Voorwoord

Het dagboek van Piet van Els (1897-1958) beschrijft gebeurtenissen gedurende de laatste oorlogsjaren 1944-1945 in Wanssum; een periode waarin Noord-Limburg te maken kreeg met evacuaties, oorlogsgeweld en deportatie van mannen naar Duitsland om tewerkgesteld te worden. Piet van Els doet in dit dagboek verslag van zijn eigen deportatie en zijn daaropvolgende vlucht en van de evacuatie van zijn familie tijdens de bevrijding.

Bovenaan de eerste pagina staat de datum 2 januari 1945. Het verslag beschrijft gebeurtenissen vanaf 2 september 1944. Vermoedelijk is hij op eerstgenoemde datum begonnen een ‘in het net’-versie van zijn belevenissen op te schrijven, waarschijnlijk op basis van eerder gemaakte aantekeningen. De schrijfstijl verraadt deze aanpak ook: de gebeurtenissen vanaf januari 1945 zijn beschreven in een bondiger en zakelijkere schrijfstijl en vaker in tegenwoordige tijd.

Het dagboek kwam uit de nalatenschap van Piets zoon Jan in 1975 in bezit van een van zijn kinderen. Begin jaren 1990 werd het dagboek door Romé Fasol in fotokopie vermenigvuldigd om diverse familieleden van een exemplaar te voorzien.

Een enkele keer is in het handschrift een woord weggevallen; indien voor de leesbaarheid noodzakelijk heb ik dat woord ingevoegd. Datumnoteringen zijn omgezet in voluit geschreven dag en maandweergave. Afkortingen zijn voluit geschreven. Een enkele keer zijn in het handschrift dagboeknoteringen omgewisseld: in deze weergave is dan de chronologie hersteld. De spelling heb ik gemoderniseerd: ‘Duitschers’ wordt ‘Duitsers’, enzovoort. De woordkeus heb ik intact gelaten: ‘der’ blijft ‘der’, niet ‘van de’.

In de eerste maanden van 2013 heb ik de nog levende kinderen van het gezin Van Els (Mathieu, Netta, Paul, Theo, Pierre en Tilly) gevraagd naar hun herinneringen uit de oorlogsjaren en met name de periode die het dagboek bestrijkt. Die herinneringen vormen een interessante verrijking van het verslag. Mathieu, Paul en Theo hadden bovendien al eerder geschreven over hun herinneringen in de familiekrant van de familie Van Els.

Dit heb ik aangevuld met achtergrondinformatie over gebeurtenissen uit deze periode in de regio en gegevens die verder onvermeld bleven, maar toch een interessant licht werpen op wat in het dagboek beschreven wordt.

Ook het fotomateriaal is geen onderdeel van het oorspronkelijke dagboek: die zijn voor deze uitgave verzameld en toegevoegd.

Ik ben dank verschuldigd – op de eerste plaats natuurlijk – aan Piet van Els zelf, die ons een indrukwekkend verslag heeft nagelaten. Verder bedank ik Mathieu van Els, met wie ik in zijn woning in Zoetermeer een gezellige avond heb doorgebracht om zijn herinneringen op te tekenen. Jammer genoeg kan hij de verschijning van dit boek niet meer meemaken.

Ik bedank Netta Timmermans-van Els, die mij een uitgebreide email stuurde met haar herinneringen. Datzelfde deed Theo van Els, die bovendien in de familiekrant van de familie van Els zijn eigen oorlogsherinneringen liet optekenen.

Ook een eerder artikel dat Paul van Els enkele jaren geleden in de familiekrant schreef was zeer informatief. Ik bedank Pierre van Els, die zeer bescheiden aangaf niet veel herinneringen meer te hebben omdat hij nog zo jong was, maar in dezelfde ademtocht beeldende details gaf over de granaatscherf die in zijn gezicht belandde.

En ik bedank mijn moeder Tilly Fasol-van Els, van wie ik de jeugdherinneringen al mijn leven lang kende, maar die deze toch nog eens uitgebreid heeft herhaald ten behoeve van dit project en me de plekken heeft aangewezen waar dit verhaal zich afspeelt. Ik bedank mijn vader Romé Fasol voor het meelezen en het geven van opbouwende kritiek. Peterpaul Kloosterman ontwierp de voorkant.

En natuurlijk bedank ik Anja, die het document nauwgezet heeft gecorrigeerd en me voor veel fouten heeft behoed, en Mariken en Kirsten, die later hopelijk blij zullen zijn dat dit stuk van hun familiegeschiedenis zo herinnerd blijft.

Peter Fasol
Gouda, februari 2014.

Het gezin van Piet van Els in 1944

Piet (Petrus Jacobus) van Els, 47 jaar oud in 1944, was een zoon van Johannes Henricus van Els, die een gemengd boerenbedrijf had, en Antonetta Louiza Gravendijk. Hij werd geboren in Wanssum op 29 mei 1897. Sinds 1929 was hij bedrijfsdirecteur van Landbouwbelang Wanssum. Maatschappelijk actief, onder andere als gemeenteraadslid. Het bedrijf Landbouwbelang was in 1923 gestart als op- en overslagplaats voor kunstmest en veevoeder. In de jaren ’30 werd een kanaal naar de Maas gegraven en in 1934 werd de Wanssumse haven plechtig geopend. Schepen tot 2000 ton konden hier aanmeren. Landbouwbelang Wanssum groeide in die jaren uit tot een voor die tijd hypermodern bedrijf met de modernste technologieën.

Op 17 april 1923 trouwde hij met Hanna (Johanna Christina Maria) Rutten, dochter van Johannes Matheus Christianus Rutten, landbouwer te Wanssum en Petronella Huberta Stevens. Zij was geboren te Wanssum op 7 december 1894 en vierde in 1944 dus haar vijftigste verjaardag. Uit dit huwelijk werden 10 kinderen geboren, die in de beschreven periode onderstaande leeftijden hadden:

  1. Jan, 20 jaar oud.
  2. Harry, 19 jaar oud.
  3. Mathieu, 18 jaar oud.
  4. Nelly, 15 jaar oud.
  5. Paul, 14 jaar oud.
  6. Netta, 12 jaar oud.
  7. Leo, 10 jaar oud.
  8. Theo, 8 jaar oud.
  9. Pierre, 7 jaar oud.
  10. Tilly, 5 jaar oud.

De in 1998 verschenen familiegids ‘De familie Van Els; ’n warm nest’ bevat een korte geschiedenis van de familie, waarin de sfeer in het gezin mooi wordt neergezet:

Piet van Els en Hanna Rutten groeiden beiden op in Wanssum. Piet ging in Venray naar de Normaalschool (later kweekschool). Hanna ging, toen ze ongeveer 18 jaar was, uutwonen bij de familie Tacken-Rutten (tante Katrien) in Horst. In april 1923, op 26-, respectievelijk 29-jarige leeftijd trouwden Piet en Hanna in Wanssum. Zij gingen wonen aan de Meerloseweg. In dit huis werden de eerste drie kinderen – Jan, Harrie en Mathieu – geboren. In 1929 werd het ouderlijk huis aan de Venrayseweg betrokken.

Met tien kinderen was het een druk huishouden. Maar Hanna was in staat om ze in één adem allemaal tegelijk bij elkaar te roepen:

JanHarrieMathieuNellyPaulNettaLeoTheoPierreTilly!

Enkele andere herinneringen zijn:

Een rijmpje van Vader:

O donderdag, schoonste aller dagen,
’s morgens nog een halve week,
en ’s avonds nog twee dagen.

Vader ’s avonds voor het slapen gaan: ‘Vrouw, wat hebbe geej en ik?’

En tijdens de vakantie vroeg Vader gewoonlijk: ‘‘Hoe laat worre ze tuus gisteroavend en zien ze noar de kerk gewest?’

Moeder: ‘Joa, joa…’

Te pas en te onpas: ‘Wat duut dèn vader?’

Ook het ouderlijk huis an sich – de kamers; de varkensstal; het pakhuis; de grote (moes-)tuin met de kersenbomen, waar in de zomer ‘Olympische Spelen’ plaatsvonden; het washok, waar op zondagavond de was gekookt werd en de woonkeuken, waar soms gevoetbald en soms een kookcursus gegeven werd – heeft veel herinneringen voortgebracht. Zo heette de slaapkamer waarop de dienstplichtige broers sliepen: de kazerne! In 1942 vertrok Jan als eerste van de kinderen uit huis en ging naar Utrecht om daar te studeren.

Het ouderlijk huis aan de Venrayseweg 44 in Wanssum, anno 2013. Het pakhuis stond links naast het huis, waar nu een parkeerplaats is. (Foto: P. Fasol)

Het ouderlijk huis aan de Venrayseweg 44 in Wanssum, anno 2013. Het pakhuis stond links naast het huis, waar nu een parkeerplaats is. (Foto: P. Fasol)

Over het uitbreken van de oorlog

Mathieu: ‘Ik werd in de nacht wakker van de geluiden, maar in ochtend realiseer je je pas dat het oorlog is, dat ze met geweren op vliegtuigen schieten. Ik herinner me dat omgehakte bomen als barricaden op de weg lagen om de Duitsers tegen te houden.’

Netta: ‘Op 10 mei 1940 gingen Nederlandse soldaten, ingekwartierd bij ons in het pakhuis, met alle ingevorderde fietsen, ook die van ons, op de vlucht voor de Duitsers. Vader zorgde vanzelfsprekend dat er nieuwe fietsen kwamen (hij kocht altijd in meervoud, ‘doe d`r mar zes’). Vader had overal een oplossing voor, in de oorlog was het self-supporting. We hadden een grote ‘hof’’ waar werkelijk alles in stond, van abrikozenbomen tot zeven soorten kersenbomen, en toen hadden we zelfs aspergebedden. Vader was een stevige roker en toen in de oorlog geen sigaren meer te krijgen waren werden tabaksplanten gezet voor ‘eigen teelt’. Deze grote bladeren werden gedroogd ‘gefermenteerd’, en sigaren van gerold en als kind mochten wij hieraan meehelpen. In plaats van op vakantie gaan was zijn ontspanning, met hoed op en een dikke sigaar aan, de wandeling door zijn eigen ‘aangelegde’ tuin. Verder had hij nog een illegaal persje in het hok van het pakhuis staan om slaolie te persen.

Deze olie had een heel aparte smaak en werd geperst van koolzaad, na het laten bezinken van de drab werd olie in lege, uitgewassen wijnflessen (die hadden we meer dan voldoende) gedaan en dan aan deze en gene uitgedeeld. Behalve directeur van Landbouwbelang was Vader lid van alle verenigingen, ook van het kerkkoor, z’n kennis van het Latijn kwam daarvan. Voor de oorlog hadden we al een auto, een grote Pontiac, waar we, als het moest, met z’n allen in konden. Maar al snel was er geen benzine meer te krijgen en na verloop van tijd haalden de Duitsers de motor eruit. Vader kon er niks meer mee. Toen heeft een boer uit de Peel, die nogal ver van kerk woonde, de auto opgehaald. ‘s Zondags spande hij er een paard voor en ging dan lekker warm en droog naar de kerk. Voor Vader was dit, in die tijd, weer iets wat hem werd afgenomen.’

Theo: ‘Met enkele van de Nederlandse militairen (onder-officieren, meen ik) werden vriendschappelijke relaties aangeknoopt. Een was Van Houten uit Rotterdam, en een ander Snaphaan, ergens uit de Achterhoek, meen ik. Zij en hun kinderen zijn nog tot in de na-oorlogse jaren regelmatig bij ons op bezoek/vakantie geweest.’

Tilly: ‘Jan studeerde sinds zijn 18e jaar in Utrecht, dus sinds ongeveer 1942. Hij is daar bij een studentenrazzia opgepakt en heeft in Berlijn gewerkt. Zeker een half jaar. Toen is hij terug naar Wanssum gekomen en heeft hij thuis ondergedoken gezeten, onder de vloer van het pakhuis. Harry was eerst ook niet in Wanssum. Hij zat in Eindhoven op het gym, waar hij in 1943 zijn einddiploma kreeg.’

Theo: ‘Ik was in die periode dus acht jaar en behoorde met Tilly en Pierre (Leo viel daar, geloof ik, net buiten), tot ‘de kleinen’, zoals wij door Vader in zijn dagboek collectief worden aangeduid. Als deel van dat collectief waren wij ieder in ons grote gezin goed geborgen, maar ook wel anoniem. We werden goed beschermd, maar ook afgeschermd van de zorgen etc. van de volwassenen. ‘Ons werd nooit wat verteld’, zou je achteraf (negatief?) kunnen zeggen. We zagen en hoorden natuurlijk ook wel eens wat, maar doorvragen was er niet bij. Aan het andere eind van de grote tafel, aan het hoofd waarvan Vader met Moeder zat, werd gepraat en gediscussieerd. Omdat van daar af de kinderen naar anciënniteit ‘geplaceerd’ waren, drong het daar besprokene nauwelijks door tot ons end van de tafel. Als wij al iets opvingen, werd niet verwacht dat wij daarover onze mond open deden.’

Mathieu: ‘In de jaren sinds 1939/1940 was ik nog jong gymnasiast. Je keek met verwondering de wereld in en eigenlijk vond je het ook wel een avontuurlijke tijd. Maar voor de ouderen en zeker ook voor onze ouders was het vooral een beroerde en om vele redenen ook angstige periode. Het ging er om een groot gezin ordentelijk door die jaren heen te loodsen en tegelijkertijd als verantwoordelijke mensen de gemeenschap te dienen m.a.w. in het verzet te gaan tegen de bezetter. We hebben de zware veldslag bij Overloon in oktober 1944 meegemaakt, de bevrijding van Venray, dag en nacht verblijf in de kelder, als dwangarbeider voor de bezetter werken. Een uur na onze bevrijding werden wij op bevel van diezelfde geallieerden geëvacueerd (tot omstreeks half april 1945); na vele omzwervingen via Oostrum, Venray, Deurne, Oploo, Vortum-Mullem kwamen wij tegen kerstmis 1944 in Oirlo bij de familie Peters; wij kenden de familie vrij goed, en hadden daar tot het einde van onze evacuatieperiode een uitstekend verblijf.’

>> Lees verder in Dorp aan de frontlinie, het oorlogsdagboek van Piet van Els.

 

 

 

Verder lezen: