Suzanne Leenhoff, nog maar 13 jaren oud, is de hoofdpersoon van dit verhaal. Deze tiener uit de vorige eeuw is slank en blond en in het brede regelmatige gezicht staan grote violet­grijze ogen. Ze studeert piano, iedere dag vele uren. “Een verduveld knappe meid”, zeggen de Zaltbommelse jonge mannen. Later woont ze met haar ouders naast het Maarten van Rossum­huis in de stille Nonnenstraat. Ze zwerft door de natuur en liggend onder de lommer van de grote notenboom op de dijk, kijkt ze dromerig naar het stromen van de grote rivier.

In het hart van Europa staat een groot musicus op. In 1842 maakt hij een concertreis langs steden aan de Rijn. Hij gaat van stad naar stad om geld bijeen te brengen voor Beethovens’ standbeeld in Bonn. In november trekt hij met een charterboot van Nijmegen naar Rotterdam. Op dinsdag 22 november 1842 nadert hij over de Waal Zaltbommel. Het is marktdag en stads­beiaardier Leenhoff geeft tussen elf en twaalf uur zijn weke­lijks concert.

De musicus is een lange magere man, het donker golvend haar hangt hem op de schouders. De zwarte vurige ogen in het scher­pe jonge gezicht kijken peinzend naar de slanke toren van rode baksteen, die zichtbaar wordt boven het wijkend gebladerte van hoge bomen. Over het water hoort hij het zingen van het caril­lon. Het is een melodie van Mozart en hij wordt bevangen door een sterke ontroering. De klanken ranken sierlijk door de herfstdag, buitelend over de daken van oude huizen. De reizi­ger vraagt aan land te mogen. Hij zoekt zich een weg naar de toren en beklimt de smalle wenteltrap, dichter naar de zingen­de klokken. Na een slotaccoord kucht hij en verontschul­digt zich in gebroken Duits en Frans. De beiaardier antwoordt hem in het Frans en nodigt hem na het concert aan de huiselij­ke koffietafel.

Daar spreekt men over muziek en de gast moedigt Leenhoff aan zijn cello te bespelen, die in de hoek van de kamer staat. Dochter Suzanne begeleidt hem aan de piano. Het meisje speelt als een kunstenares. Hij vraagt of zij iets van Liszt kan spelen en zij voldoet aan dat verzoek. De bezoeker moedigt haar voornemen aan, in Parijs te gaan studeren. Daarna vraagt hij zelf te mogen spelen. Door het oude huis ruisen virtuoze klanken. Moeder Leenhoff stelt de vraag die op aller lippen zweeft: “wie bent U?” “Ik ben Franz Liszt”, zegt hij, “en ik wil graag weer terug naar mijn boot want ik moet verder”.

Suzanne gaat met haar moeder inderdaad naar Parijs. Ze geeft les in Saint Germain des Prés aan de zoontjes van Manet, een deftig ambtenaar van het Ministerie van Justitie, die slechts 500 meter verwijderd woont van de moeder van Liszt. Franz heeft blijkbaar zijn woord gehouden. De oudste zoon Edouard zal binnenkort terugkomen uit Brazilië. Edouard wil kunst­schilder worden. En wanneer hij niet slaagt voor zijn marine­opleiding krijgt hij toestemming van zijn ouders.

Hij ontmoet de muzieklerares van zijn broertjes. In de vele gesprekken die volgen, erkent hij niet te willen schilderen naar historische motieven. Liever wil hij het leven van alle­dag vertolken, streven naar natuurlijkheid zonder symbolische waarden. Terwijl hij worstelt met wat wij impressionisme zijn gaan noemen, gaan maanden voorbij. Suzanne krijgt haar eerste kus. Hun liefde blijft niet zonder gevolgen. Hun zoontje wordt geboren die zij Leon Edouard Koëlla noemen. Zijn vader is in het doopregister genoemd als de peetvader van Leon en hij wordt opgevoed als broertje van Suzanne. Inmiddels worden de werken van Manet befaamd in de wereld van schone kunsten. In oktober van 1863 bezoekt Suzanne haar ouders in Zaltbommel. In het huwelijksregister van 28 oktober 1863 worden de echte­lieden aldaar ingeschreven: Suzanne Leenhoff en Edouard Manet.

Het zal zeker niet Manets laatste tocht zijn geweest naar de Lage Landen. En noordwaarts reizend, naar de gewoonte van die tijd over de staatsspoorweg en de rivieren, komt hij vanuit Luik vast ook in Venlo. Zijn boot legt aan aan de Lage Los­wal. Met een levensgenietende rust betrekt hij een kamer in loge­ment “De Goghsche Kar” en slenter­t door de oude stad naar het Stad­huis. Op de Groentemarkt beziet hij wat tuinders en garde­neers te koop bieden.

Naar oude tradities van stad en streek trekken de asperges in het seizoen de aandacht van groot en klein. Wellicht zijn ze, zoals we nu mogen veronderstellen, gestoken op de moestuin aan de Muysemolen. De roomblanke landverse slierasperges liggen gebundeld in manden. Manet is gebiologeerd door wat hij ziet. Hij overweegt hoe met eenvoudige streken de na­tuurlijkheid der groente, voluptueus gevangen in het zachte touw, blij­vend kan spreken tot de verbeelding van mensen. Een kracht, die eenmaal ontbundeld, smaak en genoegen zal brengen op de tafels van eenvoudige lieden en rijken. Hij koopt het bosje van de hem vriendelijk toelachende marktvrouw en snelt terug naar zijn kamer waar hij zijn impressies vastlegt. Het “bosje asperges” uit 1880 is realiteit.

Een dichterlijke geest bezingt deze petite histoire:

Bij dag en in nacht’lijke uren
beminde Manet in vlam en in vure,
de Bommelse muze, zijn lieve Suzan,
en schilderde als haar impressionistische man
d’asperges uit Limburg, met grote allure.

Aspergerie 12 mei 1995 / Romé Fasol

Bronnen:

A.van Anrooy: Impromptu. Europese Bibliotheek Zaltbommel 1982.
Museum van Bommel van Dam: Asparagus. Van Spijk Venlo 1988.
Wallraf-Richartz-Museum Keulen: Spargelstilleben 1880.
G.Venner: Asperges in Limburg. De Maasgouw 112/2 1993.

Dit artikel is onderdeel van de in 2007 gepubliceerde bundel Late Haver.

Verder lezen: