Een ouderlijk huis geeft veel herinneringen. Twee herinneringen van mij hebben te maken met huis en auto: echt gebeurd!

1.

1939 (denk ik). Vader had een zwarte Ford, groot en met prachtige diepverende kussens op de achterbank. Vader kwam ’s middags naar huis voor het ‘wèrm ète’ en parkeerde de auto dan tussen het huis en het ‘pakhuus’ vlak bij de regenput (‘water voor zacht haar’). De kleine kinderen, o.a. Netta en ik, waren (graag) snel klaar met het eten om te gaan spelen. Ik geloof niet, dat er ooit een verbod was uitgevaardigd om in de auto te gaan zitten en op de achterbank te hopsen. Dat deden Netta en ik toen. Vader was weer eens slordig geweest en had vergeten de handrem vast te zetten. Door het gespring op de achterbank kwam de auto in beweging, de grond liep af naar de straat, de auto kon dus ook alleen maar die richting op. De auto reed zo achteruit dwars over de (toen gelukkig niet zo drukke Venrayseweg) en kwam in de ondiepe sloot aan de overkant van de weg tot stilstand. Ik kan me niets herinneren van straf of een standje.

2.

1958 of 1959? Paul was in het bezit van een auto, vóór dat hij zijn rijbewijs had. Dat mocht toen, geloof ik, want dan kon hij op stille veldwegen alvast allerlei rijvaardigheden oefenen. Het was wel belangrijk, dat iemand naast hem zat om uit het rijvaardigheidsboek voor te lezen, hoe er geschakeld, geremd, gestuurd moest worden. Leo was hiervoor regelmatig de uitverkorene (later mochten Toos en ik mèt Matthieu als geëerd chauffeur met Paul op reis naar Bretagne). Eens, na een zeer geslaagde rijtoer door de velden achter Lommen tot bijna in Geysteren, brengt Paul, op dezelfde plek waar in 1939 de auto van vader geparkeerd stond, zijn Ford (?) volgens de regels van het boekje tot stilstand. “Even het achteruitrijden oefenen”, zegt Paul. Leo slaat de desbetreffende bladzijde op en wacht af. Paul start, zet de versnellingshandel in ‘den achteruut’, draait zich om op zijn stoel (‘um nurges tège an te rijje’) en geeft gas. Als hij wil afremmen, blijft zijn voet op het gaspedaal staan. De auto schiet rakelings langs de linkervoormuur van het huis de voortuin in, waar de auto een verwoestend spoor trekt door de door Paul zelf aangelegde rozenperken. Met de achterwielen over het muurtje dat de voortuin scheidt van de stoep en de straat, blijft de auto steken. Leo rent naar binnen. Paul weet, maar vraag niet hoe, de auto weer los te krijgen. Moeder en Netta die in de ‘ètkamer’ zitten te kaarten (!!), hebben alleen gemerkt dat er iets bijzonders gebeurde. Na deze gebeurtenis heeft Paul heel snel het rijbewijs binnen­gehaald.

Verder lezen: