Een prettige bijkomstigheid van Harrie’s verhuizing naar de Munsterstraat was dat ik zo weer eens wat van Roermond zag. Een stad waar ik de afgelopen dertig jaar regelmatig naar toe reisde maar eigenlijk nauwelijks oog voor had, de aandacht vooral vestigend op wat er zich in het ouderlijk huis afspeelde. Maar sinds die verhuizing in het voorjaar van 2007 kwam daar verandering in. Wandelend vanaf het station naar het Munsterplein was er al veel te zien. Winkels waar herinneringen aan verbonden waren, zoals Lunchroom de Kroon, sigarenzaak Jansen Quicken, het hoedenzaakje, of oude kennissen die je tegenkwam, Fried Perriens uit de Oranjelaan-tijd, Henri Goudsmit van de hockeyclub of buren uit de Hillenraedtstraat.

Maar echte oogstrelende doorkijkjes herontdekte ik pas weer door de stadswandelingetjes met Harrie zelf. Vlak na zijn verhuizing hield hij er een paar dagelijkse rondjes op na, die hij afwisselde. Hij slenterde over De markt, de Neerstraat, het Bergske, de Paradisstraat, de Bakkerstraat, het Munsterplein, de Hamstraat, de Voogdijstraat, de Swalmerstraat. Hij werd weer een echt stadsmens. Hij kocht kaas bij het ‘Keesheukske’, brood bij Bakker Bart, verjaardagskaarten bij V&D, cadeautjes bij de koffie- en theespecialist, vis bij de wekelijkse viskraam op het Munsterplein en niet te vergeten zijn staatsloten bij het Stationsplein of de Boni.

Hij zocht ook regelmatig naar koopjes op het gebied van kleding, zoals blazertjes in de uitverkoop. Ja, hij zag er graag netjes uit. Boodschappen doen met Harrie bij de Boni of Albert Heijn was een belevenis. Hij keurde op zijn gemak allerlei producten, koos met zorg zijn winkelwaar uit (bijvoorbeeld de biertjes) en liep achter zijn volgeladen rollator weer voldaan naar huis. Meegaan op zijn tochtjes door de binnenstad was altijd gezellig. Allerlei anekdotes werden al wandelend langs bijzondere plekjes verteld, zoals schoolverhalen bij de buste van Jo Hanzen, ‘de Koe’, in het stadpark, politieke intriges rondom gemeentehuis en de Markt. Veel mensen maakten onderweg een praatje met hem. Er was ook altijd een goede reden om ergens een terrasje te pikken. Een kop koffie, een lunch, een dineetje. De middenstand moet gemerkt hebben, bovenop de kredietcrisis, dat dat het laatste jaar steeds minder werd.

Niet alleen in de stad, maar ook op het balkon van zijn appartement, torenend boven de Munsterstraat, was de rijke historie van Roermond, vermengd met herinneringen aan mijn eigen jeugd, voelbaar. Beneden in de straat, tegenover de deur naar zijn appartement, was een monumentale poort. Het was de ingang naar het Klein College, in de jaren ’70 nog in gebruik als dependance van het Bisschoppelijk College en mijn brugklaslokatie in 1973-74. Om je heen kijkend vanaf het balkon was de Roermondse skyline bijzonder fraai: aan de linkerkant zag je de Munsterkerk en de kiosk op het plein, rechts in de verte blonk St. Christoffel bovenop de Kathedraal en zag je het gemeentehuis met carillon. Op dat balkon hebben we dan ook vaak gezeten, zeker toen wandelen door de stad geen optie meer was.

Die laatste jaren in de Munsterstraat hebben mij dus eigenlijk onverwacht een heleboel nieuwe leuke herinneringen aan Roermond bezorgd. Waarschijnlijk omdat ik zag dat Harrie op zijn laatste adres nog zo zichtbaar genoot, zich er ondanks het gemis van mama thuis voelde en hij er ook voor ons als kinderen een echt ‘thuis’ van maakte.

Maar ook vanwege de stroom van verhalen die hij nog leek te willen doorgeven, sommige bekend, andere toch nieuw. Laura was vaak de rode draad in die verhalen. De eerste ontmoeting (Oirlo kermis), de verwevenheden tussen de families Fasol en van Els met rollen voor neef Henny Muller bij Bakker Euwals, voor opa van Els, en voor wederzijdse geestelijke ‘informanten’ Broeder Reinolf in Valkenswaard en Broeder Roga in Venray, het onverwachte weerzien in een zo goed als lege bioscoopzaal in Eindhoven, de eerste jaren aan de Kapel; alles kwam haarfijn in beeld. Soms had ik spijt dat we Harrie geen dictafoon hadden gegeven om zijn levensverhaal eens echt hoofdstuk voor hoofdstuk in te spreken. Dan krabbelde ik maar snel weer een paar uitspraken op de achterkant van een envelop of een servet om de details nog even vast te houden. Over welke periode het ook ging, Harrie keek dankbaar terug op zijn leven en wist op de een of andere manier het verleden levend te maken in het heden.

Op de ziekenzaal tijdens zijn laatste bloedtransfusie vroeg een buurman (die er ook niet best aan toe was) belangstellend of papa vroeger zwaar werk had gedaan? “Ja”, antwoordde hij, schalks naar mij kijkend’, “haar opvoeden”.

Juni 2009, “Never change a winning team’

Juni 2009, “Never change a winning team’

Pas de allerlaatste dagen viel zijn toch al zachte stem steeds vaker weg. In de Ark aan zijn bed bespraken we hoe het verder zou gaan. Ik stelde hem gerust: Pap, wij gaan gewoon door met elkaar” (en ik bedoelde onze gezinnen maar ook een beetje hem). Hij beaamde met een van zijn laatste verstaanbare metaforen: “Never change a winning team”.

November 2009,

Cecile

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 20, december 2009.

Verder lezen: