Op dinsdag 27 oktober 2009 is in haar woning in Saffron Walden, Engeland, Hilda Whittaker overleden, zes en negentig jaar oud. Haar man, George, was in de winter van 1944-’45 voor lange tijd als soldaat ingekwartierd bij de familie Fasol in Valkenswaard. George en Hilda, vroeg in de oorlog al getrouwd, raakten erg bevriend met de Fasols en bleven ook na de oorlog een levendige correspondentie met hen onderhouden.

Toen ik als eerstejaars student Engels in de zomer van 1956 op zoek was naar een verblijfsmogelijkheid van wat langere duur in Engeland, bracht Laura mij in contact met George en Hilda. Zij -beiden hadden zelf ook Engelse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Leeds gestudeerd- wilden mij graag helpen. Het onderwijzen had hun beroepsmatige belangstelling; dus, ze zouden mij ook nog wel wat kunnen leren. Daarvoor schakelden ze ook de oudste van hun twee zoons in, Adrian, in 1956 vier jaar oud (later ook leraar geworden!). Ik moest hem veel Engelse boekjes voorlezen. Vooral Winnie the Pooh, een boekje dat Adrian helemaal van buiten kende. Iedere voorleesfout werd door Adrian meedogenloos gecorrigeerd. Bij Hilda en George heb ik erg veel geleerd van en over de Engelse taal en het dagelijkse leven in Engeland.

Vaak ben ik daarna nog bij Hilda en George op bezoek geweest. Ook later toen ik afgestudeerd en getrouwd was, samen met Ineke en een paar keer ook met de drie kinderen. Het was altijd bijzonder om bij hen te zijn. Na Alrewas (in de Midlands) kwam Blackheath-Londen en, tenslotte (na de pensionering van George) werd het Saffron Walden bij Cambridge.

De laatste keer dat Ineke en ik Hilda bezocht hebben, was in december 2007, op weg van het vliegveld Stansted naar Londen. Haar gezondheid was toen al aan het verslechteren. Geestelijk was zij nog heel goed bij. Ze informeerde ook toen naar alle familieleden, vooral naar onze kinderen en kleinkinderen (die ze allemaal van naam kende!). Ze woonde nog steeds alleen in haar gezellige cottage, bijgestaan door een beperkte kring van zeer behulpzame buren en vrienden. Adrian, de enige van haar gezin die nog in leven was, kwam om de veertien dagen een weekend met zijn vriendin Deena over uit Londen. Ze genoot van haar tuin, las zoveel als haar slechter wordende gezichtsvermogen toeliet, volgde het wereldgebeuren op tv en schreef ook gedichten (zie verderop).

Hilda en George hebben in de zomer van 1946 samen een bezoek gebracht aan de familie Fasol. Dat bezoek is hen altijd heel sterk bijgebleven. Tijdens het bezoek nl. bleek dat de tweede dochter van het gezin, Mia, een ernstige hersentumor had die heel snel fataal bleek te zijn.

Toen ook hebben ze een bezoek aan Wanssum gebracht. In haar Memoires, op late leeftijd opgetekend, schrijft Hilda uitgebreid over haar kennismaking met de Van Elsen. Harrie en Laura hadden toen ‘verkering’ en Moeder Fasol wilde George en Hilda wel iets van het leven in Wanssum laten zien. In haar memoires noemt Hilda haar “an indefatigable talker”. Maar haar Engels was niet zo goed en “after much circuitous effort” kwam Hilda tot de conclusie dat Vader een soort “Government inspector of farming” was, door Moeder Fasol kennelijk omschreven als “a mangel-wurzel Ingenier”. Misschien is het goed voor de familiekroniek hier vast te leggen wat Hilda verder over ons gezin schrijft:

“There were ten Van Els children. The eldest, John spoke perfect English (having been billeted in England). Laura’s Harrie was the second. There were two girls aged 16 and 14, and the youngest girl aged 7, and several intervening boys whom we never –I never- distinguished. Among them was Theo, later to become such a welcome friend. The mother was an impressive figure, dressed in a long black dress, who never raised her voice but had everything organised like clockwork. The two girls served tea –all of us round the table- and an enormous cherry flan. After this they sang for us –part songs and English war-time songs, of which they knew the words far better than we. Last, the youngest, Tilly, was called upon to sing for us. She resisted for quite a time but was at last prevailed upon and I always remember her standing on the table, in her white socks and dress, singing for us. We did not then know, of course, that she would later marry the youngest Fasol boy, Romé, the second intermarriage of the families, and they’d all continue to be our friends for decades to come.”

 

Zoals Hilda schrijft, alle jaren daarna zijn de warme contacten tussen de families er gebleven. Laura schreef heel regelmatig brieven en is ook een paar keer met Harrie bij hen op bezoek geweest. Hetzelfde heeft altijd gegolden voor Romé (en Tilly) en later, in versterkte mate, voor Cecile (en haar gezin). George is in 1972 apart overgekomen om mijn academische promotie bij te wonen.

Toen Adrian ons berichtte over het overlijden en erbij vertelde dat de begrafenis pas op vrijdag 13 november zou plaatsvinden, hebben Cecile, Romé en Ineke en ik besloten om erheen te gaan. ’s Morgens vroeg zijn we van vliegveld Weeze opgestegen, ’s avonds laat waren we weer terug. Cecile had een auto gehuurd en heeft ons vaardig van de ene plaats naar de andere gereden. Vóór de begrafenisplechtigheid hebben wij met Adrian en Deena in het ouderlijke huis geluncht, met hen zijn wij in een van de rouwauto’s naar Cambridge gereden en daarna zijn wij weer, met een kleine groep van familie en vrienden van de Whittakers, in Saffron Walden sandwiches gaan eten. De begrafenisplechtigheid was ingetogen en indrukwekkend. Adrian sprak en een nicht en een vriendin van Hilda. En op verzoek van Adrian, heb ik namens de “Dutch connection” het woord gevoerd. Het was goed om erbij te zijn.

Nijmegen, 25 november 2009

Theo

 

Een gedicht van Hilda Whittaker

Bij de begrafenisplechtigheid van Hilda Whittaker werd door een vriendin een gedicht voorgelezen dat Hilda een paar jaar eerder had geschreven. Ik wil het graag hier weergeven, want ik vind het een heel mooie tekst. Het gedicht geeft zo precies de sfeer weer die wij twee jaar geleden bij Hilda thuis aantroffen, toen wij haar voor het laatst een paar uur bezochten. Zij zat altijd bij de tuindeur, daar had ze een goed zicht op de tuin en vooral op de vogels die op haar voer afkwamen. Het was stil in huis. En alles stond nog op dezelfde plaats waar wij het weer een paar jaren daarvóór hadden zien staan. Alles was in rust om haar heen, het leven hoefde voor haar niet langer meer te duren.

Ik heb nooit geweten dat Hilda gedichten schreef. Ze moet er meer gemaakt hebben dan dit, maar die heb ik nooit gezien. Haar tweede zoon, Mark, was een heel begaafd schrijver. Adrian heeft een bundel van zijn gedichten uitgegeven na zijn dood. Het onverwachte overlijden van Mark een vijftal jaar geleden heeft Hilda enorm veel verdriet gedaan. Mark,die zeer breed getalenteerd was, leed vanaf midden tachtiger jaren heel zwaar aan schizofrenie. De zorg om hem drukte erg op George en Hilda.

Theo

Old Age

by Hilda Whittaker, April 2005

 

The slow hours pass.

In silence I exist

in the empty house.

 

Outside, springing grass;

trees bud, birds mate,

flowers bloom.

Life moves forward with the year.

 

My unforgiving heart

continues to beat

and the mill of the mind

grinds ceaselessly on,

tediously stirring the chaff

of its previous harvest of

unproductive thoughts.

 

It needs the winnowing wind

or the destroying fire.

– But, not yet.

 

Verder lezen: