‘Een man moet een hobby hebben’, zoals Martin Bril al schreef. In mijn geval is dat genealogie. Vroeger, toen ik als middelbare scholier door die koorts werd bevangen, was het maar een omslachtig gedoe. Stamboomonderzoek deed je in een archief. En dat archief was ver weg. Wij woonden in Valkenswaard, en om een beginnetje te maken met je stamboom moest je je ouders zo gek krijgen om naar Hasselt te rijden en zich daar een dagje met je op te sluiten. Daar zaten verder nog enige gepensioneerde oudere heren die daar – zo scheen het – dag in dag uit zaten te lezen in vergeelde stukken.

Mijn ouders waren zo gek. Samen met mama en met oom André, de aanstichter van mijn stamboomhobby, reden we erheen, in 1984 dacht ik. We kwamen terug met een stapel A4-tjes waarop de invulschema’s van de gezinsbladen stonden, die we een heel aardig eindje hadden weten in te vullen.

Daarna keek ik jarenlang naar die schema’s, schreef ze nog eens netjes over, vond af en toe in een boek over de geschiedenis van Bree of Valkenswaard wat aanvullende gegevens, en droomde over of ik ooit zou weten waar die rare naam Fasol toch vandaan kwam.

Later ging ik met Anja op vakantie naar Italië. Toen kwam zij er ook achter. Ik ging een dagje naar het postkantoor en schreef alle Fasollen uit het telefoonboek over. Je moet ermee leren leven, die gekte.

Toen kwam de computer. Ik voerde alles in in een speciaal computerprogramma en dan kon je de mooiste overzichten uitprinten.

En toen werd het nog beter: het internet. Met een druk op de knop vind ik nu alles wat iedereen ooit van elkaar heeft overgeschreven. Ik ben geëindigd met hele dikke mappen, en een computerprogramma met 20.000 namen erin. Maar waarom ik die vreemde achternaam heb weet ik nog steeds niet.

Dit jaar had ik een stilzwijgend voornemen: ik ga nog dit jaar Het Antwoord vinden. Jawel.

Warempel: ik ben een stuk opgeschoten. Om te beginnen: die voorvader van mij, van wie ik niet weet waar hij vandaan komt. Ik heb een camera op zijn hoofd gezet, en ik ben gaan opschrijven hoe de wereld was die hij zag. Bree, 1635-1645. Het was de 30-jarige oorlog. Er waren huurlingenlegers die de stad belegerden, uit alle landen van Europa. Die werden afgekocht met voedsel en geld. Je wou ze niet binnen de muren, want ze hadden de pest, en dyfterie. Toch reisden sommige stadsburgers ver, tot in Italië en Bohemen toe. En dan is hij daar, onze Jacobus Fasol, hij trouwt met een meisje uit de stad. Het lijkt wel of hij gestudeerd heeft, ze noemen hem meester. Zijn kinderen worden notaris, stadssecretaris en gerechtsbode.

Vrijdag 30 maart had ik vrijgehouden in mijn agenda. Mijn ouders waren nog steeds zo gek als in 1984. Terug naar Hasselt. Er zaten nog steeds gepensioneerde heren in vergeelde papieren te lezen. En ik probeerde ook wat vergeelde papieren. We kwamen terug met alle peetouderrelaties van de vroegste Fasollen, waardoor we weten met wie ze op goede voet stonden. En met een foto van een akte die heel erg onleesbaar is. En we hebben gepraat met de gepensioneerde heren. Dat is de tip die ik iedereen kan aanraden die aan stamboomonderzoek doet: praat met de gepensioneerde heren. Die weten alles: ‘O ja, Fasol, dat is die stadssecretaris! Ja, die heb ik wel eens zien staan in dat-en-dat-archief. Er is ook een stuk daar-en-daar.’ Enzovoort.

Ik ben er nog niet, maar dit jaar zit er meer schot in dan daarvoor. Om kort te zijn: je houdt ook hulp over aan zo’n archiefbezoekje. Dat is het beste. We zullen zien.

In dat bestand op mijn computer zit ook heel wat Van Els. Daar is ook nog veel werk aan de winkel. Tussen Piet van Els uit 1897 en Roelof Elskens uit 1550 zitten 12 generaties waarover een mooi verhaal verteld kan worden. Dat wordt het volgende project, maar het kan even duren. Het is jammer om te wachten tot ik zelf een gepensioneerde heer ben. Misschien is er iemand die zin heeft om er al mee te beginnen? Dan doe ik mee.

Dit artikel verscheen in de ‘Familiekrant familie Van Els’, mei 2012.

Zelf je stamboom uitzoeken? Met deze tips kom je nog verder.

Verder lezen: