Grootmoeder Nelleke Rutten-Stevens woonde bij ons in. Zij had het best naar haar zin, leek mij, zij had haar eigen kamer, assisteerde in het huishouden en oefende het oppertoezicht uit wanneer vader en moeder uithuizig waren, hetgeen nogal eens voorkwam. Vader had zijn Landbouwbelang-drukte als directeur, was gemeenteraadslid, bestuurslid van de fanfare (secretaris, voorzitter, neen President heette dat en ere-president) en ook secretaris van het Groene Kruis, terwijl moeder zich bestuurlijk bezig hield met de Boerinnenbond. Een andere vrouwenvereniging bestond er geloof ik ook niet in Wanssum in die dagen. Vader en moeder waren druk bezig met de Derde Orde (een kerkelijke devotie met scapulieren en dat soort imitaties van de Orde der Franciscanen) en andere Wanssumse aangelegenheden. Er was thuis overigens ook een ‘meid voor dag en nacht’. Ik herinner mij nog Bertha Vermeulen uit Swolgen en Grada Vissers uit Wanssum. Ook kwam er nog wel eens een hulp voor de poetserij e.d. door de week (Leo herinnert zich nog dat in de oorlog Vissers Door van de hei kleren kwam verstellen en naaien en dat dan de elektrische naaimachine weer omgebouwd moest worden tot een trapnaaimachine).

Grootmoeder voelde zich daar dus wel bij en lette zodoende op het doen en laten van de kinderen. ‘Heb je een zakdoek en de rozenkrans bij je?’, als we ergens heen gingen en ‘schamde ow nie’ als we kattenkwaad hadden uitgehaald. Zij waarschuwde ons bijvoorbeeld voor onze sinterklaaswensen om rolschaatsen ofeen autoped: die waren levensgevaarlijk, zij kende wel iemand die er een doodssmak mee had gemaakt etc. Zo ook telde zij ’s avonds bij het rozenkransgebed nauwkeurig mee of we wel het correcte aantal van tien weesgegroetjes hadden afgepast (de rozenkrans van Harrie miste continu een tiende kraaltje; hij werd dan ook steeds door grootmoeder berispt, dat hij weer een weesgegroetje smokkelde).

Ik meen me te herinneren dat zij ouder wordend ook kleiner en slanker werd. Elke morgen ‘stieperde’ zíj naar de kerk en kwam dan terugwandelen met de vader van vader, grootvader van Els die een eind verder woonde en zo’n beetje rentenierde. Paul beweerde onlangs dat hij op zijn oude dag nog verliefd was geworden! Gezamenlijk dronken zij thuis de koffie, waarna grootvader weer naar zijn eigen huis sjokte.

Grootmoeder wilde per se te voet naar de kerk, ook al bood vader haar bij slecht weer aan haar even met de auto daarheen te brengen. Ook gebeurde het op een dag dat het vanwege de ijzel spiegel- spiegelglad was en dat zij toch te voet naar de kerk wilde. Na een paar meter buitenshuis lopen viel zij languit en brak haar schouder. Tijdens het revalidatieproces nadien hoorden wij elke ochtend haar schouder-therapieoefeningen met het aan het plafond opgehangen katroltoestelletje.

Zij ontving regelmatig door de week en met de Kermis haar gasten, zoals de Rutten-schoonzussen, Litjes Ton, Hanxsen Nol. Harrie en ik togen als knaapjes wel eens naar Meerlo. Daar woonde in een groot huis de familie Geurts. Als we hadden aangebeld deed mevrouw Geurts, gekleed in een lange zwarte glimmend zijden japon de grote deur open en via de hal met de prachtige glanzende tegels werden we in de beste kamer gebracht. ‘De complimenten van vader, moeder en grootmoeder en zij nodigen u uit om kermiszondag naar het diner te komen’, waarna wij een soort bessenjenever te drinken kregen (moeder maakte in die tijd wel eens wijnsoep, was heerlijk).

Op een goede dag, ergens in 1939 denk ik, werd zij 80 jaar oud. Tegenwoordig spreken we van een aardige leeftijd, maar voor de oorlog was deze leeftijd toch wel uitzonderlijk. Dit werd thuis groots gevierd met een diner; wie er allemaal aanzaten, weet ik niet meer; er werd wel voor en na gespeecht. Van grootmoeder herinner ik mij nog een paar zinnetjes uit haar bedankspeech. Zij zei n.a.v. de vraag van haar zwager Meister Oeme (meester Rutten, lid Tweede Kamer) of op zo’n hoge leeftijd nog wensen werden gekoesterd, dat dit inderdaad het geval was. Zij memoreerde daarbij, dat zij elke dag naar de kerk ging en daar steeds in haar gebed de wens uitsprak dat ze opeens dood zou zijn en dus niet door een ziekte anderen, met name Hanna (moeder dus) tot last zou zijn. Waarna het overvloedig diner werd besloten.

Korte tijd daarna, gereed voor de dagelijkse gang naar de kerk, viel zij met een bons terneer. Grada gilde alles bij elkaar. Moeder waarschuwde vader en dokter van Bracht. Maar ook deze kon niets anders dan de dood constateren. Zo stierf grootmoeder plotseling, zonder ziek te zijn geweest, conform haar uitdrukkelijke wens, die ze tijdens het diner publiekelijk had geuit.

Ik moest aan bovenstaand verhaal denken vanwege twee recente gebeurtenissen. Onlangs werd Tiny Botden-Stappers in Oss tachtig. Een verkoopster in een modezaak complimenteerde haar met te zeggen: ‘u wordt mooi oud’ (dit klopt echt. het wordt bevestigd door velen). Maar als je dit op z’n Wanssums zegt, klinkt het toch heel anders: ‘geej werd ok moj aalt’. Dan is de hedendaagse discussie in de politiek en de jurisprudentie over euthanasie (recentelijk in het Europees parlement). Hoe zou men in min of meer geseculariseerde wereldje nu oordelen over een dergelijke door grootmoeder publiekelijk uitgesproken ‘gebedswens-dood’?

Matthieu, Zoetermeer februari 2001.

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 6, april 2001.

Verder lezen: