Naar aanleiding van ons onderzoek naar gemeentelijke verspilling zijn er vanuit de Tweede Kamer vragen gesteld aan staatssecretaris Van de Vondervoort. In antwoord hierop liet zij weten, dat ze een uitbreiding van de controle op gemeente-uitgaven, zoals deze voor de rijksuitgaven door de Rekenkamer plaatsvindt, niet gewenst vindt. Daarmee is zij het oneens met bijvoorbeeld oud-Rekenkamerlid Maarten Engwirda, die zich begin dit jaar uitsprak vóór provinciale Rekenkamers. De NVB heeft al sinds jaar en dag voor de instelling van dergelijke Rekenkamers gepleit.

Inmiddels blijkt dat de staatssecretaris zich op een achterhaald standpunt stelt. De praktijk laat de laatste tijd steeds meer initiatieven zien ter bevordering van een doelmatigheidscontrole op gemeentelijk niveau.

De gemeente Delft was zo’n drie jaar geleden de eerste die een gemeentelijke Rekenkamer instelde. Deze commissie bestaat uit raadsleden en deed reeds onderzoek naar het subsidiebeleid en het onderwijsbeleid. In Zoetermeer wordt sinds eind 1995 aan doelmatigheidsonderzoek gedaan. De gemeente Deventer kent sinds kort eveneens een gemeentelijke Rekenkamer. In ‘s-Hertogenbosch ligt een raadsvoorstel voor om te komen tot een met Deventer vergelijkbare gemeentelijke Rekenkamercommissie.

De NVB juicht deze initiatieven toe. Zij tonen aan dat in de plaatselijke politiek wel degelijk de behoefte wordt gevoeld aan meer controle op de gemeentelijke bestedingen, in tegenstelling dus met wat de staatssecretaris denkt.

Toch moeten deze ‘Rekenkamercommissies’ wat ons betreft als niet meer dan een tussenstation beschouwd worden op weg naar echte lokale of regionale Rekenkamers. Het nadeel van de huidige initiatieven blijft immers dat de raadsleden zichzelf controleren. Echte objectieve controle kan alleen uitgeoefend worden door onafhankelijke Rekenkamers.

Dit artikel verscheen in ‘De Belastingbetaler’, magazine van de Nederlandse Vereniging van Belastingbetalers, 3e jaargang nr. 4, augustus 1996.

Verder lezen: