Commentaar op Thatcher’s visie op Europa ten aanzien van de keuze tussen eenwording van Europa of intergouverne­mentele samenwerking. Paper in het kader van de studie Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen, Universiteit Utrecht, juni 1989.

Er bestaan twee verschillende benaderingen voor Europese samenwerking. De eerste is wat door Croft omschreven wordt als de ‘union approach’, de andere is de ‘unity approach’(1) . De union approach houdt in samenwerking door een stelsel van afspraken tussen regeringen onderling, de unity approach houdt in het bewerkstelligen van eenheid door het afstaan van een gedeelte van de soevereiniteit van de deelnemende landen aan een supranationale instantie.

Deze denkbeelden werden gebruikt in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog (en daarna) bij de vraag hoe men tot Europese samenwerking zou kunnen komen.

De Britten waren voorstander van een stelsel van intergouvernementele afspraken. Enerzijds hadden de Britten hun banden met de Commonwealth, anderzijds was het een idee die uit de Koude Oorlog voortkwam. Men wilde de Verenigde Staten nauw betrekken met Europa.(2)

De idee van supranationaliteit ontstond voornamelijk uit angst voor een opleving van de Duitse macht. Die angst bestond met name bij Frankrijk.(3) Een aantal landen dat de supranationaliteitsgedachte voorstond richtte in 1951 de EGKS op. Als economisch doel diende weliswaar verkrijging van grotere productie, efficiency en betere concurrentiepositie(4), maar het was voor een zeer belangrijk deel een politiek concept: Duitslands potentieel integreren zodat het niet opnieuw machtig zou worden.(5) Als antwoord hierop werd later door Groot-Brittannië en gelijkgestemde landen de EFTA opgericht. In de opzet de Verenigde Staten met Europa te associëren was men geslaagd via de NAVO.

In 1972 werd Groot-Brittannië alsnog lid van de Gemeenschap. Dit heeft klaarblijkelijk niet betekend dat Groot-Brittannië zich ten volle bekeerde tot de supranationale gedachte. uit het optreden van Thatcher blijkt dat zij het supranationale karakter van de Gemeenschap zoveel mogelijk probeert in te perken en een voorstander is van onderlinge afspraken tussen de regeringen. Zij is vóór samenwerking op economisch gebied, maar tegen samenwerking op sociaal en politiek gebied, zoals die haar wordt ‘opgedrongen’ door Brussel.

Thatcher’s houding is niet de traditionele houding van de Conservatieven, voorzover die houding als anti-europees bestempeld kan worden. Vanouds is Labour de meest anti-Europese partij. (Recentelijk is die houding van Labour overigens sterk gewijzigd, met een tamelijk pro-Europees verkiezingsprogramma. ) Binnen de Conservatieve Partij bestaan dan ook meningsverschillen met Thatcher, met aIs voortrekkers Heath en Heseltine.(6)

De problematiek die Thatcher onder de aandacht brengt is heel wezenlijk. Een voor de hand liggende oplossing bestaat ook niet. Groot-Brittannië bevindt zich in een vrij moeilijk parket, omdat het uit pure noodzaak wel mee moet doen aan Europa. Er uit stappen is afstand doen van veel economische en politieke invloed. Het wordt dus kiezen of delen: ofwel Europa past zich aan Groot-Brittannië aan, ofwel Groot-Brittannië past zich aan Europa aan, of beide partijen passen zich aan elkaar aan. Wanneer geen oplossing gevonden wordt blijft de Gemeenschap met twee snelheden opereren. En met een rol van Groot-Brittannië in de achterhoede zou men in Londen niet tevreden moeten zijn.

Noten:

1 S. Croft, British policy towards Western Europe, International Affairs 1988
2 S. Croft, pag. 619 .
3 E. Heath, From European Community to Union, International Affairs 1988, pag 201.
4 Politiek memo ‘87 – editie Europese Gemeenschappen.
5 E. Heath, From Community to Union, pag. 201.
6 NRC 20-5-89, pag. 5, Groeiend onbehagen bij Britten over’ Europa 1992’ .
7 NRC 20-5-89, pag. 7, Gaten in Thatchers pantser.

Verder lezen: