cultuur en geschiedenis komt onder meer tot uitdrukking in zijn voorzitterschappen van Stichting Promotie Aspergerie, Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap en Stichting De Peelkabouters van Horst. Verder is hij voorzitter van de raad van toezicht van het Vincent van Gogh Instituut te Venray, voorzitter van de raad van toezicht van de TBS-kliniek te Venray en voorzitter van het bestuur van stichting Toeristisch Bureau Peel en Maas. Vooral vanwege zijn verdiensten als voorzitter van de raad van toezicht van het Vincent van Gogh Instituut in Venray en als voorzitter van Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap werd hij op 30 april 1997 onderscheiden als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. (23)

De eerste bladzijden van De Peelkabouters van Horst.

De eerste bladzijden van De Peelkabouters van Horst.

 

In oktober 1998 maakte Fasol bekend op of kort voor 1 januari 2000 te zullen aftreden als burgemeester van Horst. Zijn besluit al voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op te stappen, hing samen met de voorgenomen fusie van de gemeenten Horst, Grubbenvorst en Broekhuizen. Voor deze vrijwillige fusie had hij zich de voorgaande jaren bijzonder sterk gemaakt . AI zijn inspanningen ten spijt was er echter nog altijd geen groen licht verkregen voor de samenvoeging van de drie gemeenten. Bovendien zou hij gelet op zijn leeftijd – hij was inmiddels 61 – niet mogen kandideren voor een nieuwe burgemeesterspost. Een eventuele begindatum van de nieuwe gemeente wilde hij niet afwachten: ‘Het werk voor de herindeling is immers gedaan, wachten op effectuering komt aan de orde.’ Overigens was hij er nog niet aan toe hele dagen in de tuin door te brengen. Hij liet duidelijk uitkomen zich te beraden op een of meer nieuwe functies voor enkele dagen per week. (24)

KARAKTERSCHETS

Toen Romé Fasol op 6 mei 1988 afscheid nam als burgemeester van Nistelrode, was mr. B.L.A. van Zwieten één van degenen die het woord voerden. Van Zwieten en Fasol kenden elkaar goed: als burgemeester van Valkenswaard had Van Zwieten Fasol twee jaar meegemaakt als wethouder en daarna waren ze elkaar regelmatig blijven tegenkomen in hun functies van respectievelijk burgemeester van ‘s-Hertogenbosch en Nistelrode. Van Zwieten karakteriseerde Fasol bij diens afscheid in Nistelrode als: ‘Een echte Brabander, gezegend met alle goede eigenschappen die men Brabanders toedicht, zoals gevoel voor relativiteit, ijver, gastvrijheid, gevoel voor humor en in ieder geval een buitengewoon goed gevoel voor coöperatie en samenwerking.’ In hoeverre stemt deze typering van Van Zwieten overeen met de werkelijkheid?

Fasols relativeringsvermogen, door Van Zwieten als eerste aangehaald, wordt alom geroemd. Vooral in situaties waarbij twee partijen tegenover elkaar staan, weet hij met een relativerende kanttekening in het heetst van de strijd de druk van de ketel te halen. Mr. J .M. Bartels, oud-burgemeester van Valkenswaard, sprak in dit verband van ‘spanningsreducerende opmerkingen’. (25) Zelf zei hij eens: ‘Het valt me het meest op, dat de meeste moeilijke problemen op te lossen zijn met een rustig gesprek.’(26)

IJver noemde Van Zwieten als een andere eigenschap van Fasol. Inderdaad valt werklust hem niet te ontzeggen. Zo combineerde hij zijn drukke baan bij Philips zeven jaar lang met een zware studie. Later zei hij over deze tijd: ‘Niet bepaald gemakkelijk om op latere leeftijd een studie te beginnen, temeer daar we in dezelfde periode ook een gezin gesticht hebben. Ik heb een paar jaar als kluizenaar geleefd en sociale kontakten moeten afbouwen.’ (27) Van een collega bij Philips, T. Beumer, is de uitspraak: ‘Ge kunt hem veul vur de schup leggen’. (28) Ook als wethouder en burgemeester was hem geen moeite te veel. Avonden en weekeinden vormden nooit een beletsel om voor zijn gemeente in touw te zijn.

Lid van de Tweede Kamer is Romé Fasol nooit geweest, wel bracht hij in 1986 met het gemeentebestuur van Nistelrode een bezoek aan het Binnenhof. Hij zit op deze foto als tweede van rechts. Wethouder J. van Dijk zit in de middelste rij in de voorste bank, de andere wethouder J. Geurden twee banken daarachter aan de rechterkant. Gemeentesecretaris J. van der Linden zit in de meest linkse rij in de vierde bank (foto: J. van der Linden, Nistelrode)

Lid van de Tweede Kamer is Romé Fasol nooit geweest, wel bracht hij in 1986 met het gemeentebestuur van Nistelrode een bezoek aan het Binnenhof. Hij zit op deze foto als tweede van rechts. Wethouder J. van Dijk zit in de middelste rij in de voorste bank, de andere wethouder J. Geurden twee banken daarachter aan de rechterkant. Gemeentesecretaris J. van der Linden zit in de meest linkse rij in de vierde bank (foto: J. van der Linden, Nistelrode)

Een derde begrip waarmee Van Zwieten Fasol typeerde, was gastvrijheid. Iets ruimer geïnterpreteerd staat gastvrijheid ook voor openheid en tolerantie. Dit zijn begrippen die hij daadwerkelijk hoog in het vaandel heeft staan. Zowel voor de ingezetenen van de gemeente als voor de ambtenaren en zijn medebestuurders was hij gemakkelijk benaderbaar. Zijn deur stond bij wijze van spreken altijd open, maar hij aarzelde ook niet om zelf ergens een kantoor binnen te lopen en de tijd te nemen voor een al dan niet informeel gesprek. Hij gunt mensen de ruimte voor hun opvattingen, ook als hij die niet deelt. Anderzijds verafschuwt hij scherpslijperij. In woord en daad heeft hij bijvoorbeeld enkele malen uitdrukking gegeven aan zijn verontwaardiging over de opvattingen over homoseksualiteit zoals die in de hoogste kringen van het bisdom Roermond bestaan.

Van zijn gevoel voor humor, door Van Zwieten als vierde genoemd, zijn vele voorbeelden aan te halen. Uit bijna elke speech die hij houdt, blijkt deze eigenschap. Zeer bedreven is hij in practical jokes. Het meest treffende voorbeeld hiervan dateert uit 1985. Bij wijze van carnavalsgrap zocht Fasol de publiciteit met de mededeling dat Zoete Lieve Gerritje niet afkomstig was uit ‘s-Hertogenbosch – zoals tot dan verondersteld werd – maar uit het gehucht Slabroek bij Nistelrode. Bewijzen daarvoor had hij zogenaamd gevonden in het archief van de abdij van Berne in Heeswijk-Dinther. De ‘ontdekking’ leidde tot een ongekende aandacht in de media, zelfs de landelijke. Fasol was er op een ludieke manier in geslaagd Nistelrode voor het voetlicht te plaatsen. Vergenoegd constateerde hij aan het eind van het jaar dat bezoekerscentrum Slabroek – waar een paneel onthuld was dat de Nistelrodese afkomst van Zoete Lieve Gerritje moest bewijzen – in 1985 heel wat meer bezoekers had mogen begroeten dan in voorgaande jaren. (29)

Tenslotte constateerde Van Zwieten bij Fasol een bijzonder sterk ontwikkeld gevoel voor coöperatie en samenwerking. Ook deze constatering wordt algemeen onderschreven. Waar anderen juist gedijen bij conflicten, is Fasol overtuigd aanhanger van het harmoniemodel. Als het hem niet lukt iedereen eensgezind over de streep te trekken, beschouwt hij dat als een persoonlijke nederlaag.

Bij een nadere beschouwing blijkt de typering van Fasol door Van Zwieten dus zeer treffend. Maar zij is niet compleet. Romé Fasol is ook een begenadigd spreker die zijn gehoor doorgaans van het begin tot het eind weet te boeien. Hij spreekt met zo’n gemak dat het er vaak – ten onrechte – op lijkt alsof hij improviseert. Zijn taalgebruik kan soms wat archaïsch en gezwollen zijn, maar ook zeer gevat. Hij weet zijn betoog altijd te doorspekken met kwinkslagen. Steeds klinkt er eruditie in door. Feilloos weet hij voor iedere gelegenheid de juiste toon te treffen. Indrukwekkend waren bijvoorbeeld de in memoriams die hij in zijn Horster periode uitsprak bij het overlijden van voormalig raadslid J. Moorman en voormalig raadslid en wethouder C. Buijssen. Fasol is iemand die overduidelijk met veel plezier en zichtbaar gemak spreekt. Een zekere mate van ijdelheid is hem daarbij niet vreemd: hij hoort zichzelf graag spreken. De voormalige Horster wethouder G. Driessen herinnert zich: ‘Hij was nog maar korte tijd hier toen hij eens naar mij toe kwam en zei: ‘Ik lk heb al 27 toespraken gehouden.’ (30)

 

Bij haar afscheid als wethouder van de gemeente Horst op 15 maart 1994 overhandigt Romé Fasol de erebel van de gemeente Horst aan C. Buijssen. (foto: gemeente Horst)

Bij haar afscheid als wethouder van de gemeente Horst op 15 maart 1994 overhandigt Romé Fasol de erebel van de gemeente Horst aan C. Buijssen. (foto: gemeente Horst)

Uit zijn open, joviale karakter vloeit het gemak voort waarmee Fasol contacten legt. Hij investeert hierin veel tijd en energie. Daarbij doen verschillen in rangen of standen voor hem niet terzake: hij beweegt zich even gemakkelijk tussen hoogwaardigheidsbekleders als tussen ‘hangjongeren’. Zelf zei hij daarover in zijn periode als burgemeester van Horst: ‘ln mijn functie probeer ik me zo dicht mogelijk bij de mensen op te stellen. Contact met de inwoners vind ik zeer belangrijk en dan bedoel ik niet alleen met volwassenen. Ook de jeugd heeft mijn aandacht. Zo heeft hier een tijd geleden een groep jongeren dagelijks op het plein wat rondgehangen. Ik heb hen toen uitgenodigd in ons gemeentehuis, waar we onder het genot van een glaasje fris, een hele tijd met zijn allen hebben gepraat. Uiteraard eerst over favoriete voetbalclubs, maar gaandeweg ook over meer wezenlijke zaken. En dan merk je, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, dat het beeld van de jeugd van tegenwoordig niet helemaal klopt. Met die jeugd, daar is echt niks mis mee!’ (31)

Kenmerkend is verder het schematisch denken en werken van Fasol. ‘Een ordelijk mens? ‘Ja, ik denk van wel’, heeft hij ooit gezegd. (32) Zijn neiging tot ordenen is bijna dwangmatig te noemen. Befaamd zijn de ‘stresslijstjes’: ‘Daarop staan alle dingen die ik moet doen en door ze op te schrijven dwing ik mijzelf alles af te werken!’(33)) In bijna elk interview dat met hem gemaakt is, verschijnen op een bepaald moment wel de plastic mapjes ten tonele die hij gebruikt om zich te documenteren. Hij hield er ook van om memo’s te schrijven, hetgeen burgemeester J.M. Bartels bij zijn vertrek uit Valkenswaard verleidde tot de uitspraak: ‘Men fluistert nu in Valkenswaard, dat de memopauze is ingetreden.’ (34)

Samen met koningin Beatrix tijdens haar bezoek aan Horst voor restaurant Het Groenewoud, 24 augustus 1999. (foto: K. van de Loo, Horst)

Samen met koningin Beatrix tijdens haar bezoek aan Horst voor restaurant Het Groenewoud, 24 augustus 1999. (foto: K. van de Loo, Horst)

Wat tenslotte nog genoemd dient te worden, is zijn aandacht voor ogenschijnlijke details. Zo regisseerde hij het kortstondige bezoek van koningin Beatrix aan Horst op 24 augustus 1999 tot in de allerkleinste finesses. Ook zou hij nooit vergeten een raadslid op zijn of haar verjaardag (telefonisch) te feliciteren.

FUNCTIONEREN ALS BURGEMEESTER

In hoeverre hebben de geschetste eigenschappen Fasol nu geholpen of juist in de weg gestaan bij zijn burgemeesterschap? Alvorens deze vraag te beantwoorden, is het wellicht zinvol te bekijken welke opvattingen hij zelf over het burgemeesterschap heeft. Bij zijn afscheid in Nistelrode gaf Fasol een omschrijving van zijn ideale burgemeester: ‘Hij die van elders komt en zich vanaf het eerste ogenblik inzet voor en identificeert met een gemeenschap van mensen, die hij zonder aanziens des persoons wil koesteren als waren het de bewoners van de Ark van Noë, voor wie geen voorziening goed genoeg is en die behoren te wonen in het utopisch vaderland.’ (35) Enkele weken later, bij zijn ambtsaanvaarding in Horst, zei hij dat een burgemeester een ‘zelfstarter’ moest zijn: ‘Hij wacht niet af , maar neemt initiatieven. De essentie van deze kwalificatie ligt in het hanteren van brede communicatie. En hoewel de burgemeestersfunctie wel eens als geïsoleerd en onafhankelijk wordt gezien dient hij, wil die communicatie effect hebben, zeer ‘nabij’ te zijn voor mede-bestuurders, medewerkers en de inwoners waaraan hij dienstbaar is. Werkend vanuit ‘nabijheid’ en ‘onafhankelijkheid’ ontstaat zo zijn ambtsvervulling. Zo wordt hij ‘zelfstarter’. (36) Als burgemeester voelde hij zich in de ware zin des woords een dienaar: ‘Veel burgemeesters hoor je spreken over ‘mijn’ gemeente maar dat is niet zo: het is de gemeente van de bewoners!’ (37)

Voor loco-burgemeester J. Geurden van Nistelrode maakten de combinatie van zijn karaktereigenschappen en de opvatting die hij had van het ambt, burgemeester Fasol tot iemand die geknipt was voor het burgemeesterschap. Bij het afscheid in Nistelrode stak hij de loftrompet over Fasol: ‘Er straalde een bepaalde rust en kalmte van u uit. U was een evenwichtige en altijd goed gemutste bestuurder. Plaatselijk hebt u zich op een voortreffelijke manier weten aan te passen aan het dorpseigene en haar gewoonten. U stond tussen onze inwoners als een echte burgervader, door velen begrepen en gewaardeerd. Ook het werk schuwde u niet. De avonden en de weekends behoorden vaak tot de werkweek. U stond voor onze inwoners altijd klaar en bood hen, waar mogelijk, hulp. De kar trekken en het voortouw nemen, zoals u het zelf wel eens noemde.’ (38)

Bij dezelfde gelegenheid zei Geurden ook: ‘Het was bij u niet voldoende om een meerderheidsbesluit te nemen. Dat gaf u geen volledige voldoening. U was een voorzitter, een bestuurder, die er op stond dat er collegiaal bestuurd werd.’ (39) Juist omdat Fasol zo’n aanhanger is van het harmoniemodel, is het des te opmerkelijker als hij zich eens van een andere kant laat zien. Dat was bijvoorbeeld het geval in 1989 toen hij als burgemeester van Horst een toespraak hield op de veiling in Grubbenvorst. Hij maakte bij die gelegenheid enkele kritische opmerkingen over de expansiedrift van Venlo. Daarmee wekte hij bij Venlo de indruk dat Horst de gemeente Grubbenvorst steunde in ruil voor steun van Grubbenvorst voor de verdere groei van Horst als agrarische centrumgemeente. Fasol ontkende achteraf in alle toonaarden dat dit de bedoeling van zijn opmerkingen was geweest: ‘Een indianenverhaal. Ik kreeg gewoon het verzoek van burgemeester Vermaaten van Grubbenvorst of ik, naast anderen, spreker wilde zijn op een manifestatie in de veiling. Ik heb toen zelfs geaarzeld: kan dat wel, een rede afsteken in een andere gemeente? Uiteindelijk heb ik het toch gedaan en Venlo inderdaad voorgehouden: gij zult geen agribusiness begeren die aan een ander toebehoort. Maar van een deal in achterkamertjes is geen sprake.’ (40) Hoewel hij derhalve ontkende willens en wetens een rel te hebben uitgelokt, zal hij achteraf mogelijk toch spijt van zijn uitspraken hebben gehad. Ze droegen namelijk bij tot een verslechtering van de verhoudingen tussen Horst en Venlo, die toch al niet zo goed waren na hun felle onderlinge strijd over de vestigingsplaats van het AOC.

 

Romé Fasol temidden van de Limburgse commissaris van de koningin B. baron Van Voorst tot Voorst en minister-president W. Kok bij een werkbezoek van laatstgenoemde aan Horst in januari 1996. (foto: gemeente Horst)

Romé Fasol temidden van de Limburgse commissaris van de koningin B. baron Van Voorst tot Voorst en minister-president W. Kok bij een werkbezoek van laatstgenoemde aan Horst in januari 1996. (foto: gemeente Horst)

De toespraak op de veiling in 1989 was mede zo opmerkelijk omdat Fasol daarin duidelijk partij koos, iets wat hij normaal gesproken volgens sommigen te weinig doet. Want in zijn voortdurende streven naar harmonie ligt ook een zekere zwakte verborgen. Het kan een snelle en luchtige besluitvorming verhinderen. Knopen doorhakken in moeilijke situaties viel hem wel eens zwaar. Als er in de gemeenteraad geen eensgezindheid bestond over een bepaald punt, was hij snel geneigd een extra ronde toe te staan, met de bedoeling de partijen op één lijn te krijgen, ook als vooraf al bijna vaststond dat dat onmogelijk was. Zijn streven naar harmonie leidde er ook toe dat hij eenmaal genomen besluiten opnieuw in discussie bracht. Voor ambtenaren of wethouders was dit soms lastig. Terwijl zij juist een beslissing hadden genomen, wilde hij daar soms, na een protest van deze of gene, nog aan tornen, ook al betrof het iets dat niet tot zijn portefeuille behoorde. Deze eigenschap heeft duidelijk te maken met zijn behoefte tot contenteren: hij wil mensen zoveel mogelijk tevreden stellen en de aandacht geven die ze in zijn ogen verdienen.

Beïnvloedde zijn streven naar harmonie zijn functioneren als burgemeester zo nu en dan negatief, dat valt niet te zeggen van zijn vermogen om contacten te leggen en te onderhouden. Dit is ongetwijfeld een van zijn voornaamste kwaliteiten als burgemeester. Loco-gemeentesecretaris K. Hendriks van Nistelrode verwoordde dit bij het vertrek van Fasol uit Nistelrode als volgt: ‘Wij vonden bij u steeds een gewillig oor; U leefde mee met het we1 en wee van onze medewerkers en wist zonodig op de juiste momenten bemoedigende woorden te spreken, zeker ook in tegenslagen in de persoonlijke sfeer, los van het werk.’ (41) W. van Lith, voorzitter van de dorpsraad Vorstenbosch, zei bij dezelfde gelegenheid: ‘Wij waarderen de wijze waarop u met mensen omgaat: de warme belangstelling voor de inwoners, waardoor ze voelen dat ze er ook echt bij horen en zich thuisvoelen binnen de gemeenschap.’ (42) Dat hij voor iedereen zo gemakkelijk te benaderen is, heeft zeker bijgedragen aan het in het algemeen positieve beeld dat de bevolking van zowel Nistelrode als Horst van hem heeft. Hij gold mede daardoor als een echte burgervader.

Zijn communicatieve vaardigheden waren niet alleen op het representatieve vlak een belangrijke troef. Minstens even belangrijk was zijn vermogen op beleidsmatig terrein op de juiste toon, het juiste moment, de juiste plaats en met de juiste mensen contacten te leggen. Dat de gemeente Horst is uitgegroeid tot een agrarisch centrum in Zuid-Nederland is mede te danken aan deze vaardigheid van Fasol. Binnen korte tijd is hij in staat een indrukwekkend netwerk op te bouwen en te onderhouden, waardoor hij er te allen tijde op kan terugvallen.

Als een echte voorzitter mengde Fasol zich liever niet in conflicten in de gemeenteraad. Hij intervenieerde slechts hoogst zeiden. ‘De politiek moet het maar zeggen’ , was een van zijn gevleugelde uitdrukkingen. Dit hing ook samen met zijn opvatting van het burgemeesterschap: ‘Een burgemeester is een stuwende kracht die zich zo neutraal mogelijk dient op te stellen in het geheel van politieke spannings- en krachtvelden en aldus een integere besluitvorming waarborgt.’ (43) Omdat hij zich niet liet leiden door emoties, was hij slechts met moeite uit zijn tent te lokken. P. Geurts, fractievoorzitter van de SP in de Horster gemeenteraad (jarenlang de enige oppositiepartij), noemt hem in dit verband ‘soms net een spons’. (44) Alleen als zijn persoonlijke integriteit of die van een van zijn medebestuurders in het geding was, wilde hij wel eens uit zijn slof schieten.

‘Maak sterker wat sterk is’, luidt een adagium van Fasol. Hieruit blijkt dat negatief denken hem vreemd is. Deze houding heeft zeker bijgedragen tot het positieve beeld dat bestaat van hemzelf en, minstens even belangrijk, van de gemeenten waar hij bestuurder was. Het staat vast dat hij het imago van Nistelrode en Horst verbeterd heeft. Maar hij was meer procesbegeleider en ambassadeur van zijn gemeente dan iemand die vakinhoudelijk zijn stempel op het beleid wilde drukken. Inhoudelijke keuzes liet hij graag over aan de politiek. In Horst genoten de wethouders mede daardoor betrekkelijk veel speelruimte op hun vakgebied. Fasol waakte er soms misschien wel te uitdrukkelijk voor op de stoel van de politieke bestuurders te gaan zitten.

Horst-promotie in Oostenrijk (foto: gemeente Horst)

Horst-promotie in Oostenrijk (foto: gemeente Horst)

De mate waarin een burgemeester zich weet te identificeren met de gemeente waarin hij zijn ambt vervult, bepaalt voor een belangrijk deel zijn succes. Bij Romé Fasol is deze identificatie heel sterk. In dit opzicht kreeg hij bij zijn vertrek uit Nistelrode een compliment van wethouder Geurden: ‘U probeerde vaak een soort manager te zijn voor onze gemeente en haarr inwoners, door steeds opnieuw, als de gelegenheden zich voordeden, stimulering en inspiratie mee te geven om op de ingeslagen wegen verder te gaan. Nistelrode promoten zoals u dat zelf noemde.’ (45) Meer nog dan in Nistelrode heeft hij zich in Horst toegelegd op de promotie van zijn gemeente. Veelzeggend is bijvoorbeeld dat hij de Horster gemeentevoorlichter D. Wijnands onlangs met nauwelijks verholen trots een vakantiefoto uit Oostenrijk toonde waarop hij poseerde onder een opgestoken ‘Horst-promotie-paraplu’.

Romé Fasol wordt wel gekarakteriseerd als iemand die altijd het laatste woord heeft . Ook hier valt daar niet aan te ontkomen. De volgende woorden sprak hij enkele maanden voor zijn aftreden als burgemeester van Horst: ‘Ik ben een gelukkig man en het lijkt me heerlijk om in alle rust te genieten van de komende jaren. Om in alle anonimiteit op een bankje te zitten hier op het plein in Horst en dat voorbijgangers dan zeggen: goh, die man komt me bekend voor, waar ken ik hem toch van? (46)

NOTEN

  1. City, augustus 1984, 9.
  2. Met het oog op deze bijdrage heeft de auteur uitvoerige gesprekken gevoerd met G. Driessen (voormalig wethouder van de gemeente Horst), P. Geurts (raadslid van de gemeente Horst), J. van der Linden (voormalig gemeentesecretaris van Nistelrode), B. Oolthuis (voormalig gemeentesecretaris van Horst) en A. Stas (wethouder van de gemeente Horst). Voor hun medewerking zegt hij hen hiervoor graag dank. Aanvullende informatie werd verschaft door J. van den Brandt, E. Cornelissen. W. Holtzer, H. Mélotte, M. Philipsen, P. Schoone, G. Verheijen en D. Wijnands. Ook hen is de auteur veel dank verschuldigd. Deze bijdrage is voor een groot deel gebasaseerd op de gesprekken met voornoemde personen. In de noten wordt hiernaar verder alleen verwezen als citaten uit gesprekken met een van hen worden gebruikt.
  3. City, augustus 1984, 10.
  4. Ibidem.
  5. Ibidem.
  6. Citaat uit de toespraak van J.M. Bartels bij de installatie van B. Fasol tot burgemeester van Nistelrode, 10 oktober 1980.
  7. Toespraak van B. Fasol bij zijn afscheid als burgemeester van Nistelrode, 6 mei 1980.
  8. De bron 1999 nummer 4, 18.
  9. Toespraak van T. Beumer bij de installatie van B. Fasol tot burgemeester van Nistelrode, 10 oktober 1980.
  10. Toespraak van B. Fasol bij zijn installatie tot burgemeester van Horst, 28 mei 1988.
  11. Toespraak van B. Fasol bij zijn afscheid als wethouder van Valkenswaard in de gemeenteraadsvergadering van 25 september 1980.
  12. Toespraak van B. Fasol bij zijn installatie tot burgemeester van Nistelrode, 10 oktober 1980.
  13. Haal-Over april 1988, 18.
  14. De veerman van Nistelrode. Notities bij een legende in brons (Nistelrode 1986).
  15. Inleiding door burgemeester drs. B. Fasol ter gelegenheid van de eerste openbare bijeenkomst van de werkgroep Heemkundekring Nistelrode en Vorstenbosch (Nistelrode 1983).
  16. ‘Proflelschets voor een nieuwe burgemeester van Horst’, ongedateerd.
  17. Dagblad voor Noord-Limburg 17 maart 1988; toespraak van G. Driessen bij de installatie van B. Fasol tot burgemeester van Horst, 28 mei 1988.
  18. Dagblad voor Noord-Limburg 17 maart 1988.
  19. Gesprek met J. van der Linden, 10 september 1999.
  20. Toespraak van B. Fasol bij zijn afscheid als burgemeester van Nistelrode, 6 mei 1988.
  21. Toespraak van B. Fasol bij zijn installatie tot burgemeester van Horst, 28 mei 1988.
  22. Ibidem.
  23. De Echo van Horst 2 mei 1992.
  24. Dagblad De Limburger 7 oktober 1998.
  25. Toespraak van J.M. Bartels bij de installatie van B. Fasol tot burgemeester van Nistelrode, 10 oktober 1980.
  26. Het Gebooi 1983 nummer 4, z.p.
  27. City augustus 1984, 10.
  28. Toespraak van T. Beumer bij de installatie van B. Fasol tot burgemeester van Nistelrode, 10 oktober 1980.
  29. Zoete Lieve Gerritje ofte wel… Zoete Lieve Gerritje (Nistelrode 1985).
  30. Gesprek met G. Driessen, 23 september 1999.
  31. De bron 1999 nummer 4, 18-19.
  32. City augustus 1984, 10.
  33. Ibidem.
  34. Toespraak van J.M. Bartels bij de installatie van B. Fasol tot burgemeester van Nistelrode, 10 oktober 1980.
  35. Toespraak van B. Fasol bij zijn afscheid als burgemeester van Nistelrode, 6 mei 1988.
  36. Toespraak van B. Fasol bij zijn installatie tot burgemeester van Horst, 28 mei 1988.
  37. City augustus 1984, 10.
  38. Toespraak van J. Geurden bij het afscheid van B. Fasol als burgemeester van Nistelrode, 6 mei 1988.
  39. Ibidem.
  40. Dagblad voor Noord-Limburg, 7 juni 1994.
  41. Toespraak van K. Hendriks bij het afscheid van B. Fasol als burgemeester van Nistelrode, 6 mei 1988.
  42. Toespraak van W. van Lith bij het afscheid van B. Fasol als burgemeester van Nistelrode, 6 mei 1988.
  43. Het Gebooi 1983 nummer 4, z.p.
  44. Gesprek met P. Geurts, 30 augustus 1999.
  45. Toespraak van J. Geurden bij het afscheid van B. Fasol als burgemeester van Nistelrode, 6 mei 1988.
  46. De bron 1999 nummer 4, 19.

 

Verder lezen: