Samenvatting van stagerapport ‘Europese subsidiefondsen op het werkterrein van de Nederlandse Taal­unie’, gepubliceerd in ‘Publikatieblad van de NTU’, nr. 29, september 1993.

Gedurende de periode van half maart tot half juni had onderge­tekende het genoegen zijn stage binnen de studie Internationa­le Betrekkingen te kunnen lopen op het Algemeen Secretariaat van de Nederlandse Taalunie. De stageopdracht bestond onder meer uit het doen naar een onderzoek betreffende de mogelijk­heden voor de Taalunie om subsidies te ontvangen van Europese ondersteuningsfondsen, voor zichzelf of voor aan de Taalunie gelieerde projecten. Hier volgen enkele conclusies uit het onderzoeksrapport “Europese subsidiefondsen op het werkterrein van de Nederlandse Taalunie”.

De recente gedachtenvorming binnen de NTU omtrent de mogelijk­heden van het verkrijgen van Europese subsidies is onder meer na te lezen in het ‘Meerjarenbeleidsplan 1993-1997’ en het ‘Actieplan 1993’. Beide stukken zijn geschreven vanuit de vooronderstelling dat Europese subsidies in de toekomst een voor de Taalunie interessante geldbron kunnen gaan vormen. In het ‘Actieplan 1993’ zijn beleidsonderdelen zelfs op voorhand aangeduid als te financieren met behulp van Europese gelden.

Europese Gemeenschap

De vraag deed zich echter voor wat nu werkelijk de moge­lijkhe­den en kansen zijn aangaande het ontvangen van Europese gel­den. Hiertoe zijn alle fondsen en organisaties geinventari­seerd die op enigerlei wijze werkzaam zijn op Taalunie-doelge­bied. Hoewel ook organisaties als de Raad van Europa een actief beleid voeren met betrekking tot subsidiëringen, is verreweg de belangrijkste ondersteuner de Europese Gemeen­schap. De eerste inventarisatie leverde ruim vijftig potentië­le ondersteuningsfondsen op, die werkzaam zijn op een zeer breed scala aan activiteiten, van de audiovisuele sector tot lite­rair vertalen.

Ondersteuningen vanuit de E.G. dragen een projectmatig karak­ter. Dat wil zeggen, dat men uitsluitend afzonderlijke activi­teiten ondersteunt, en geen permanente subsidies ver­schaft. Voor elk project zal apart een aanvraag moeten worden inge­diend, en na toetsing aan de toekenningscri­teria zullen al of niet gelden worden uitgekeerd. Deze procedure brengt uiteraard onvermij­delijk een grote mate van onzekerheid met zich mee. Er bestaan fondsen die leningen verstrekken, en fondsen die aanvullend financieren. Volledige ondersteuning komt slechts bij uitzondering voor.

mogelijke ondersteuners

Uitgaande van de activiteiten van de Taalunie (om deze af te bakenen is het ‘Actieplan 1993’ gebruikt) en de subsidiërings­wensen van de Taalunie kon na een eerste analyse een groot aantal potentiële ondersteuners van de lijst afgevoerd worden. Dit moest enerzijds omdat zij slechts leningen verstrekten (wat dus geen daadwerkelijke verruiming van de financiële middelen met zich mee zou brengen), anderzijds omdat Taalunie-activiteiten niet aansloten op de toekenningscriteria van het betreffende fonds.

Bij de fondsen die toen nog overbleven, konden desondanks nog altijd enkele ‘knellende’ criteria, die de kans op toekenning zouden verkleinen, waargenomen worden. De meest voorkomende, niet inhoudelijke, ‘haken en ogen’ waren onder andere:

* ondersteuning alleen aan projecten met deelnemers uit min­stens drie landen
* geen toekenning twee jaar achter elkaar
* ondersteuning niet kostendekkend (maximaal 50% van de kos­ten)

Als het meest interessante fondsen kan waarschijnlijk Actie Vb van het LINGU­A-programma, dat zich richt op talen-onderwijs, aangemerkt worden. De gelden van dit fonds zijn bestemd voor de ontwikkeling van lesmateriaal, ontwikkeld door instituten uit tenminste twee E.G.-lidstaten. Naast universiteiten en andere instellingen voor hoger onderwijs, kunnen ook instel­lingen deelnemen, die “gespecialiseerd zijn in de ontwikkeling van lesmateriaal”. Het ontwikkelde materiaal moet afgestemd zijn op eventuele toepassing van informatica of technologische ontwikkeling. Men ondersteunt maximaal 50% van de kosten.

aanbevelingen

Aanbevelingen tot doeltreffend gebruik van de mogelijkheden die de E.G. biedt, zouden kunnen zijn:

* Blijf op de hoogte van het Europese subsidiecircuit, en doe aanvragen indien zich kleine kansen voordoen. Zorg dan wel dat ook eigen gelden beschikbaar zijn voor dit project.
* Indien zich de gelegenheid voordoet, zou men kunnen fungeren als opdrachtnemer van projecten, voorgesteld door de E.G. Indien men daarbij tevens eigen doelen dient, zou dit opgevat kunnen worden als een vorm van subsidiëring.
* Als het Comité van Ministers zich in Brussel zou willen inspannen voor de Taaluniefinanciën, zou dit de kans op resul­taat kunnen verhogen. Hiervoor moet dan wel een politieke bereidheid bestaan.
* Lobbyen kan effectief zijn, als men een over permanente lobbyist zou beschikken. Zo iemand kost uiteraard ook weer geld, en een afweging is dus op zijn plaats.
* Ook bemiddeling zou een idee kunnen zijn: wijs uitvoerders van projecten op de mogelijkheden zelf een aanvraag te doen, en beloof een aanvullend bedrag. Dit zou een bezuiniging op kunnen leveren.
* De instelling van een ‘Taalunie-Waarwerk’ zou aanvragen van instellingen meer kans op succes kunnen geven. De Taalunie moet er dan tevens voor zorgen, dat bij de E.G. bekend is waar de Taalunie voor staat.
* Derhalve is goede informatievoorziening over en weer tussen de E.G. en de Taalunie van groot belang.

conclusie

Vastgesteld kon wor­den, dat er geen Europese fondsen zijn die naadloos aansluiten op de activiteiten en/of subsidiëringswen­sen van de NTU, hoewel er genoeg zijn die ongeveer hetzelfde werkterrein hebben. Aangezien er doorgaans veel gegadigden zijn voor ondersteuningen, ligt het voor de hand dat de crite­ria vrij streng gehanteerd zullen worden. Sporadisch zal misschien wel eens een verzoek tot ondersteuning van de Taal­unie gehonoreerd worden. Structurele ondersteuning moet echter uitgesloten worden. Het is dan ook niet verantwoord om op voorhand al ruimte in de begroting open te laten, met de verwachting dat de E.G. deze ruimte wel zal dichten.

Verder lezen: