In 1479 hebben de gezusters Agnes en Geertruid van Crommentuyn in de kerk van Horst een altaar gesticht, ter voldoening van het testament van hun heerbroer Gerit van Crommentuyn. Het altaar werd toegewijd aan de H. Lucia, waaraan wekelijks een of meer missen moesten worden gelezen.

De met deze taak belaste priester werd benoemd of ontslagen door de meesters van het Sint Luciagilde. Zulks “myt raede ende belyeven der schepenen van ter Horst”. Lodewijk de Bourbon, bisschop van Luik, hechtte zijn goedkeuring aan de stichting en de gezusters van Crommentuyn droegen daarna het beheer van het altaar over aan de pastoor van Horst. Het altaar van Sint Lucia stond aan de epistelzijde, in de zuidbeuk van de kerk. Een beeld van Sint Lucia sierde het altaar en dateerde uit het laatste kwart van de vijftiende eeuw. Het beeld stamde uit het atelier van de Meester van Koudewater te ’s-Hertogenbosch.

Gilde en broederschap van Sint Lucia staan inmiddels al 500 jaar op de schuttersweide. In 2001 plaatste de Horster Schutterij zich weer onder haar schutse. Haar naamdag op 13 december, wordt nu telken jare met luister gevierd. ’s Avonds ontsteekt de kapitein van de Overheid van de Schutterij in de oude Sint Luciakapel aan de Afhangweg het traditionele licht, dat ter ere van de lichtkoningin in optocht wordt gedragen naar de dekenale kerk aan het Lambertusplein. In het atrium hebben dan alle leden van schutterij en broederschap zich verzameld en trekken met het licht in processie de kerk in. Het vaandel van de schutterij wordt geplaatst in het priesterkoor. De “schutterijkaars” wordt met het nieuwe licht ontstoken. De kapitein houdt een voorbede en na de zegen trekken de schutters en de broeders naar het clubhuis op de schuttersweide, ter viering van de naamdag van Sint Lucia. Er zijn toespraken, er is eerbetoon en de Lucia-liederen worden gezongen.

Sint Lucia wordt door de schutterij gevierd als patrones en als voorbeeld van integer leven. Ter navolging van de eeuwenoude traditie is het goed te onderzoeken, of het inrichten van een devotiealtaar weer in de rede ligt. Wisseling van locatie van een of twee beelden in de dekenale kerk ware daartoe te onderzoeken op haalbaarheid.

Indien de inrichting van een devotiealtaar te realiseren is, zou in overleg met de pastoor-deken onderzocht kunnen worden op welke wijze het eerbetoon aan de patrones vorm en inhoud kan krijgen. Uitgangspunt is, dat met de stichting van het altaar, het beeld op het altaar een blijvende plaats gevonden heeft. Vanzelfsprekend wordt ook de schutterskaars daar neergezet.

Voor kerkgangers en bezoekers moet de verbondenheid van onze schutters met het devotiealtaar eveneens duidelijk zijn. Een tekstbord is al indicatief. Mogelijk kan het vaandel en enig schutterszilver in twee vitrines de locatie accentueren. Bij rouw en trouw van leden van onze schutterij en broederschap, kan het altaar op bescheiden wijze betrokken worden. Hoe dat op de naamdag van Sint Lucia zou kunnen, zou nog een nader onderzoek rechtvaardigen.

Ten slotte zou uit een fonds van de stichters van het altaar (de pastoor-deken en de beide beschermheren van schutterij en broederschap), het onderhoud kunnen worden bekostigd. Het beheer blijft, zoals ook vroeger, in handen van de pastoor-deken. Initiatieven van de schutterij, dienen primair door hem te worden getoetst.

Horst, 4 december 2004.

 

Dit artikel is onderdeel van de in 2007 gepubliceerde bundel Late Haver.

 

Verder lezen: