In de parlementaire controle op de enorme sommen geld die in de Europese Unie omgaan speelt de begrotingscontrole-commissie van het Europees Parlement een belangrijke rol. De rol die deze commissie speelt zou men kunnen formuleren als het politiek maken van de bevindingen van de Europese Rekenkamer. Daarnaast doet de begrotingscontrole-commissie ook veel werk op eigen initiatief. Piet Dankert (PvdA) en Jan Mulder (VVD) zijn de Nederlanders die bij het werk van deze commissie betrokken zijn. We vroegen europarlementariër Dankert naar zijn ervaringen in de strijd tegen de verspilling in Europa.

Bron: Wikipedia

Piet Dankert, 1974

Wat is voor u het aantrekkelijke van de begrotingscontrole-commissie? Vanuit welke achtergrond bent u erbij betrokken geraakt?

Ik ben zelf begonnen met de begrotingscontrole-commissie. Als je met dat werk begint, krijg je vanzelf de neiging om te kijken hoe het nu staat met de doelmatigheid van de besteding van dat geld.

Wat heeft de begrotingscontrole-commissie voor daadwerkelijke invloed op de efficiency in de Europese Unie, behalve erover te praten?

Er gaan bepaalde initiatieven van de begrotingscontrole-commissie uit. De begrotingscontrole-commissie heeft bijvoorbeeld de aanzet gegeven tot instelling van de enquête-commissie over de fraude in het transitverkeer, die een paar maanden geleden een rapport heeft geproduceerd dat nogal wat invloed heeft gehad op de hele herziening van het douanesysteem, waar nogal wat fraude en misbruik geconstateerd is. Verder hebben tal van initiatieven uit de begrotingscontrole-commissie bijgedragen tot verbetering van de regelgeving in het algemeen. Daarnaast is de begrotingscontrole-commissie de politieke kanaal voor het rekenkamerrapport. En de begrotingscontrole-commissie is ook vaak opdrachtgever voor Rekenkamer-onderzoek. De rekenkamer krijgt dus politiek gewicht via de begrotingscontrole-commissie. Dat is natuurlijk een heel nuttige functie.

Wat voor maatregelen zijn de laatste jaren genomen om fraude en verspilling te bestrijden?

Er wordt op twee fronten gewerkt. De huidige Europese Commissie, met name de commissaris van Begroting Liikanen, is buitengewoon actief in het verbeteren van het financieel management, zowel binnen de Commissie als in de relatie van de Commissie tot de lidstaten. Aan de andere kant is het, mede in verband met de interne markt noodzakelijk om meer aan fraudebestrijding te doen. Ook op dat gebied zie je dat er wel enige voortgang is, maar ik vind het veel te langzaam gaan. Je zit namelijk met het probleem dat het een juridische aangelegenheid is, wat betekent dat je te maken hebt met intergouvernementele samenwerking. Dat zijn buitengewoon trage procedures. Het Verdrag van Amsterdam, met de verandering in Art. 209-a en nog een aantal andere punten in de justitiepijler, geeft weer wat aanzetten tot verbetering. Maar het gaat traag, er wordt weinig geratificeerd in de lidstaten, het is moeizaam.

De burger die de Rekenkamer-rapporten leest, zal niet het idee hebben dat er iets verbetert. Dat is natuurlijk buitengewoon slecht voor de legitimiteit van de EU. En daarmee ook voor de democratie binnen de EU, door de lagere verkiezingsopkomsten. Wat voor maatregelen zijn noodzakelijk?

De Europese Unie heeft er meer last van dit probleem dan bijvoorbeeld de gemeente Amsterdam. Als de heer Patijn een lijstje van een corrupte ambtenaren bekend maakt, dan lijkt daarmee de legitimiteit van Amsterdam niet aangetast te worden. Maar Europa is wat dat betreft meer omstreden, en het beeld van Europa wordt inderdaad belast met wat er op dit terrein wel gebeurt.

Welke machtsmiddelen heeft het Europees Parlement om maatregelen af te dwingen?

Dat is beperkt. Je kunt de begroting afkeuren, je kunt kwijting weigeren. Dat is al een keer gebeurd, maar het is onduidelijk wat daar de precieze consequenties van zijn. Als je dat doet dan moet je eigenlijk vervolgens de Commissie tot aftreden dwingen, wil je enige impact hebben. Want het wapen zelf van het weigeren van de kwijting eindigt in het zand, bij wijze van spreken. Dus daar moet wat gebeuren. En dat kun je dus doen door de Europese Commissie af te zetten. Daarnaast krijgt het Europees Parlement in toenemende mate meer gewicht in de wetgeving. Dus ook waar het gaat om douanesamenwerking, statistiek, en dat soort zaken.

Minister van Financiën Zalm stelde zich bij het uitkomen van het laatste Rekenkamer-rapport op het standpunt: de Europese Commissie moet alle onrechtmatige uitgaven consequent terugvorderen. De andere lidstaten reageerden lauw op zijn voorstel. Wat is uw mening hierover?

Bij landbouwsubsidies kan de Commissie redelijk terugvorderen middels systeemcontroles, waarbij 5% à 10% van de totale uitgaven bekeken wordt en zonodig boetes opgelegd kunnen worden. Dat is een redelijk instrumentarium. Bij de structuurfondsen bestond dat instrumentarium niet. De structuurfondsen komen zo langzamerhand aardig in de buurt van de omvang van de landbouwmiddelen: landbouw ongeveer 50% van de begroting, structuurfondsen ongeveer 35%, dus dat gaat om aanzienlijke bedragen. Er was eigenlijk niet in voorzien dat je in geval van fraude, onregelmatigheden of slecht beleid middelen zou moeten kunnen terugvorderen. Er zijn in het kader van de verbetering van financieel management door de Commissie een aantal voorstellen gedaan in het kader van het programma SEM 2000 (Sound en Efficient Management 2000). Daar heeft Zalm zich dus als Nederlands voorzitter van de Europese Unie voor ingezet. Het heeft geleid tot een aantal verbeteringen. In combinatie met het Verdrag van Amsterdam kan het ook leiden tot een enigszins met op de landbouwsubsidies vergelijkbare controle waar het gaat om horizontale kortingen. Maar er zit nog een gat in waar het gaat om het terugvorderen van frauduleus uitgegeven geld. Dat heeft weer te maken met het strafrecht en dergelijke. Dat zou nationaal geregeld moeten worden. Het probleem is dat er in de Europese Unie geen eenvormigheid bestaat waar het gaat om frauderen met Europese middelen. Er wordt wel wat geprobeerd op het gebied van wetgeving, maar dan krijg je weer de bekende discussie tussen mevrouw Sorgdrager en de andere ministers van Justitie, dat de een wel een minimum straf kent en de ander niet, dat in het ene land sprake is van fraude, terwijl dit in het andere land onder valsheid in geschrifte wordt geschaard, enzovoort. Allemaal voor hetzelfde delict. En daar zie je dus de hele problematiek van het strafrecht dat nationaal geregeld is, ook op het gebied van opsporing en dergelijke.

Het lijkt erop dat de bestedingsmoraal bij Europees geld slechter is dan bij nationaal geld. De ontvanger lijkt te denken: ‘het kost niks als het uit Europa komt’. Daardoor ontstaat meer fraude. Bevestigt u die indruk, is er iets aan te doen?

Dat hangt ervan af. De uitvoering van de grote structuurfondsen is bijna volledig nationaal. En het gaat dan ook gecombineerd met nationale financiering. Als je kijkt naar de regelgeving op het vlak van het regionaal fonds (de grootste hap uit de structuurfondsen) dan is vaak of meestal sprake van op zijn minst 30% op zijn meest 50% bijfinanciering door de lidstaten. En dat is dus toch wel iets dat het belang van de lidstaten bij een goede gang van zaken zou moeten onderstrepen. Daardoor kun je niet zeggen dat Europa automatisch tot meer fraude leidt. De lidstaat is altijd betrokken. Maar de lidstaten zelf hebben dat niet altijd even goed in de hand, en hebben ook misschien wel door een te hoog cofinancieringspercentage van Europa iets van ‘nou ja het is toch vooral andermans geld’. Daar zit wel een probleem.

U moet elke maand een week naar Straatsburg. Wat vindt u van dit verhuiscircus? Wat kan eraan gedaan worden?

We zijn nu door de regeringen te Amsterdam opnieuw veroordeeld om onze aandacht tussen Brussel,  Straatsburg en Luxemburg te verdelen, want dat hebben ze Amsterdamse top vastgelegd. Dat is dus tegen de wil van het Europees Parlement zelf. We proberen het ook een beetje minder te doen dan de regeringen willen. Maar als we het echt minder doen worden we door het Europees Hof van Justitie weer veroordeeld, en je kunt ook niet met Justitie spotten. Wij zitten ook met de inefficiency die het met zich meebrengt, de ellende van het voortdurend verhuizen van je kantoren, maar natuurlijk ook de kosten.

Kan het Europees Parlement niet eenvoudig zeggen: ‘we verhuizen gewoon niet meer’, en dan maar zien wat er van komt?

Het parlement zou dat kunnen zeggen, maar dat is wel tegen de wet opereren. Een wet die door de nationale parlementen is goedgekeurd. Dat maakt het nog moeilijker.

Ook sommige van uw collega’s in het Europees Parlement gaan soms de fout in, zoals bij de bekende film over de dagvergoedingen, en bijvoorbeeld de vragen over linker- en rechterschoenen van uw collega Wijsenbeek. Zijn dit incidenten of is er reden tot zelfkritiek?

Die schoenen-vragen vind ik meer humor, dat gebeurt in de Tweede Kamer ook wel eens. De dagvergoedingen zijn wat ernstiger. De hele vergoedingenproblematiek is een probleem. Dat heeft niet alleen te maken met dat tekenen, waarbij men tekent niet voor het aanwezig zijn op de zitting maar voor het afwezig geweest zijn om het zo maar eens te zeggen. Dat doet men vaak ook omdat men in een hotel geslapen heeft en dus kosten gemaakt heeft, dus het ligt allemaal een beetje lastig. Maar over het algemeen kun je zeggen dat de vergoedingen enige drastische aanpassing behoeven: naar beneden. Die zijn nu te hoog.

Het is duidelijk dat men in het Europees Parlement wel oog heeft voor de verspilling waarmee Europa te kampen heeft. Tegelijk is duidelijk dat het Europees Parlement onvoldoende mogelijkheden heeft om snelle verbeteringen te kunnen bewerkstelligen. Zoals alle processen in Europa gaat het ook hier tergend langzaam. Maar de gelden worden in de lidstaten besteed. Het zou dus een goed begin zijn om op dat lagere niveau de controle sterk te verscherpen. De invoering van lokale rekenkamers is nog altijd een goed idee.

Dit artikel verscheen in ‘De Belastingbetaler’, 4e jaargang nr. 4, september 1997.

Verder lezen: