Ook in de afleveringen 10 en 11 heb ik van de proza en poëzie die Leo nagelaten heeft, een keuze opgenomen en ingeleid. De vier gedichten die ik nog van Leo heb, volgen nu. Ik leid de gedichten ieder afzonderlijk, kort, in.

Theo

Paard op hol

Paarden van boeren waren het werken ook wel eens zat, denk ik. Zoiets moet het geweest zijn –of  werden ze niet goed behandeld?. In ieder geval sloegen ze, in mijn herinnering, regelmatig op hol in Wanssum. Ook die van de boer die schuin tegenover ons woonde, Jan van der Heijden (:”Van der Heides Jan”, zeiden we, getrouwd met onze nicht Miets Lenssen; Jan is pas, op 7 december, overleden), konden er wat van. En een op hol geslagen paard was geen lolletje, dat kon in zijn blinde, niets ontziende, razernij en verwarring heel gevaarlijk zijn. Ik herinner mij één geval. Het paard van onze overbuurman Jan kwam, met grote kar achter zich aan, in volle ren de Venrayse weg af, met Jan staande op de kar, aan de teugels hangend. Dit keer kwamen paard en kar onverwacht tot stilstand, toen het paard tussen twee bomen probeerde door te rennen die te dichtbij elkaar stonden.

Of Leo het over dit bepaalde geval heeft, weet ik niet. De sfeer die hij oproept, doet mij er wel sterk aan denken. In mijn herinnering was het inderdaad herfst, ongetwijfeld omstreeks 2 november, de dag van Allerzielen. Leo kan best twaalf jaar geweest zijn ten tijde van het geval waar ik het over heb. Alleen, de zin “Hoe kan een jongen van zeven / zijn broer ooit vergeten?” kan ik niet plaatsen. Maar misschien weet Paul daar een oplossing voor?

Schemering om het huis,

geluiden dringen gedempt

door in de kamer.

Herfst in kleur en klank

geluidloos en grauw-mistig.

Het schimmenrijk is nabij,

een dreigend dreunen nadert.

Ergens in het veld achter het huis.

Geratel van karrewielen,

geschreeuw van een boer,

onbekend en bekend voor hem

die zijn angst voelt groeien,

want

een paard op hol is

beangstigend voor wie het ziet en

gevaarlijk, onheilspellend en

dodelijk

voor wie het paard niet temt.

Hoe kan een jongen van twaalf jaar

een paard op hol in toom houden?

Hoe kan een jongen van zeven

zijn broer ooit vergeten?

Herfst in verstommende mist

is dodentijd.

Elke dag 2 november.

Biecht

Dit is het meest persoonlijke, maar ook mooiste gedicht van Leo. Toen Leo 17 was, zat hij op Rolduc in de zesde klas van het gymnasium. Als Rolducien moest je regelmatig –wekelijks?- je zonden in de biechtstoel gaan belijden, ook tijdens vakanties. De priester tegenover wie je je zonden ging ‘belijden’, de ‘biechtvader’ die de zonden kon kwijtschelden (:absolvo), was vanzelfsprekend tot geheimhouding verplicht. Toch is het heel begrijpelijk dat mensen, wanneer ze zware vergrijpen op hun kerfstok meenden te hebben, “doodzonden”, het allemaal graag een beetje anoniem hielden. En vanuit Wanssum ging je dan biechten bij een van de vele Franciscaanse Paters in Venray.

Ontkomen aan de angst voor de hel,

in regen fietsen naar de paters.

Naamloos en gezichtsloos je reinigen,

de schaamte het nakijken.

Dit ter wille van de nachtrust,

tegen het duivels geweld in je hartslag.

Wat is de misdaad? Een doodzonde?

17 Jaar, het leven gebeurt in je,

overkomt je,

maar je mag zo niet leven,

je ruggemerg moet gezond.

Duivelbezwering vergt een sterke rug:

één woord van de priester … absolvo,

spijt brengt nieuwe lusten, want

biechten is verlost zijn.

En weer opnieuw de fiets op,

dezelfde fiets, een andere priester,

in een andere stad.

Schaamte haalt je in.

Mensen herkennen de zondaar

al aan de manier van fietsen.

Wie fietst in de regen zonder beschutting

tenzij om boete te doen?

Boëthius

Leo, classicus, heeft zich twee keer aan een onderwerp uit de klassieke oudheid gewaagd, in dit en in het volgende gedicht. Boethius, die leefde van ca. 480 tot 524 na Christus, was een Romeins staatsman én een filosoof. Hij schreef “De consolatione philosophiae” (“Over de troost van de filosofie”). Valselijk beschuldigd van landsverraad werd hij in de kerker gegooid en uiteindelijk ter dood gebracht.

Vrijheid in de cel

voor hem een feit.

Geen toegeven aan een tiran,

voor diens grillen geen vleierij.

Alleen meegaan met eigen

overtuiging,

geleid door vrouwe Filosofie

naar de vrijheid.

Alleen zichzelf waarderen.

Woorden van waarheid

een wapen van gerechtigheid,

woorden van oprechtheid

een wapen voor de ware houding.

Boëthius gevangen alleen

in de idee van de keizer,

naar eigen overtuiging een

vrij man in geborgenheid

om zichzelf uit te spreken,

om anderen toe te spreken,

om de mensen te verblijden

met hoop op betere tijden

en geloof in eigen kunnen.

Waarvandaan die spiritualiteit?

waaruit die sterke gedachten?

De makkelijke weg noch de

middenweg paste jou;

afstand van het comfort

betekent geluk vinden

in jezelf.

Dat maakt iemand sterk.

Plato

Plato, die leefde van omstreeks 430 tot 350 vóór Christus (dus, zo’n 800 jaar eerder dan Boëthius), was een leerling van de filosoof Socrates. In zijn werken behandelt Plato een veelheid van onderwerpen, van wiskunde en politiek tot schoonheid, het onderwijs, liefde en vriendschap. Leo’s gedicht gaat over de jonge Plato zelf, een jongen in opleiding in de “palaestra”, de (worstel)school .

Aan de rand van de palaestra

een jongen in het zonlicht

gebronsd en gespierd,

het denken op zijn gelaat,

een begin van volle schoonheid.

Een vonk springt over,

schoonheid nog vormloos,

te kneden is zijn denken.

Lichaam en geest ontroeren

de oude leidsman.

Opvoeding in lichamelijkheid

en opgang naar het schone.

Aanschouwing van de jongen

leidt tot eros naar het Schone.

Dit artikel verscheen in Familiekrant Van Els, nr. 13, december 2005.

Verder lezen: