Kloslezing door d’n Opperdreumel gehouden op 7 februari 1996.

 

Lieve echtgenote.

Hooggeachte Hannes-laureaten. Dreumels en dreumelinnekes.

 

Toen onlangs onze beide kinderen, volwassen nu, het aanbod kregen van een der illumni van d’n Dreumel om onder­richt te worden in de fijne kneepjes van het Horster dialect, beleefde ik een lichte pijn die kenmerkend is voor het gevoel van afgunst. De dreu­mels Gubbels en Joosten moeten dit geweten hebben toen ze, als gewoonlijk noncha­lant hangend aan de tap van dit etablis­se­ment, onze Peter en Carola belerend toespra­ken in termen van “ik zoep oow onder de taffel” en de veron­der­stelde zorg van hun vader op voorhand bagatelliseerden met “bè, wà wet dèn doa vâ!”.

Tongval van de contente mens

En hoewel ik met het oplopen van het aantal ambtsjaren in deze goede gemeente steeds meer voel dat hier weggaan nauwelijks nog bespreekbaar is voor “die Wanssumse” met wie ik opgewekt door het leven ga, bekruipt mij het gevoel dat ik dat ook niet zou willen. Tegen Annemie, een aardige dame die ten ge­meente­huize in de kamer tegenover mij woont, – tegen haar spreek ik onbe­kommerd nog met de tong­val van de “contente mens” uit de Brabantse Kempen. Zij heeft geleerd daarmee te leven. Maar zoals vanavond in deze academische zit­ting van De Klos, zou ik uw dialect willen kunnen spreken. Mijn liefde voor uw taal is voor mij echter een soort hazepeper zonder haas.

Waarde vrienden en vriendinnen.

Ik ken mijn Tilly al zo ongeveer van toen ik zes jaar oud was. Haar papa, vader Van Els, stimuleerde mijn denken over een mogelijke verbintenis reeds krachtig in mijn adolescentieja­ren. Ik herinner mij zijn vraag: “En Romé, wat dunkt oow van ons Til­ly?”. Niet geheel conform de waarheid wist ik niets beters te melden dan: “Ze is groot geworden”. Deze ge­vleugelde woor­den zijn mij nog vaak door mijn schoonfamilie te pas en onpas voor de voeten geworpen. Toch blijven mij tal van uit­drukkingen uit die gelukkige leerjaren helder voor de geest staan. Zo “kneijde” ze tegen de wind in naar Jeruzalem. Men ging ’s zomers in het “los kliejd” naar de kerk. Een kennis woonde in het “huus op d’n toomp” en men vroeg zich ook daar af “wie het huus van d’n burge­meister zeuj meuge tummere”. Met een “schottelslet” deed men tenslotte ook in Wanssum de vaat.

Een kies probleem

Ik ben met deze niet verbijsterend veel omvattende kennis van het Noord-Limburgs dialect een heel gelukkig mens gewor­den. Toch heb ik bij de onthulling van het kunstwerk van Leo Camps nabij de Steenstraat mij laten meeslepen door mijn emoties. Sommige van u hebben mij daar horen fluisteren: “Ik heb nog maar één wens. Ik zou in Horst geboren willen worden”. Maar als recht-geaard katholiek kun je daar geen vorm aan geven. Het verwekken is op zich al een kies probleem, hoewel daar nog wel vrijwilligers voor te vinden zullen zijn. Ook de prae- en de post-natale zorg lijkt me geen dilemma te zijn. In het gemeentelijk wel­zijnsprogramma worden wel voor dwazere zaken subsi­dies aange­vraagd. Maar je zou toch echt moeten behoren tot een oosterse secte om op latere leeftijd vorm en inhoud te geven aan het opnieuw ontstijgen aan de moe­derschoot. Onze alhier woonachtige Bordschigin vorst uit Mongolië, prins Ganjuuryn Dschero Khan heeft deze blijde gebeur­tenis blijk­baar alles­zins bevre­digend kunnen op­lossen. Zoals u weet gaat hij sereen door het leven begeleid door maagden. Een Tanta­lus-kwel­ling, lijkt mij. Een dergelijk lot zou ik niet met hem willen delen.

Bè, wà wette geej doa vâ

Een tweede gedachte over de moedertaal van dit vaderland kwam bij mij op toen ik tijdens de onlangs gehouden Limburgdag van deputé Eurlings hoorde, dat men stappen voorbereidt om het Limburgs dialect te doen erkennen als Europese Taal. Mijn interes­se kreeg voeding, als ware het zelfrijzend bak­meel. Nog geheel daarvan vervuld, maakten wij op de avond van die Lim­burgdag het “oet­komme” mee van de Prins der Dreu­mels. Onze Carola kwam tegen het ochtendkrieken thuis. Jawel, als vanouds in handen gevallen van dreumel Gubbels. En ’s morgens aan de ontbijttafel werd mijn spreekwoordelijke vader­lijk zorg beant­woord met een: “bè, wà wette geej doa vâ”.

Ik heb onze dochter over deze assertieve manier van omgang met haar ouders ernstig toegesproken. Ook zij moet weten dat men ten gouver­nemente de Europese Unie voorstellen gaat doen om het “Lim­burgs” te plaatsen naast het klassieke Grieks, het romantische Spaans, het voluptueuze Frans en het barokke Letsen­burgs. Niet zoals het Fries, een taal die alleen gespro­ken wordt bij kruiend ijs! Neen, het bronsgroen Limburgs zal worden gehoord en verstaan tussen de talen der Rijnstreek, het Luik­se, het Vlaamse en de taal van contente Brabanders. Laat­dunkende café-praat wordt daarin niet passend geacht.

Schèle waazel

Aldus kan onze taal uitdrukkingsmiddel worden voor grote geesten. Had Erasmus, de grote humanist nog geleefd, hij zou haar gesproken hebben. Overigens, naar de gebruiken van die tijd, naast het Latijn. En hij zou met dat Latijn ook in de huidige Lambertuskerk van Horst nog aardig terecht gekund heb­ben. Zijn grote werk echter, de “Laus Stultitiae”, ofwel “de Lof der Zotheid”, zou aan onze kinderen zijn verhaald als “de Iër va de Schèle Waa­zel”.

Ook het “dagboek van een herdershond” van Limburger Jacques Schreurs zou hebben gestaan naast de werken van Von Goethe. Weder­kerig zouden werken van deze grote Euro­peanen zijn ver­taald in de Limburgse Taal. Dreumel Gubbels, van wie overi­gens best iets goeds te vertellen valt, heeft zich gekwe­ten van de taak om de “Erlkön­ig” van Von Goethe te vertalen in het Horster dialect.

Schokkende beelden

De Erlkönig, uiting van een wat melancholieke poëzie, kent van­avond gelukkig een happy end. Want met een tragisch einde, dat in de Duitse romantiek zove­len naar de fles deed grijpen, wil ik u niet mishagen. We worden eerder vertederd door het edele vader­hart, dat mijns inziens niet genoeg bezongen kan worden. Het gedicht ver­haalt de emotie-volle tweespraak tussen de zich voortspoedende vader en zijn zieke kind, terwijl de elfenko­ning het kind lokkend toespreekt zijn strijd op te geven. Wanneer we deze poëzie invoelend onder­gaan, wanen we ons in De Peel. De schok­kende beelden die ons worden verhaald zijn minder geschikt voor mentaal zwakke toehoorders. Zij worden tijdens het voorlezen verzocht even naar het zaaltje hier­naast te gaan. Vooral de redding van het dood-gewaande kind aan het einde van het verhaal mag aangrijpend genoemd worden. Luistert u maar:

 

Wie reejt dur zô laat door nach en weend?

Ut is vader en zoën en ze reeje gezweend.

Heej hult ut menke good in dun errum;

Hult um good vas, heej hult um werrum.

 

Maar jungske, waat kiekte schoow, waat hedde gezî?

Och pap, zidde geej daan deen elfkeuning nî?

Dun elfkeuning mit sleip en kroën?

Maar kelke, ut is waat heiig gewoën.

 

“Koom jungske, goat mit meej mej!

Ik heb vur oow speulgood en ander schon grej;

We plukke blome en doon nog vul miër;

En mien moder drugt schon golde klier”.

 

Maar pap, maar pap, huur is daat gefluuster,

Ut is dun elfkeuning dî meej rupt in dun duuster.

Dut ma kalm, mien jungske en bedaar,

Ut is de weend dî speult mit de blaar.

 

“Koom ma, jungske, ziet ma nî schoow,

Mien dochters die waachte al op oow.

Mien dochters danse vur oow de ganse nach,

en zinge tot z’oow welteruste hebbe gezag”.

 

Maar pap, maar pap, nou kiek is doaveur,

ziën daat neet zien dochters doa beej dî scheur?

Ma kalm, mien jungske, ik zeej ut percies:

ut ziën de miete die geej meej nou wies.

 

“Ik hal van oow, geej ziet mienen held,

En as geej zoë nî mej goat, gebroek ik geweld”.

Maar pap, maar pap, weej motte driëjer goan,

D’n elfkeuning haet meej pien gedoan.

 

De vader, waat engstig, heej jent noow zien paerd,

In zien errum ’t kiend, ’t is nî vul mier waerd,

Keumt beej en hoës â, groët is de piên,

Maar doa stiët Van Heyster, doa motte we ziên.

 

Hooggeachte Hannes-laureaten,

Waarde vrienden en vriendinnen.

Wider den tierischen Ernst

Enige jaren geleden mocht ik uit handen van Ruud Soberjé d’n Hannes 1992 in ontvangst nemen. Deze avond krijgt een eigen sfeer, doordat we met respect aan Ruud terugdenken. De ernst en de luim, zo eigen aan de echte vasteloavendvierder, pasten bij Ruud. Geen fraaier hulde is hem waardig dan door te gaan met wat hij begon. In Aken komt men bijeen rond de “Orden wider den tierischen Ernst”­, in Horst eren wij “de Hannessen van de KLOS”. Ge bent “bië­stig gekloët” als je er voor in aanmer­king komt en ge bent “biëstig gröts” als je hier wordt verhe­ven tot Hannes. Zó – heeft Ruud het gewild!

Het was een voorrecht u vanavond te mogen toespreken.

 

Herinneringen:

  • Verlening van d’n Hannes 1992, naar aanleiding van de diefstal van de ambtsketen.
  • Optreden (1994) van burgemeester en deken tijdens de zitting van de Prinsenproclamatie in de Mèrthal. De traditionele felicitatie voor de nieuwe Prins der Dreumels op de bühne, werd afgesloten met een duet, gezongen door deken Van Hout en burgemeester Fasol. De Horster Ballade klonk op de muziek van de Parelvissers van Bizet, begeleid door maestro Hay Hesen:

 

Horst, ’n dorp waar ’t goed is te leven,

kerk en gemeente: ’t is nemen, geven.

Klokken die bei’ren, bewierookt tesamen,

d’n Deken, latijn en Horst zegt “Amen”!

’t College, d’n burger: ze zijn met z’n vier,

werken en zwoegen, maar nu zijn ze hier.

 

Wie zorgt voor zielen, wie voor de leken?

Dat is d’n Burger en d’n Deken!

 

Dit artikel is onderdeel van de in 2007 gepubliceerde bundel Late Haver.

Verder lezen: