Onderstaand verhaal is geschreven door Leo. Het is zo gevonden door Toos op hun computer. Wanneer het geschreven is, is niet bekend, maar het zal ongetwijfeld in een van de laatste jaren vóór Leo’s dood in 2003 zijn geweest; op familiebijeenkomsten heeft Leo in die jaren dit verhaal een paar keer verteld. De gebeurtenis die Leo beschrijft, heeft zich voorgedaan
in de zomer van 1946, toen hij als jongen van twaalf jaar naar het verre Rolduc reisde vanuit Wanssum om daar toelatingsexamen te gaan doen voor het gymnasium.

‘Ellen’ uit het verhaal was Netta, neem ik aan (hoewel ik eerst dacht Nelly), want hij heeft het over zijn twee jaar oudere zus. Het onderwijs op de lagere school in Wanssum bereidde in die tijd absoluut niet goed voor op wat er aan kennis verondersteld werd bij zo’n toelatingsexamen. Dat kwam deels doordat in het jaar van de bevrijding er nauwelijks school geweest was. Leo zakte dan ook met heel lage cijfers, ik meen voor alle vakken. Hij werd, dus, niet toegelaten op het gymnasium, maar moest op de voorbereidende klas beginnen, om daar behoorlijk te leren ontleden en rekenen en om alvast een beetje kennis te maken met de Franse taal. Het aardige was dat de leraren binnen 6 weken in de gaten kregen dat Leo dan misschien wel heel weinig van de bij het toelatingsexamen veronderstelde kennis gehad had, maar dat hij wel heel erg slim was en dat hij al die ontbrekende kennis heel snel bij kon leren. Toen hebben ze hem toch maar meteen op het gymnasium gezet. Aan het eind van het jaar was hij de beste van de klas! Het aardige van dit alles is dat, toen ikzelf twee jaar later op dezelfde grandioze wijze voor het toelatingsexamen zakte als Leo, de schoolleiding toen besloot om mij toch maar meteen op het gymnasium toe te laten. Je ziet maar, ik heb altijd veel aan Leo te danken gehad.

Theo

Herinnering

Het dorp lag achter hen. De grote silo’s en de uitgebreide magazijnen van de fabriek van zijn vader hadden ze net achter zich gelaten. De waterval in de Molenbeek, vlak bij de brug  was niet meer te horen. Geluiden van de maalderijmolens uit de fabriek en het geronk van de motor van de hijskranen vlak bij de haven drongen nog net tot hen door. Auto’s waren niet te horen. Trouwens, zoveel auto’s reden er in 1946 nog niet.

Zijn zus Ellen liep naast hem. Aan haar linkerhand leidde zij de fiets mee. Achter op het bagagerek van de fiets stond zijn rieten koffer. Hij liep aan de andere kant van de fiets en hield de koffer vast. Ze waren op weg naar de bus aan de over­kant van de Maas, onge­veer 3 kilometer lopen. Voor een jongen van 12 jaar was dit een uur lopen. Maar daar was hij aan ge­wend. Zijn zus ook wel, maar ze liet dui­delijk merken dat ze er nu geen zin in had.

Het was ongeveer 12 uur. Zijn vader had hem weg kunnen bren­gen met de auto of had iemand kunnen vragen hem weg te brengen. Zelf had hij zich hierover niet druk gemaakt: hij wist dat zijn vader en moeder deze reis belangrijk genoeg vonden voor hem en tegelijkertijd ook heel gewoon.

Het afscheid thuis was zo vanzelfsprekend geweest. Zijn kof­fer, een oude van voor de oorlog, had hij zelf ingepakt, voor de paar dagen dat hij weg zou zijn, met veel te veel spullen en dingen, die hij, overbezorgd en innerlijk gespannen als hij was, echt wilde meene­men. Zijn moeder had hem nog wel gezegd, dat dat toch allemaal niet nodig was: “wat moet je nog met die school­boe­ken, je hebt toch geen tijd om alles nog te leren”. De onze­ker­heid van hem zelf was sterker geweest dan de werke­lijk­heidszin van zijn moeder. Zij had er zich verder ook niet druk om gemaakt.

Achteraf, zo lopend in de hete middagzon over de klinkerweg, veronderstelt hij dat zijn moeder zich ook niet druk maakte over zijn reis: zijn eerste reis alleen, zonder iemand van de familie, en de eerste keer in een trein. Tot dan toe had hij altijd gereisd in de auto van zijn vader.

Halverwege zijn huis en de veerpont over de Maas voelde hij zich alleen: niet verlaten door de mensen op wie hij anders steeds kon terugvallen, nee zo maar alleen, niemand anders missend, zeker van zichzelf, wetend tot iets hogers ge­roe­pen te zijn. Niets of niemand kon hem tegenhou­den. Ook Ellen niet. Ook al voelde hij dat ze met grote tegen­zin hem naar de bus bracht. Dat was haar door moeder opgedra­gen, hij dacht meer vanwege de koffer — “die kan hij toch niet de hele weg mee­dragen, met al die boeken”–  dan omdat ze bezorgd was, dat hij in zijn eentje niet de bus zou vinden en geen kaartje (zijn eerste) kon kopen. Het geld had zijn moeder hem gegeven met de drin­gende opdracht er goed op te letten: “heb je je rozen­krans, heb je een zakdoek in je zak, stop de por­temonnaie maar in de binnenzak van je jas.”

“Wacht hier even, ik wissel om met het koffer, ik ga aan de andere kant van de fiets lopen”. dit waren na lange tijd van zwijgen de eerste woorden. Ze waren aangekomen bij een Mariakapelletje rechts van de weg. Er voor stonden een bid­stoel en een bank. “Hier gaan we even zitten.” Hij kende dit kapelletje en het tamelijk kleine Mariabeeldje heel goed. Elk jaar een paar weken na Pasen op een van de quatertemper­dagen trok vroeg in de morgen een van de kruisprocessies door de velden naar dit kapelletje. Als misdienaar liep hij vlak voor de pastoor en droeg het kruis.

Voor de boeren deed je dat. “En dus ook voor ons”, zei je vader als je oudere broers niet mee wilden lopen in de proces­sie (“we komen te laat op het gymnasium”). Hij geloofde erin: voor de vruchten der aarde. Dat was duidelijk, elk voorjaar kwam het graan omhoog, de aardappelvelden waren groen, de maïs begon ook al op te komen. “Je moet altijd aan de andere mensen denken, die hebben je hulp en steun nodig.”

Zo zonder iets te zeggen op de bank voor het kapelletje zit­tend en kijkend naar het Mariabeeld, wist hij het heel duide­lijk: deze reis met de bus naar Venlo en vandaar met de trein naar Roer­mond, daar overstappen naar Sittard, opnieuw over­stap­pen (“daar vraag je maar, welke trein je moet hebben naar Heer­len”), in Heerlen een bus nemen of een tram (nog nooit gezien!) naar Kerkrade, “en dan zie je Rolduc van­zelf wel lig­gen, vader heeft er over naar Rolduc gebeld”… deze we­reld­reis maakte hij na­tuur­lijk voor zich zelf, maar ook voor een hele­boel men­sen, onbekende mensen, mensen die nog geboren moesten worden, voor hen allemaal was zijn reis bedoeld. Er kon dus niets mis gaan. Ook als anderen niet wilden helpen of het niet zagen zitten, dat jij iets deed wat zij niet goed konden begrijpen. Ellen, twee jaar ouder en veel praktischer inge­steld, die geen last had van dagdromerijen, met haar kon je over dit soort zaken niet praten.

Hij moest zorgen, dat hij zo gauw mogelijk bij de bus was, dan was hij alleen. Zijn roeping was dan het enige dat telde. Een zus past daar niet bij.

“Ellen, wij gaan, anders mis ik de bus en in Arcen komt een andere jongen mij vergezellen, dat heeft mijn vader zo gere­geld. Als die jongen mij niet in de bus aantreft, weet die niet hoe hij in Rolduc moet komen.” Dit had hem ook bemoe­digd, zijn vader ging er van uit, dat hij de reis best alleen kon maken, zelfs gids kon zijn voor een andere jongen. Had zijn vader ook niet erg blij gekeken, toen hij zei, dat hij naar Rolduc wilde en niet naar het gymnasium in Venray net als zijn broers? Vader en moeder hadden respect voor zijn roeping.

Ellen stond op, pakte het koffer zette het op het bagagerek en zei: “nou moet jij de fiets leiden, ik heb er een stijve arm van gekregen.”

Dat kwam goed uit, dan kon hij het tempo bepalen. Het ging ook een stuk sneller. Al gauw waren ze bij het pont­veer. Aan de overkant van de Maas was de bushalte al te zien, bij het veer­huis. “Leo, ik ga niet mee over de Maas. Dan hoef ik niet te betalen voor mij en de fiets, dat geld kan ik dan bespa­ren.” Dit klonk redelijk, in de bus stappen kon hij best, een kaart­je kopen ook, wat zou Ellen met hem blijven wachten. Er was toch niets te zeggen. En als hij de door haar geopperde reden zo zonder meer aannam, was er in hun onderlinge relatie niets veranderd. Elkaar nemen zoals je bent.

De pont naderde hun kant. “Tot ziens, Leo, zorg dat je goed aan komt en tot over drie dagen”. Geen kus, geen handdruk, een lichte knik van het hoofd en even elkaar in de ogen kijken, afscheid nemen was zó heel gemakkelijk. Hij had zijn koffer al in de hand en stapte op de pont, samen met een boer uit het dorp, die net op tijd kwam aanfietsen.

Nu was hij echt alleen. Langzaam trok de pont zichzelf aan een ketting naar de overkant. Hij keek terug in de richting van het dorp, zag boven alles uit de silo’s en wist zeker, dat hij over drie dagen weer terug zou zijn. Alles was vastgelegd en zou volgens plan verlopen.

De tot een bus verbouwde vrachtwagen was op tijd. Een steil trappetje diende als opstap. Hij kon langs de knieën van de passagiers zich wringend, tot vóór in de bus geraken en daar een smal plekje vinden voor zich zelf en de koffer. De eerste zorg was er achter te komen, waar die andere jongen in Arcen in de bus zou komen: hoe zag die Jan er uit? Hij durfde aan de conducteur er niet om te vragen, hij zou daarmee een slech­te indruk maken. Maar afwachten.

Vanaf zijn zitplaats kon hij alleen naar achteren kijken en zien hoe de bomen aan weerszijden van de weg van de bus af bewogen en helemaal op het einde zich aaneensloten. Naar Arcen was het ongeveer een half uur met de bus. Dat is lang als je je onzeker voelt over wat er gaat komen. Onze­ker­heid vooral over de halteplaats waar die Jan hem zou oppik­ken. De mensen naast en voor hem, dicht op elkaar geze­ten, waren stil, nauwelijks één woord was te horen.

De bus stopte vele malen, soms kwam er een nieuwe passagier bij; de chauffeur riep soms de naam van het dorp of van de boerderij, ook “Arcen” met nog iets er achter werd afgeroe­pen. Hij had het niet goed verstaan, moest hij het aan iemand vragen? De bus stopte al, voordat hij het had durven vragen.

Een jongensstem riep zijn naam, dus toch. Vlug uitstappen, de chauffeur wachtte gelukkig lang. Hij stapte het trappetje af en stond voor een jongen van zijn grootte. “Jij bent Leo? Kom mee, ik breng je naar het huis van een jongen die ook mee gaat naar Rolduc; dat is hier vlak bij. Straks kom ik je dan weer ophalen en dan gaan we met zijn drieën naar Venlo.”

Ze liepen een paar straten door en bereikten een klein laag huisje, waar ze zonder kloppen binnengingen. In een donker kamertje zaten een jongen, een vader, wel net zo oud als zijn grootvader, en de moeder, met een bruine huid, Indisch. “Ga maar zitten, ik heet Geert”, zei de jongen, toen Jan na enkele woorden weg ging. Er werd verder niets gezegd, er werd hem niets aangeboden, het hele uur van wachten lang.

Verschenen in Familiekrant Van Els, april 2005.

Verder lezen: