Uittreksel uit het verslag van de reis naar de Jura

Zaterdag, 18 mei 1985.

Nadat we ons in de Bourgondische bevoorradingspost Beaune te goed hadden gedaan aan een Omelette au Jambon en Boeuf Bourguignon, begaven we ons verder noordwaarts. Ons reisdoel was Marche-en-Famenne, in de omgeving waarvan we ons hadden voorgenomen enige navorsingen te doen omtrent de naam Fasol.

Maar hevige onweders en zware regenval vertraagden onze expeditie en maakten ons voertuig kwalijk bestuurbaar. Het te onderzoeken gebied van Les Famennes werd dan ook pas bereikt toen de zon aldaar reeds lange schaduwen wierp.

Handige manoeuvres van Corine met het bescheiden kaartmateriaal konden gelukkig voorkomen dat de onbetekenende stad Marche moest worden doorkruist. Als fervente navorsers wisten we maar al te goed dat de bevolking van dergelijke steden ons toch geen inlichtingen konden verschaffen over het achterland.

Voortdurend dalend en stijgend over door het heuvellandschap slingerende wegelkes, ontvouwde zich voor ons weldra een wonderbaarlijk panorama. Een landschap zo imponerend, zo harmonieus agrarisch en zo vol oorspronkelijkheden, dat het leek alsof de tijd er sedert de vroege Middeleeuwen had stilgestaan.

Stilaan bekroop ons de vrees dat dit land, waarin slechts enkele koebeesten, wat kabbelende waterloopkes en zoemende biekes de natuurlijke stilte opluisterden, haar geheimen aan ons vreemdelingen niet zou willen prijsgeven. Wijl we ronddoolden doorheen dit schoons, rees ook weldra de vraag of hier wellicht ook mensen woonden die ons over het verleden van hun heem zouden kunnen inlichten.

Nog geheel bezwangerd door gedachten gelijk deze, ontwaarden we plotseling een torenspits tussen de begraste heuvels. Niet lang daarna opende de nederzetting Marenne voor ons haar poorten.

Kiekje van het dorpsplein van Marenne, een voorpost van onze navorsingen.

Kiekje van het dorpsplein van Marenne, een voorpost van onze navorsingen.

Marenne

We brachten ons voertuig tot stilstand in de Rue du Cité, de enige straat die de nederzetting telde, en wilden ons onder de bevolking begeven.

Maar ook hier heerste er een vredige stilte die slechts werd verstoord door de voetstappen van een over de keien schuifelend individu, wiens voorkomen beslist geen belofte inhield voor een onderhoudend gesprek.

In de hoop ons met wat beter aanspreekbare inboorlingen te kunnen onderhouden, besloten we het enige plaatselijke voorraadmagazijn met een bezoek te vereren.

De winkelbel, die bij het openen der verfloze deur luidruchtig onze komst aanmeldde, verplaatste onze gedachten resoluut naar een verleden waarin de geurenmelange van klokzeep, porei en saucisseworst nog als aantrekkelijk werd ervaren.

Bijna struikelend over enige met vers gesneden gras gevulde wasmanden, betraden we de uitbating die amper drie bij drie meter groot was. We wachtten geduldig op het winkelpersoneel.

Nauwelijks waren er vijf minuten verstreken of een hoogbejaarde dame, leunend op een stok, bewoog zich schuifelend achter de hoog met winkelwaren bestapelde toonbank. En in een vrije opening tussen enkele snoepflessen en een stapel muizenvallen, verscheen voor een schilderachtig décor van grutterswaren, weldra het innemende hoofd va de uitbaatster.

“Bonjour, sieudam”, zei ze vriendelijk lachend waarbij ik me moeilijk aan de indruk kon onttrekken dat zij ‘Fasolle-trekken’ bezat. Pas toen zij welwillend antwoordde op Corine’s vragen, verdween die metamorfose.

“Ah, naturellement madame, Fasol c’est très bien connu ici. C’est un domaine en la commune de Menil-Favay n’est-ce pas”, vertelde ze enthousiast met haar wijsvinger naar het Noorden wijzend. Op mijn vraag of hier de familienaam Fasol ook bekend was, antwoordde ze ontkennend. We moesten maar eens op het kerkhof gaan kijken, hetgeen we overigens toch al van plan waren te doen.

Haar dankend voor de informatie verlieten we de winkel die een fusie van Miet Ahrens en Peer Cox had kunnen zijn. Behoedzaam richtten we onze schreden naar het plaatselijke kerkhof naast de kerk. Doch onze eerbiedige navorsingen tussen de arduinen zerken leverde niet meer op dan de bevestiging dat ook hier twee, hoogstens drie uiterst potente voorvaderen verantwoordelijk waren voor de staat der autochtone bevolking.

Geen Fasollen dus. Welaan, de volgende nederzetting Menil-Favay dan maar bezocht, welke plaats enkele steenworpen verder in een dal tussen de heuvelen gelegen is.

Menil-Favay

Menil-Favay

We hielden er halt bij een boerderij waarvoor twee manspersonen van de laatste zonnestralen stonden te genieten. Nadat Corine de benodigde conversatie op gang had gebracht, wachtte ons een aangename verrassing. “Mais oui Madame, Fasol est le nom de tout le domaine la-haut”, verklaarde de eerste informant met zijn hand een halve cirkelboog over het heuvellandschap beschrijvend.

Hierop kwam de andere, meer agrarisch uitziende man naar voren en bevestigde zulks met de opmerking die, tweemaal vrij vertaald, neerkwam op: “En wa moete gellie durmee! Witte wel dè alles wa hier Fasol hiet, ammel van mij is.”

“Doar”, zo wees hij ons geestdriftig, “ziede doar die weije op dieje berreg en doar al dieje grond ant rivierke Le Fasol. En doar wijerop op dieje rots La Roche wor ze fossiele hebbe gevonde en archeologische dinge. En dè allemol, ze wijt as ge kijke kant, des ammel van mij, sjeudame”.

Merkend dat deze opsomming van eigendommen ons diep beïndrukte, verleende de grootgrondbezitter ons dan ook graag de benodigde privileges om het landgoed Fasol aan een diepgaand onderzoek te onderwerpen. Na hiertoe enige instructies te hebben ontvangen, togen wij vol verwachting op weg.

De nederzetting Menil-Favay gezien vanuit de heuvels van le domaine Fasol.

De nederzetting Menil-Favay gezien vanuit de heuvels van le domaine Fasol.

Fasol

De zandweg, aangeduid met “La Roche” bracht ons naar een eerste hindernis: twee koeien en een stier. De blik waarmee deze dieren ons monsterden verried echter slechts een chronisch flegmatisme, zodat onze hindernis eigenlijk neerkwam op het handig manoeuvreren tussen hun malse uitwerpselen.

Spoedig daarna opende zich vóór ons een dal waardoor le ruisseau Le Fasol grillig zijn weg zocht. Aan de uitsnijdingen en begroeiingen van het beekdal te zien, moet dit stroompje vroeger veel omvangrijker en woester zijn geweest.

Terwijl we aandachtig luisterden naar het ruisen van Le Fasol, overdachten we de mogelijkheid dat deze waternaam in het verleden op de gehele omgeving moest zijn overgegaan en wellicht daarna ook op de bewoners van dit oord.

Le Ruisseau Fasol, waarnaar de wijde omgeving is genoemd.

Le Ruisseau Fasol, waarnaar de wijde omgeving is genoemd.

Aan die bewoners denkend, begaven we ons in de richting waar zich rechts boven ons de rotspartijen van “La Roche” verhieven.

Maar bij de beklimming ervan misten we onze bergschoenen zeer. Van bovenuit hadden we een goed overzicht van het gebied Fasol en we zagen het riviertje slingerend door het beekdal vloeien.

Aanzicht van de lugubere ingang der Druïden van La Roche en Fasol.

Aanzicht van de lugubere ingang der Druïden van La Roche en Fasol.

Plotseling ontdekte Corine een opening in de rotswand die mij, na een struikeling, toegang verschafte tot een lugubere spelonk waarvan het eind niet in zicht was. Opnieuw raakte ik onbewust in de ban onzer navorsingen en vroeg mij af, of wellicht hier op deze plaats eens de wieg der Fasollen had gestaan. Maar de zeer rotsachtige bodem en wanden en de, hier fatsoenshalve niet nader omschreven, stank, brachten mij snel terug tot de werkelijkheid.

Zich nog onbewust van het naderende onheil, toont een der navorsers de volgende plaats van onderzoek: "La Roche".

Zich nog onbewust van het naderende onheil, toont een der navorsers de volgende plaats van onderzoek: “La Roche”.

We hielden deze rotsingang maar voor een vergaderruimte voor de Druïden die van daaruit de in het dal samengedreven oerbevolking van Fasol hadden toegesproken.

De afdaling van deze voorhistorische verblijfplaats leverde bijzonder veel problemen op en stelde hoge eisen aan ons evenwicht.

Aan de voet van “La Roche” en Fasol werden we tot onze verrassing opgewacht door een paard dat ons niet bepaald gunstig gezind was. Als dit edele ros zich had voorgenomen deze plaats tegen ongewenste navorsers te beschermen, dan vervulde het die taak bijzonder goed.

Mogelijk doordat Corine verzuimde het dier in het Frans te kalmeren, maakte het zich onmiddellijk klaar voor een beet in Corine’s schouder. Na een paniekerig “en nou heb ik echt schrik”, richtte het Waalse ros zijn aandacht op mij, steigerde en kwam in volle snelheid op me af.

Ofschoon ook ik wist te ontkomen werd ik eveneens lichtelijk gewond vóórdat we beiden de schrikdraad bereikten.

Begrijpelijk dat we, na nog enkele misstappen tussen de koeienvlaaien onze expeditie als beëindigd beschouwden.

Met een “desset verdorrie verder zellef mer utzuuke” verlieten we le domaine Fasol.

Het was intussen bijna donker geworden.

Corine bij het nog grazende Waalse ros.

Corine bij het nog grazende Waalse ros.

Naschrift

Fasol is de naam die thans in de volksmond bekend is  voor een beek en het daaraan grenzende landschap. Dit landschap bestaat uit heuvelachtig weiland, bouwland, struweel en loofbos.

De ligging is in het dorpje Menil-Favay dat administratief onder de plaats Hotton valt. Het gehele gebied van Marche tot aan Hotton wordt Famenne genoemd.

Bij het zoeken naar de oorsprong en betekenis van de naam Fasol is het volgende wellicht belangrijk:

De uitspraak in de volksmond aldaar is Fasool.

Er komen ter plaatse meer plaatsnamen voorkomen met als eerste lid “Fa-“.

Het tweede lid “-sol” is bekend als waternaam (Schönfeld, NW, p. 242).

De familienaam Fasol is ter plaatse onbekend.

Neerpelt,  23 mei 1985

Naschrift 2 (PF, 2017)

In deze streek vond 100 jaar eerder een andere interessante gebeurtenis plaats. Cornélie Fasol, geboren te Padua, weduwe van Antoine Succa, trouwt op 22 april 1554 te Leuven met Vincent Audace, wiens vader geboren was in Alba. Zij krijgt als bruidsschat van haar schoonvader Antoine Succa een boerderij met landgoederen, gelegen in Marchin bij Huy, en verder 50 bonniers (70 ha) bos, gelegen in Barche (Chronique archéologique du Pays de Liège, 1950, p.30).

Antonius Succa promoveerde op 9 febr. 1545 tot doctor in de geneeskunde te Padua. Hij was toen lijfarts van Maximiliaan, graaf van Buren. Antonius Succa was een leerling van Andreas Vesalius die hem vernoemt in zijn werk ‘De Humani corporis Fabrica’ (1543). Vanaf de 14e eeuw is immigratie van vooral handelsreizigers vanuit Italië naar de Zuidelijke Nederlanden een normaal verschijnsel. Deze immigranten staan bekend onder de naam ‘lombarden’. Zij traden (net als Joden) op als kredietverstrekkers. De familie de Succa was een bekende lombardenfamilie.

Marchin ligt op slechts 40 km verwijderd van Marenne. De plaats Barche die in de bruidsschat genoemd wordt ligt vermoedelijk in Italië.

 

Verder lezen: